Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2683

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
200.125.648-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontslag op staande voet werknemer parkeergarage wegens verduistering € 24,-. Ontslag onverwijld gegeven? Gelegenheid werkgever voor onderzoek. Dringende reden voor ontslag aanwezig. Wezenlijke inbreuk op belangen werkgever en op van werknemer te verlangen vertrouwen, ongeacht beperkte omvang bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0039

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.125.648/01

zaaknummer rechtbank: KK 13-286 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 augustus 2013

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A. Anakhrouch te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-PARK BEHEER B.V.,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.V.C. Savelkoul te Heerlen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en Q-Park genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 11 april 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, kamer voor kantonzaken, hierna ‘de kantonrechter’, van 14 maart 2013, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser en Q-Park als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Q-Park heeft daarna een memorie van antwoord ingediend, met één productie.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Q-Park heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.9, de feiten genoemd die hij in deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

Q-Park exploiteert een parkeergarage in de wijk Bos en Lommer te Amsterdam. In die garage zijn werknemers van Q-Park werkzaam in de functie van ‘parking host’. Deze werknemers houden zich bezig met het beheren en operationeel houden van de garage. Zij verrichten hun werkzaamheden veelal vanuit een afgescheiden ruimte in de garage, door partijen aangeduid als ‘de loge’. Zij werken vaak alleen en hebben een grote mate van vrijheid.

3.2.

[appellant] is op 1 februari 2009 in loondienst van Q-Park getreden in de functie van ‘parking host’, aanvankelijk op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en met ingang van 1 februari 2010 voor onbepaalde tijd. Hij is als zodanig werkzaam geweest in de hierboven genoemde parkeergarage.

3.3.

Gebruikers van die garage ontvangen bij het binnenrijden een parkeerkaart. Op vertoon hiervan kunnen zij bij de loge een of meer chipkaarten afhalen die recht geven op gratis openbaar vervoer in Amsterdam. Een gebruikte chipkaart voor het openbaar vervoer geeft bovendien recht op korting op het gangbare parkeertarief. Dit bedraagt zonder korting € 12,- en met korting € 8,- per dag. Om voor de korting in aanmerking te komen moet de gebruiker de gebruikte chipkaart(en) voor vertrek tonen bij de loge, waarna de ‘parking host’ zijn parkeerkaart voorziet van een bepaalde code.

3.4.

Voorafgaand aan het uitrijden van de parkeergarage moet voor het gebruik daarvan worden betaald aan de hand van de hierboven bedoelde, al dan niet gecodeerde, parkeerkaart. Betaling is mogelijk bij de loge door middel van een pin- of een creditcard alsmede bij een tweetal betaalautomaten die zich elders in de garage bevinden. Alleen bij laatstbedoelde automaten kan (ook) met contant geld worden betaald. In de loge is geen kassa voor contante betaling aanwezig.

3.5.

Q-Park maakt gebruik van een geautomatiseerd systeem dat de parkeerhandelingen in de garage registreert, met inbegrip van de hierboven bedoelde betalingshandelingen. Handelingen die niet door dit systeem worden geregistreerd moeten door de dienstdoende ‘parking host’ worden vastgelegd in een elektronisch logboek.

3.6.

In de loge en bij de in- en uitritten van de garage hangen videocamera’s die opnamen maken van de gebeurtenissen ter plaatse. In de loge bevindt zich voorts een knop door middel waarvan de slagbomen – die de in- en uitritten van de garage afsluiten en die automatisch opengaan als een geldige uitrijdkaart in de paal bij de slagboom wordt gestopt – handmatig kunnen worden geopend.

3.7.

Naar aanleiding van een schriftelijke mededeling aan Q-Park door een gebruiker van de parkeergarage over, kort gezegd, een weigering door een ‘parking host’ van een betaling van het verschuldigde bedrag van € 24,- met een creditcard en een door die ‘parking host’ verlangde contante betaling in plaats daarvan, heeft Q-Park een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken op de betrokken datum (16 december 2012). Dit onderzoek heeft aan het licht gebracht dat [appellant] die dag in de garage werkzaam was, dat op destijds gemaakte video-opnamen van de loge een betaling in contanten aan [appellant] door een gebruiker van de garage waarneembaar was, dat [appellant] vervolgens de slagboom van een van de uitritten handmatig opende ten behoeve van die gebruiker en dat de bedoelde contante betaling niet in het elektronische logboek is vastgelegd.

