Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.115.795/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:3143, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing binnen Nederland. Noodzaak tot verhuizing?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 21 mei 2013

Zaaknummer: 200.115.795/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 137684/FA RK 12-388

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. L. de Roode te Gouda,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Braspenning te Amsterdam,

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 29 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 augustus 2012 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 137684/FA RK 12-388.

1.3.

De man heeft op 18 december 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 8 en 14 februari 2013 nadere stukken ingediend. De vrouw heeft op 11 februari 2013 stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 21 februari 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw A. Hogendorp, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad).

2 De feiten

Partijen hebben tot mei 2010 een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) op [in] 2007. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige].

Na de beëindiging van de relatie zijn partijen een zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige] overeengekomen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [plaatsnaam a] te verhuizen, afgewezen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Subsidiair verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en hem, waarbij hij [de minderjarige] twee van de drie weekenden bij zich heeft, waarbij het halen en brengen wordt gedeeld, alsmede waarbij hij [de minderjarige] gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen bij zich heeft.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De vrouw stelt in hoger beroep dat de rechtbank bij de afwijzing van haar verzoek om vervangende toestemming is uitgegaan van onjuiste informatie en ten onrechte aan haar beslissing onder meer ten grondslag heeft gelegd dat het zwaartepunt van de zorgregeling bij de man lag. Volgens de vrouw is er geen sprake van een co-ouderschap geweest en verbleef [de minderjarige] het grootste gedeelte van de tijd bij haar. Zij stelt dat partijen nadat de relatie was beëindigd een zorgregeling zijn overeengekomen die tussentijds wel eens (tijdelijk) is gewijzigd. Deze zorgregeling hield volgens de vrouw in dat [de minderjarige] een weekend in de 14 dagen bij de man verbleef alsmede van dinsdagmiddag tot woensdagochtend. Daarnaast was [de minderjarige] tijdelijk – in verband met tijdelijk werk van de vrouw - maandag- en donderdagmiddag uit school bij de man. [de minderjarige] stond slechts om praktische redenen ingeschreven op het adres van de man, namelijk omdat de man in het huis waar partijen samenwoonden is blijven wonen.

De vrouw voert voorts aan dat zij een groot belang heeft bij vervangende toestemming om te verhuizen, zodat zij met [de minderjarige] bij haar partner in [plaatsnaam a] kan gaan wonen om daar een nieuw bestaan op te bouwen. De relatie met haar partner is bestendig, zij hebben trouwplannen en wensen gezinsuitbreiding. Het is voor haar partner niet mogelijk om te verhuizen uit [plaatsnaam a], in verband met zijn werk. Hij is eigenaar van drie winkels in [plaatsnaam a]. Daarnaast heeft hij een woning gekocht in [plaatsnaam a]. De vrouw is thans werkzaam in één van de winkels van haar partner in [plaatsnaam a] en zij is voornemens een pedicuresalon te beginnen in de woning van haar partner. Zij kan haar werkzaamheden goed combineren met de zorg voor [de minderjarige]. De verhuizing naar [plaatsnaam a] zal volgens de vrouw geen al te grote inperking betekenen van het contact tussen de man en [de minderjarige].

4.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist. Hij erkent dat de rechtbank niet van een juiste zorgregeling is uitgegaan, maar hij is van mening dat er wel sprake was van een co-ouderschap, zoals volgens hem ook blijkt uit de omschrijving van de zorgregeling door de vrouw. De feitelijke uitvoering van de zorgregeling kwam er op neer dat [de minderjarige] evenveel nachten bij de man als bij de vrouw verbleef. De uitbreiding van de zorgregeling was volgens de man niet tijdelijk.

De man betwist voorts de door de vrouw gestelde noodzaak tot verhuizing. De vrouw heeft haar baan opgezegd en voert haar gebrek aan inkomsten nu op als reden voor de verhuizing. De vrouw zou ook een pedicuresalon in [plaatsnaam b] kunnen beginnen, aldus de man.

De man is van mening dat het niet in het belang van [de minderjarige] is als zij met de vrouw naar [plaatsnaam a] verhuist. De verhuizing zou een drastische wijziging in de zorgverdeling betekenen. De man kan niet langer deel uitmaken van het doordeweekse leven van [de minderjarige] en het intensieve contact, dat hij thans met haar heeft, zal worden doorbroken. Daarbij wijst de man erop dat [de minderjarige] regelmatig tussen de middag vanuit school bij hem op zijn werk komt lunchen. Daarnaast zal [de minderjarige] uit haar vertrouwde omgeving gehaald worden. [de minderjarige] is geworteld in [plaatsnaam b], zij heeft daar vriendjes en vriendinnen en zij heeft veel contact met haar grootouders die ook in [plaatsnaam b] wonen. De man acht zijn eigen situatie stabieler dan die van de vrouw. Hij heeft al twee jaar een relatie, zijn partner kan het goed vinden met [de minderjarige] en de man kan zijn werk combineren met de zorg voor [de minderjarige].

