Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2406

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
200.115.409/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:6165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenhoofdig gezag, omgangsregeling, Omgangshuis.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 juni 2013

Zaaknummer: 200.115.409/01

Zaaknummer eerste aanleg: 498215/FA RK 11-7092 LB/MBE

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. S. Guman te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 22 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 25 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam, hersteld bij beschikking van 15 augustus 2012, met kenmerk 498215/FA RK 11-7092 LB/MBE.

1.3.

De vrouw heeft op 5 december 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 18 februari 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat,

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

  • -

    mevrouw S. Benjamin, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.6.

Voorafgaand aan de zitting is de minderjarige [kind a] afzonderlijk door de voorzitter in bijzijn van de Raad gehoord.

1.7.

Zoals afgesproken ter zitting heeft de man op 25 februari 2013 nog een stuk aan het hof nagezonden, met afschrift aan de vrouw die daarop heeft gereageerd bij brief van 26 februari 2013 met afschrift aan de man.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1997 in Marokko gehuwd. Hun huwelijk is op 26 november 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 juli 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 2000, [kind b] [in] 2002 en [kind c] [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven bij de vrouw.

2.2.

Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 12 oktober 2012 is de man ter zake van poging tot doodslag op de vrouw, poging tot zware mishandeling, begaan tegen [kind b] en mishandeling, begaan tegen [kind a], telkens gepleegd op 9 juni 2011, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Hij is in verband hiermee van 9 juni 2011 tot 29 januari 2013 gedetineerd geweest.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - als nevenvoorziening bedoeld in artikel 827 lid 1, aanhef en onder c. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de vrouw met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast. Deze beslissing is gegeven op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het desbetreffende verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen en – naar het hof begrijpt: - als nevenvoorziening een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek om een omgangsregeling af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Gezag

4.1.

Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag na ontbinding van het huwelijk gezamenlijk blijven uitoefenen. Ingevolge artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2.

De man stelt - kort gezegd - dat handhaving van gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is. Hij heeft de kinderen grotendeels opgevoed, ondersteunt hun wensen en is bereid tot vreedzaam overleg met de vrouw. Daarnaast wenst hij zijn medewerking aan de vrouw te verlenen ten aanzien van alle gewichtige zaken die op de kinderen betrekking hebben, aldus de man.

4.3.

De vrouw stelt - kort gezegd - dat voortduring van gezamenlijk gezag leidt tot spanningen en onrust die ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen en dat niet te verwachten is dat daarin op korte termijn verbetering komt. Zij is geestelijk en lichamelijk door de man mishandeld en er is geen contact tussen de ouders sinds de detentie van de man vanaf 9 juni 2011, aldus de vrouw.

4.4.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd de vrouw met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten.

4.5.

Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat sprake is van een zeer belast verleden met veel strijd en geweld tussen partijen, waar de kinderen slachtoffer en getuige van zijn geweest. De man is tot dertig maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens poging tot doodslag op de vrouw, poging tot zware mishandeling van [kind b] en mishandeling van [kind a]. Het is alleszins aannemelijk dat het handelen van de man nog altijd een grote impact heeft op het leven van de vrouw en de kinderen. Zij bezoeken wekelijks een psycholoog om de gebeurtenissen en hun (angst)gevoelens jegens de man met elkaar te bespreken. De vrouw heeft geen vertrouwen meer in de man. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden in redelijkheid niet van haar worden verwacht dat zij met de man overlegt met betrekking tot het gezamenlijk nemen van beslissingen aangaande de kinderen. Het hof overweegt voorts dat partijen inmiddels al bijna twee jaar geen contact met elkaar hebben (gehad), wat het gezamenlijk nemen van beslissingen over hun kinderen ook praktisch onmogelijk maakt. Gezien deze omstandigheden is het hof, overeenkomstig het door de Raad ter zitting gegeven advies, van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is de vrouw met het eenhoofdig gezag over hen te belasten. Het hof bekrachtigt derhalve de beschikking waarvan beroep in zoverre.

Omgangsregeling

4.6.

Het hof neemt bij de vaststelling van een omgangsregeling een zodanige beslissing als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Een verzoek van de niet-gezaghebbende ouder om een omgangsregeling kan slechts worden afgewezen, indien de ontzeggingsgronden, zoals vermeld in artikel 1:377a lid 2 BW zich voordoen.

4.7.

De man verzoekt - kort gezegd - een niet nader door hem gespecificeerde omgangsregeling met de kinderen vast te stellen. Hij vertrouwt zichzelf en acht daarom begeleiding van de omgang niet nodig.

De vrouw verzet zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling.

4.8.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd een gefaseerde, begeleide omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen.

4.9.

Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de kinderen en de man inmiddels bijna twee jaar, te weten vanaf de detentie van de man vanaf 9 juni 2011, regelmatig telefonisch contact hebben, doch geen omgang met elkaar hebben gehad, afgezien van een kort moment direct voorafgaand aan de zitting in hoger beroep.

[kind a] heeft het hof ter zitting laten weten dat hij graag onder begeleiding omgang met de man wenst. De vrouw heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar tegen een begeleide omgangsregeling te hebben. Het hof is van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden omgang op zichzelf in het belang van de kinderen kan zijn, maar dat zeer zeker ook denkbaar is dat uiteindelijk moet worden geoordeeld dat een van voornoemde ontzeggingsgronden zich voordoet. Het zonder meer vaststellen van een omgangsregeling acht het hof dan ook thans niet aan de orde. De omgang dient voorzichtig en onder professionele begeleiding te worden opgebouwd, waarna zal moeten worden beoordeeld of een definitieve omgangsregeling kan worden vastgesteld, en zo ja, in welke vorm. Het hof zal partijen daartoe verwijzen naar het Omgangshuis Noord-Holland, nu dit een veilige omgeving aan de kinderen en aan de vrouw biedt. Vorm, frequentie en duur van de omgang zullen door het Omgangshuis in overleg met partijen worden bepaald. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot de hierna vermelde datum, met het verzoek aan partijen en het Omgangshuis het hof uiterlijk een week vóór die datum schriftelijk te informeren over het door het Omgangshuis schriftelijk vast te leggen verloop en evaluatie van de omgangsregeling.

4.10.

Het hof acht het redelijk dat ieder van partijen de helft van de kosten van het Omgangshuis zal dragen en zal dienovereenkomstig beslissen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd en de vrouw is belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen;

en alvorens verder te beslissen:

verwijst partijen naar het Omgangshuis Noord-Holland voor het starten van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, met dien verstande dat beide partijen hun medewerking dienen te verlenen aan alle stappen van het door hen bij het Omgangshuis te doorlopen traject en zich dienen te houden aan en te gedragen volgens de aanwijzingen van de medewerker(s) van het Omgangshuis;

beveelt dat partijen zich binnen vier weken na het wijzen van deze beschikking aanmelden bij het Omgangshuis Noord-Holland;

bepaalt dat het Omgangshuis Noord-Holland de vorm, frequentie en duur van de omgangscontacten nader zal bepalen;

bepaalt dat partijen ieder de helft van de kosten die door het Omgangshuis in rekening worden gebracht voor zijn rekening zal nemen;

bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma zal worden aangehouden tot zondag 23 november 2013, met het verzoek aan partijen en het Omgangshuis het hof uiterlijk een week vóór die datum schriftelijk te informeren over het door het Omgangshuis schriftelijk vast te leggen verloop en de evaluatie van de omgangsregeling;

beveelt de oproeping van partijen en de Raad tegen een nadien nader te bepalen datum;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M. Wigleven en mr. M.M.E. van der Kuijl in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.