3.8.

Q-Park heeft de hierboven beschreven bevindingen in een gesprek op 9 januari 2013 aan [appellant] voorgehouden. Tijdens dit gesprek zijn hem de gemaakte video-opnamen getoond. [appellant] heeft bij die gelegenheid erkend op de betrokken datum € 24,- in contanten te hebben aangenomen van een gebruiker van de parkeergarage. Q-Park heeft hem vervolgens tijdens het gesprek op 9 januari 2013 op staande voet ontslagen op grond van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:677, eerste lid, BW. Zij heeft dit ontslag bij brief van 11 januari 2013 aan [appellant] bevestigd en in deze brief als reden daarvoor opgegeven ‘dat u zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van aan Q-Park toebehorende gelden en daarbij de Q-Park procedure heeft overtreden’, welk handelen Q-Park heeft aangeduid als voor haar ‘volstrekt onaanvaardbaar’ en als reden om ‘definitief elk vertrouwen in een verdere samenwerking met u [te hebben] verloren’.

3.9.

Bij brief van 18 januari 2013 van zijn advocaat heeft [appellant] de nietigheid van het hem gegeven ontslag ingeroepen. Q-Park heeft bij brief van 22 januari 2013 geantwoord niet voornemens te zijn het ontslag in te trekken.

3.10.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven feiten stelt [appellant] zich op het standpunt dat een dringende reden voor het ontslag zoals bedoeld in artikel 7:677, eerste lid, BW ontbreekt en vordert hij, kort gezegd en na wijziging van eis ter zitting in eerste aanleg, dat Q-Park bij wijze van voorlopige voorziening(en) zal worden veroordeeld om hem opnieuw gelegenheid te geven de overeengekomen arbeid te verrichten alsmede om vanaf 9 januari 2013, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet rechtsgeldig is geëindigd, het overeengekomen salaris door te betalen, te vermeerderen met de verhoging bedoeld in artikel 7:625 BW en met wettelijke rente.

3.11.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissing en de overwegingen waarop zij berust richt zich het hoger beroep.

3.12.

Met grief 4 betoogt [appellant] dat het ontslag op staande voet hem niet is gegeven onverwijld nadat de gestelde dringende reden ter kennis van Q-Park was gekomen en dat het ontslag reeds hierom geen stand kan houden. [appellant] kan in dit betoog niet worden gevolgd, zodat de grief faalt. Hiertoe is het volgende bepalend.

3.13.

Tussen partijen staat vast dat de onder 3.7 bedoelde mededeling op 27 december 2012 aan Q-Park is gedaan. Op grond van die enkele mededeling heeft Q-Park niet hoeven aan te nemen, en gelet op haar verplichting zich tegenover [appellant] als een goed werkgever te gedragen zelfs niet mogen aannemen, dat [appellant] een aan Q-Park toebehorend bedrag had verduisterd en daarbij de binnen Q-Park geldende procedure had overtreden, zoals zij hem heeft verweten. Hiervoor was onderzoek noodzakelijk naar hetgeen zich feitelijk had voorgedaan, in het bijzonder aan de hand van de op 16 december 2012 in de parkeergarage gemaakte video-opnamen en het onder 3.5 bedoelde geautomatiseerde systeem en elektronische logboek voor zover betrekking hebbend op die datum. Voorshands blijkt uit niets dat Q-Park dit onderzoek onvoldoende voortvarend ter hand heeft genomen en evenmin dat zij heeft gedraald uit de onder 3.7 beschreven onderzoeksbevindingen de gevolgtrekking te maken dat een dringende reden voor ontslag – de gestelde verduistering en overtreding van procedure – bestond en [appellant] vervolgens te ontslaan. Dan kan niet worden gezegd dat Q-Park heeft nagelaten [appellant] onverwijld te ontslaan zodra zij kennis had van de feiten waarin de door haar gestelde dringende reden voor het ontslag is gelegen. Dit wordt niet anders doordat Q-Park met het ontslag heeft gewacht tot zij, op 9 januari 2013, over haar bevindingen met [appellant] had gesproken (kennelijk) teneinde hem daarover te horen, niet doordat zij dit gesprek al op 28 december 2012 had aangekondigd aan de afzender van de hierboven bedoelde mededeling – in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is dat Q-Park haar onderzoek naar aanleiding van die mededeling toen reeds had afgerond – en evenmin doordat zij [appellant] tot aan het gesprek zijn gebruikelijke werkzaamheden heeft laten verrichten.

