Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2540

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
200.120.503/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden onderbewindstelling niet aanwezig.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Burgerlijk Wetboek Boek 1 449
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 juni 2013

Zaaknummer: 200.120.503/01

Zaaknummer eerste aanleg: 1364659 EB VERZ 12-8241

in de zaak in hoger beroep van:

[x],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. I. Rhodes te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante wordt hierna de rechthebbende genoemd.

1.2.

De rechthebbende is op 22 januari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), met kenmerk 1364659 EB VERZ 12-8241.

1.3.

De heer [y] (hierna ook: de bewindvoerder) heeft op 14 maart 2013 stukken ingediend.

1.4.

De zaak is op 17 april 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bewindvoerder.

1.6.

De advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De rechthebbende is geboren [in] 1947.

2.2.

Bij beschikking van de kantonrechter van 2 februari 2012 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld en is mevrouw [a], handelend onder de naam [b], benoemd tot bewindvoerder.

2.3.

Bij beschikking van de kantonrechter van 23 juli 2012 is mevrouw[a] ontslagen uit de functie van bewindvoerder en is de heer [y], eveneens handelend onder de naam [b], benoemd tot opvolgend bewindvoerder.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.

3.2.

De rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3.

De bewindvoerder heeft verzocht het door de rechthebbende ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter op verzoek van de rechthebbende het bewind opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan.

4.2.

De rechthebbende stelt dat het voor haar niet duidelijk is op grond van welke omstandigheden een bewind is ingesteld over haar (toekomstige) goederen. Het is voor haar dan ook lastig om aan te tonen dat geen sprake (meer) is van deze omstandigheden zodat het bewind kan worden opgeheven. De rechthebbende stelt dat zij geen handtekening heeft gezet op het aanvraagformulier dat aanleiding is geweest om haar goederen onder bewind te stellen, en dat zij daartoe ook geen opdracht heeft gegeven. Volgens de rechthebbende heeft zij voordat het bewind werd ingesteld, geruime tijd geen beschikking gehad over haar bankrekening als gevolg van pinpasfraude. De rechthebbende stelt dat zij geestelijk gezond is, over voldoende intellectuele capaciteiten beschikt, geen schulden heeft en dat zij in staat is haar eigen belangen te behartigen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de financiële situatie van de rechthebbende volgens de bewindvoerder sinds het bewind veel stabieler is. Afgezien van de pinpasfraude was er voor het bewind geen sprake van een instabiele financiële situatie, aldus de rechthebbende.

4.3.

De bewindvoerder stelt dat de rechthebbende voorafgaand aan het bewind als gevolg van fraude niet beschikte over een bankrekening zodat de Dienst Werk en Inkomen haar uitkering niet kon betalen. De Dienst Werk en Inkomen heeft vervolgens via mevrouw M. Gumbs van Ambulante Thuiszorg Reiph, geadviseerd om een onderbewindstelling aan te vragen. Voorts stelt de bewindvoerder dat de rechthebbende geen Nederlands spreekt en niet kan lezen of schrijven. Dit zijn volgens de bewindvoerder essentiële vaardigheden om zelf haar belangen goed te kunnen behartigen. De rechthebbende is volgens de bewindvoerder bovendien beïnvloedbaar. De rechthebbende zou slachtoffer zijn geworden van pinpasfraude, maar Mevrouw M. Gumbs heeft – aldus de bewindvoerder – verklaard dat de rechthebbende zelf heeft meegewerkt aan de fraude, dat haar zoon hierbij een belangrijke rol heeft gespeeld en dat de rechthebbende om die reden geen aangifte heeft gedaan. De bewindvoerder stelt voorts dat de rechthebbende voorafgaand aan het bewind uitgebreid is geïnformeerd over de inhoud en de gevolgen van de onderbewindstelling. Ook de dochter van de rechthebbende, die wel goed Nederlands spreekt, heeft haar moeder vooraf geïnformeerd en heeft meegetekend. Volgens de bewindvoerder heeft de rechthebbende geen overzicht over, en beschikt zij niet over realiteitszin ten aanzien van, haar financiële situatie. In de periode april tot juni 2012 is de rechthebbende vier keer erop gewezen dat zij mogelijk recht zou hebben op een uitkering uit Curaçao; zij heeft hieraan geen gehoor gegeven. De bewindvoerder is van mening dat de bewindvoering in het belang van de rechthebbende in stand moet worden gehouden.

4.4.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Vast staat dat op enig moment de pinpas, en de daarbij behorende bankrekening, van de rechthebbende als gevolg van pinpasfraude is geblokkeerd. De rechthebbende heeft zich vervolgens gewend tot mevrouw M. Gumbs van Ambulante Thuiszorg Reiph voor advies. Doordat de bankrekening van de rechthebbende geblokkeerd was, kon de Dienst Werk en Inkomen de uitkering van de rechthebbende tijdelijk niet uitbetalen. De Dienst Werk en Inkomen heeft daarop via mevrouw M. Gumbs geadviseerd een onderbewindstelling aan te vragen. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder desgevraagd verklaard dat de financiële situatie van de rechthebbende inmiddels weer op orde is. De bankrekening van de rechthebbende is weer geactiveerd en zij ontvangt op de gebruikelijke wijze haar uitkering. Onder deze omstandigheden is hof van oordeel dat de directe oorzaak die heeft geleid tot de onderbewindstelling thans niet meer bestaat. Voor het overige is niet aannemelijk geworden dat rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand haar vermogensrechtelijke belangen op dit moment niet zelf behoorlijk kan waarnemen. Het hof acht in dit verband van belang dat thans geen sprake is van (noemenswaardige) schulden en dat gebleken is dat de rechthebbende ingeval zij hulp nodig heeft bij het regelen van zaken van financiële aard of bij het invullen van formulieren, terecht kan bij mevrouw [c], een goede kennis van haar. De stellingen van de rechthebbende dat zij het aanvraagformulier tot onderbewindstelling niet heeft ondertekend en daartoe ook geen opdracht heeft gegeven, alsmede de omstandigheid dat de tolk Spaans ter zitting bij de kantonrechter niet goed Spaans zou hebben gesproken en niets vertaald zou hebben, behoeven – wat daar verder ook van zij – aldus geen nadere bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de rechthebbende alsnog toewijzen.

4.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en, opnieuw rechtdoende:

heft het bewind dat is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [x], op;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, R.G. Kemmers en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2013.