Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2557

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.119.702/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vader tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 juni 2013

Zaaknummer: 200.119.702/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 186950/11-3872

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. K. Walburg te Purmerend,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.A. Kanning te Purmerend,

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 9 oktober 2012 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk 186950/11-3872.

1.3.

De vrouw heeft op 19 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 22 mei 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben tot 2009 een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2007. De man heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw, die het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] uitoefent.

2.2.

Vanaf eind 2009 tot medio 2011 heeft er één weekend om de twee weken omgang plaatsgevonden tussen de man en [de minderjarige], in de woning van de moeder van de man. In juni 2011 heeft de vrouw de omgang heeft beëindigd.

2.3.

De Raad heeft de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de man onderzocht en hieromtrent een rapport uitgebracht op 22 april 2012. De Raad komt in het rapport tot de conclusie dat het in het belang van [de minderjarige] is dat een herstart van de omgang tussen [de minderjarige] en de man door middel van een begeleid omgangstraject gaat plaatsvinden. Wanneer dit traject op positieve wijze zal verlopen worden de ouders geholpen om afspraken te maken over de vorm en de frequentie van de begeleide omgang bij oma (vaderszijde). Er is hulpverlening nodig die de omgang tussen de man en [de minderjarige] gaat vormgeven, aldus de Raad in zijn rapport.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de man, de vrouw en hem te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling te bepalen tussen [de minderjarige] en hem, afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de man en [de minderjarige] gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondag 18.30 en de helft van de vakanties en feestdagen en te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] worden belast.

3.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank waarbij zijn verzoeken een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen en hem samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten zijn afgewezen.

De man betoogt in hoger beroep dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij contact met beide ouders heeft en dat de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] weer opgebouwd dient te worden. De man stelt dat de omgangsregeling goed verliep tot een incident plaatsvond medio 2011. De man wijt dit incident aan de verhuizing van de vrouw met [de minderjarige] en haar nieuwe partner naar een ander deel van Nederland. De reiskosten voor de omgang die de verhuizing voor de man meebrachten en het gebrek aan overleg over de verhuizing heeft tot spanningen tussen partijen geleid.

De man benadrukt dat de Raad in het rapport van 22 april 2012 heeft geadviseerd een begeleide omgangsregeling te starten. De rechtbank heeft dit advies volgens de man ten onrechte naast zich neergelegd. De man betwist dat hij de zorgen en de angsten van de vrouw bagatelliseert en voorbijgaat aan zijn eigen aandeel daarin, zoals door de rechtbank is overwogen. Volgens hem grijpt de vrouw terug op zaken die in het verleden zijn gebeurd. Hij ontkent dat hij een alcoholprobleem heeft, zoals de vrouw stelt. Indien dit nodig wordt geacht is hij echter wel bereid om bijvoorbeeld cursussen te volgen om het vertrouwen van de vrouw terug te winnen.

Voor zover zijn extreemrechtse politieke voorkeur in de weg zou staan aan omgang met [de minderjarige] stelt de man dat hij deze voorkeur ook al had tijdens de relatie van partijen, hetgeen toen geen probleem vormde. Daarnaast vond de omgang tussen [de minderjarige] en de man altijd plaats bij zijn moeder, waar geen vrienden van de man komen.

De man stelt voorts dat er geen sprake is van (communicatie)problemen tussen partijen van dien aard dat er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico zou bestaan dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. De man heeft [de minderjarige] al voor de geboorte erkend en het is altijd de bedoeling geweest dat partijen gezamenlijk het gezag zouden hebben. De man voelt zich buiten spel gezet. Ten onrechte worden zijn politieke opvattingen en het daarmee vaak in verband gebrachte fysieke geweld als uitgangspunt genomen. De man dringt zijn opvattingen niet op aan [de minderjarige] en hij zal [de minderjarige] niet in onveilige situaties brengen.

Als er geen gezag en omgang is zal de man op nagenoeg alle gebieden buiten spel gezet worden. Door het gezamenlijk gezag toe te wijzen wordt bevorderd dat de vrouw de man bij het leven van [de minderjarige] betrekt.

4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij is van mening dat de rechtbank terecht het advies van de Raad in zijn rapport niet heeft gevolgd, omdat er thans indicaties zijn die tot een andere conclusie leiden. De vrouw heeft angst voor de man en zij is van mening dat de veiligheid van [de minderjarige] bij de man niet kan worden gegarandeerd. De man heeft een historie van agressief gedrag en hij heeft een alcoholprobleem. Daarnaast heeft hij extreemrechtse sympathieën en heeft hij verschillende zichtbare tatoeages waaruit deze blijken. Zo de man zich al niet zelf agressief gedraagt brengen deze manifeste uitingen van zijn rechtse sympathieën het risico mee dat daardoor agressie bij anderen wordt opgeroepen, als gevolg waarvan de veiligheid van de man in gevaar is en daarmee de veiligheid van [de minderjarige] als zij bij de man is. De vrouw stelt dat zij ook tijdens de relatie met de man al problemen had met zijn politieke voorkeur, welke steeds extremer werd. Uiteindelijk is dit een reden geweest om de relatie te beëindigen. De vrouw merkt nog op dat zij wel degelijk in overleg is getreden met de man over de verhuizing en de omgang. De man kon zich hier echter niet in vinden en de situatie is door toedoen van de man in juni 2011 geëscaleerd.