3.13.

Met grief 2 bestrijdt [appellant] de aanwezigheid van een dringende reden voor het hem gegeven ontslag. Ook deze grief kan niet slagen. Hiertoe geldt hetgeen hierna onder 3.14 tot en met 3.16 wordt overwogen.

3.14.

Niet in geschil is dat op de video-opnamen die op 16 december 2012 in de parkeergarage zijn gemaakt, te zien is dat [appellant] een betaling in contanten in ontvangst neemt van een gebruiker van de parkeergarage en dat [appellant] dit bedrag na verloop van enige tijd bij zich steekt. Evenmin in geschil is dat [appellant] de desbetreffende contante betaling (van € 24,-), waarvan hij in eerste aanleg en in hoger beroep de ontvangst heeft erkend, niet heeft vastgelegd in het elektronische logboek van de garage, zoals hij had behoren te doen. Uit de door Q-Park overgelegde registraties van betalingshandelingen die op 16 december 2012 zijn gemaakt door het onder 3.5 bedoelde geautomatiseerde systeem, blijkt niet van een storing of onmogelijkheid op die datum – zoals door [appellant] aangevoerd – die verhinderde dat het verschuldigde parkeertarief door middel van een creditcard werd betaald, zoals de zojuist bedoelde gebruiker volgens zijn mededeling aan Q-Park had willen doen. De door [appellant] genoemde aanleiding voor (het in ontvangst nemen van) de contante betaling is dus niet aannemelijk geworden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat [appellant] het door hem ontvangen bedrag na afloop van zijn werktijd in een gesloten envelop heeft achtergelaten in het postvak van zijn leidinggevende (teneinde het bedrag aan Q-Park te doen toekomen), zoals hij heeft gesteld: die leidinggevende, [X], heeft uitdrukkelijk ontkend op 16 december 2012 of op een andere datum in de betrokken week een geldbedrag of een envelop in zijn postvak in de garage te hebben aangetroffen, feiten of aanwijzingen die deze ontkenning logenstraffen ontbreken en [appellant] heeft de door hem gestelde afdracht niet aangetekend in het onder 3.5 bedoelde elektronische logboek.

3.15.

Op grond van het hierboven overwogene moet vooralsnog worden aangenomen dat [appellant] een aan Q-Park toebehorend bedrag heeft verduisterd en daarbij de binnen Q-Park geldende procedure heeft overtreden, een en ander zoals in de onder 3.8 aangehaalde brief van Q-Park vermeld. Een verdere aanwijzing hiervoor is gelegen in de schriftelijke verklaring van een bij het gesprek op 9 januari 2013 aanwezige werknemer van Q-Park, [Y], dat [appellant] tijdens dit gesprek, na aanvankelijke ontkenning en nadat hem de hierboven bedoelde video-opnamen waren getoond, heeft erkend dat hij geld heeft aangenomen van een gebruiker van de parkeergarage en dit in zijn broekzak heeft gestopt en dat hij het desbetreffende bedrag later niet heeft afgedragen of verantwoord, alsmede in de schriftelijke verklaring van een tweede bij het gesprek aanwezige werknemer van Q-Park, [Z], terwijl de stelling van [appellant] dat de zojuist bedoelde verklaringen onjuist zijn en dat hij het door hem ontvangen bedrag wel degelijk via zijn leidinggevende aan Q-Park heeft afgedragen zoals hierboven beschreven, door niets wordt ondersteund. De gestelde verduistering en overtreding van procedure kunnen niet worden afgedaan als ‘een administratieve slordigheid’ – zoals [appellant] heeft geopperd – en leveren een dringende reden voor het gegeven ontslag op, in aanmerking genomen het belang van Q-Park dat betalingen voor het gebruik van de parkeergarage daadwerkelijk aan haar ten goede komen.

3.16.