4.3.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad stelt voorop dat beide ouders belangrijk zijn voor [de minderjarige] en dat er sprake is van evenredigheid van het aandeel in de zorg voor [de minderjarige] van beide ouders. De ouders hebben daarnaast evenveel mogelijkheden. De Raad acht het belang van [de minderjarige] om in haar vertrouwde omgeving te blijven onder deze omstandigheden doorslaggevend. Hoewel [de minderjarige] ook vaak met de vrouw naar [plaatsnaam a] gaat is haar vertrouwde omgeving in [plaatsnaam b], daar gaat zij naar school en naar de naschoolse opvang, en daar is het voor haar vertrouwde huis waar zij tot nu toe is opgegroeid, aldus de Raad.

4.4.

Ingevolge artikel 1:253a BW dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter alle omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en mee te wegen. Het belang van het kind is daarbij een eerste overweging. Bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing dient ondermeer te worden meegewogen de noodzaak tot verhuizing, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving en de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg.

4.5.

Uit de stukken en het ter zitting verhandelde is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verdeling van de zorg over [de minderjarige] in de praktijk min of meer neer kwam op een co-ouderschap. Partijen waren flexibel en bereid met elkaar te overleggen en de zorgregeling aan te passen wanneer de omstandigheden dat vereisten, hetgeen als positief en in het belang van [de minderjarige] moet worden aangemerkt.

[de minderjarige] heeft als gevolg hiervan een uitgebreid contact met beide ouders. Hoewel [de minderjarige] ook geregeld met de vrouw in [plaatsnaam a] verblijft, is het hof van oordeel dat haar vertrouwde omgeving zich bevindt in [plaatsnaam b], waar zij naar school gaat en waar zij tot heden is opgegroeid. Het belang van [de minderjarige] om in haar huidige vertrouwde sociale omgeving te blijven en met beide ouders een intensief (bijna dagelijks) contact te hebben en het belang van de man een gelijkwaardig deel van de zorg voor [de minderjarige] op zich te kunnen blijven nemen en deel uit te maken van haar dagelijks leven dient te worden afgewogen te worden tegen het belang van de vrouw bij verhuizing naar [plaatsnaam a] en de mogelijkheid om daar met haar partner en [de minderjarige] haar leven opnieuw in te richten.

Een belangrijke factor in deze overweging is de noodzaak tot verhuizing. Deze noodzaak tot verhuizing vormt volgens de vrouw het feit dat haar partner niet zou kunnen verhuizen uit [plaatsnaam a] en dat zij thans ook economisch is gebonden aan [plaatsnaam a], waar zij werkt en voornemens is een pedicuresalon te beginnen, welke werkzaamheden goed zijn te combineren met de zorg voor [de minderjarige]. Het hof is van oordeel dat de vrouw hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar verhuizing met [de minderjarige] naar [plaatsnaam a] noodzakelijk is. Het hof laat daarbij meewegen dat de vrouw gedurende de relatie altijd in [plaatsnaam b] heeft gewoond en gewerkt. De stelling dat haar partner niet kan verhuizen vanwege zijn werk en koopwoning is niet nader onderbouwd en niet gebleken is dat mogelijke alternatieven zijn onderzocht. Daar komt bovendien bij dat naar het oordeel van het hof de vrouw onvoldoende alternatieven heeft aangeboden voor het thans bestaande intensieve contact tussen de man en [de minderjarige], indien de verhuizing doorgang zou vinden.

Een verhuizing van de vrouw en [de minderjarige] naar [plaatsnaam a] zal ingrijpende gevolgen hebben voor [de minderjarige], in die zin dat [de minderjarige] uit haar vertrouwde omgeving zal worden gehaald, dat zij naar een nieuwe school zal gaan en dat het contact met haar vader onvermijdelijk minder intensief zal worden. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van [de minderjarige] om in haar vertrouwde sociale leefomgeving te blijven en het belang van [de minderjarige] en de man om intensief contact met elkaar te behouden zwaarder wegen dan het belang en de wens, hoe begrijpelijk ook, van de vrouw om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaatsnaam a] en met haar partner haar leven daar opnieuw in te richten. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst en mr. J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2013.