De vrouw heeft geen vertrouwen in de man omdat zij geen enkele verandering ziet bij hem. Hij stelt alles te willen doen om het vertrouwen van de vrouw terug te winnen, maar hij ontkent de zorgen die zij heeft en hij ontkent zijn alcoholprobleem.

Naar de mening van de vrouw is afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk. Er is sprake van ernstige communicatieproblemen tussen partijen. De houding van de man, zijn eerdere veroordelingen en zijn opvattingen zijn voldoende grond voor haar vrees. Volgens de vrouw zijn er geen aanwijzingen op grond waarvan veranderingen zijn te verwachten.

4.3.

De Raad heeft ter zitting, in afwijking van zijn voornoemde rapport, geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen en heeft daarbij het volgende opgemerkt. De Raad acht het gebrek aan zelfreflectie en inzicht bij de man zeer zorgelijk. Er zijn sterke aanwijzingen van alcoholproblematiek, gesignaleerd door de politie, de Raad en door de vrouw, hetgeen door de man volledig wordt ontkend. Hoewel er veel op het spel staat heeft de man geen enkele actie ondernomen om zijn persoonlijke situatie te verbeteren en aan zijn problematiek te werken. Hij lijkt het contact met [de minderjarige] volledig los te zien van zijn eigen handelen. Het is de vraag of de man inziet wat [de minderjarige] in opvoedkundig opzicht nodig heeft en hoe [de minderjarige] zal reageren op hem. Onder deze omstandigheden acht de Raad ook begeleide omgang niet langer verantwoord.

4.4.

Het hof zal eerst het verzoek van de man een omgangsregeling te bepalen behandelen en overweegt hierover als volgt.

In juni 2011 heeft er tijdens een omgangsweekend een incident plaatsgevonden waarbij de man zich agressief heeft gedragen jegens de partner van de vrouw, in het bijzijn van [de minderjarige]. De politie is bij dit incident ingeschakeld. De vrouw heeft de omgangsregeling hierna beëindigd. [de minderjarige] heeft haar vader derhalve al een lange tijd niet gezien.

Er zijn verschillende signalen die duiden op (ernstige) agressie- en alcoholproblematiek bij de man. Er is sprake geweest van huiselijk geweld tijdens de relatie van partijen. De man is verscheidene keren met justitie in aanraking gekomen vanwege gewelds- of agressie gerelateerde incidenten. De man kon zijn agressie niet beheersen in bijzijn van [de minderjarige] tijdens het incident in 2011. Daarnaast had de man voorafgaand daaraan alcohol gebruikt. Bij het huisbezoek dat de Raad in het kader van het raadsonderzoek ‘s ochtends aflegde bij de man is geconstateerd dat de man naar alcohol rook. De man heeft beaamd dat hij laat in de daaraan voorafgaande nacht nog heeft gedronken.

De man toont geen inzicht in zijn eigen aandeel in de problematiek rondom het stagneren van de omgang met [de minderjarige] en de slechte communicatie met de vrouw. Hij lijkt niet in staat de consequenties van zijn handelen ten opzichte van [de minderjarige] te overzien en legt de oorzaak van zijn problemen buiten zichzelf. Hij ontkent dat er bij hem sprake zou zijn van een alcohol- of agressieprobleem, volgens hem is het incident in 2011 opgeblazen omdat de vrouw (onnodig) de politie heeft ingeschakeld en zijn de zorgen van de vrouw niet reëel. Hoewel hij stelt er alles aan te doen om het vertrouwen van de vrouw terug te winnen, heeft hij geen enkele stap ondernomen om de vrouw te tonen dat hij haar zorgen serieus neemt en dat de veiligheid van [de minderjarige] bij hem niet in gevaar is. Daarnaast maakt de man bezwaren tegen begeleide omgang bij het omgangshuis in de woonomgeving van [de minderjarige] vanwege de kosten en reisafstand, maar biedt hij geen reële alternatieven.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, (begeleide) omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige], zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek. Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de man afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

4.5.

Voorts is het verzoek van de man hem samen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] aan de orde.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 2 Burgerlijk Wetboek wordt een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, indien de moeder daar niet mee instemt slechts afgewezen, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen blijkt, dat partijen een moeilijke voorgeschiedenis hebben en dat de verhouding tussen hen al lange tijd ernstig is verstoord. De vrouw heeft geen enkel vertrouwen in de man. Partijen communiceren in het geheel niet meer met elkaar. Onaannemelijk is dat in deze situatie binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het hof is van oordeel dat de problemen tussen partijen van dien aard zijn dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag zal worden afgewezen. De bestreden beschikking zal derhalve ook op dit punt worden bekrachtigd.

4.6.

Er is onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M. Wigleven en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.