De onder 3.2 genoemde duur van het dienstverband van [appellant], diens voor 16 december 2012 onberispelijke staat van dienst, de ingrijpende gevolgen van het gegeven ontslag voor [appellant] en diens verdere belangen en persoonlijke omstandigheden – zoals zijn leeftijd en vooruitzichten op de arbeidsmarkt – staan aan het aannemen van een dringende reden voor het ontslag niet in de weg. De aard en de ernst van de omstreden gedraging van [appellant] zijn, gelet op de hierboven genoemde belangen van Q-Park en op het vertrouwen dat Q-Park in bij haar als ‘parking host’ werkzame personen – die, zoals onder 3.1 vermeld, een grote mate van vrijheid genieten – moet kunnen hebben, dusdanig dat sprake is van een dringende reden voor ontslag, ook als rekening wordt gehouden met de zojuist genoemde omstandigheden aan de zijde van [appellant]. De gedraging waarop het ontslag van [appellant] is gestoeld vormt kortom, ongeacht de beperkte omvang van het ermee gemoeide bedrag, een zo wezenlijke inbreuk op de belangen van Q-Park en op het door Q-Park in [appellant] gestelde en van deze te verlangen vertrouwen dat niet op grond van de belangen en persoonlijke omstandigheden van [appellant] kan worden geoordeeld dat een dringende reden voor ontslag ontbreekt. Uit het voorgaande volgt dat ook grief 5, waarmee [appellant] kennelijk het tegendeel wil betogen, tevergeefs is voorgesteld.

3.17.

Met grief 3 komt [appellant] op tegen het gebruik door de kantonrechter van in de parkeergarage gemaakte video-opnamen en van gegevens uit het onder 3.5 bedoelde geautomatiseerde systeem en elektronische logboek bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden voor het gegeven ontslag.

3.18.

Met betrekking tot de video-opnamen – waarvan niet in geschil is dat Q-Park een gerechtvaardigd belang had bij het maken daarvan – staat vast dat Q-Park deze op 9 januari 2013 aan [appellant] heeft getoond en dat zij, na tevoren door de advocaat van Q-Park aan de kantonrechter en aan de advocaat van [appellant] te zijn toegezonden, ook bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn getoond. [appellant] heeft hierdoor voldoende gelegenheid gehad om zich over die video-opnamen uit te laten, zodat de kantonrechter deze bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken. De hiertegen gerichte klacht van [appellant] is dus ongegrond. Nu de video-opnamen tot de in dit geding overgelegde bescheiden behoren, heeft [appellant] zich daarover bovendien genoegzaam in hoger beroep kunnen uitlaten. In zoverre heeft [appellant] dus onvoldoende belang bij zijn klacht dat hem daarvoor eerder te weinig gelegenheid is gegeven. Met betrekking tot de door Q-Park overgelegde gegevens uit het geautomatiseerde systeem en elektronische logboek verzet zich niets tegen het gebruik daarvan bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden voor het gegeven ontslag, reeds omdat [appellant] zijn betwisting van de juistheid en volledigheid – op voor de beantwoording van die vraag van belang zijnde punten – van de desbetreffende gegevens, niet heeft onderbouwd met of toegelicht aan de hand van feiten op grond waarvan hij voorshands in zijn betwisting moet worden gevolgd en aan de overgelegde gegevens zou moeten worden voorbijgegaan. Dit alles brengt mee dat de grief faalt.

3.19.

Grief 1, waarmee [appellant] uitsluitend in algemene zin opkomt tegen de afwijzing van zijn vorderingen door de kantonrechter, heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis en faalt dus eveneens. Voor bewijslevering zoals door [appellant] aangeboden is in een kort geding zoals thans aan de orde, ook in hoger beroep, geen plaats, zodat zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven wordt gepasseerd. Daarbij kan in het midden blijven of dat aanbod betrekking heeft op voldoende concrete feiten die, bij bewezenverklaring, zouden kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven.

3.20.

De slotsom uit het bovenstaande is dat de grieven geen van alle slagen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente zoals hierna te melden.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Q-Park begroot op € 683,- aan verschotten en € 896,- voor salaris advocaat, beide bedragen te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als betaling binnen deze termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het verstrijken van de genoemde termijn tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, W.H.F.M. Cortenraad en R.M. Beltzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2013.