Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2403

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
200.118.135/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie ingeval van co-ouderschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 juni 2013

Zaaknummer: 200.118.135/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 505746 FA RK 11-10091 (MN MD)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats a],

appellant,

advocaat: mr. G. Beydals te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats b],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 6 december 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 oktober 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 505746 FA RK 11-10091 (MN MD).

1.3.

Bij de griffie van dit hof is op 25 februari 2013 een brief ingekomen van de advocaat van de man.

1.4.

De zaak is op 6 maart 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.6.

De na de noemen minderjarige [kind a] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

1.7.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de man nog stukken aan het hof toegezonden, waarvan de vrouw een afschrift heeft ontvangen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1996 gehuwd. Hun huwelijk is op 5 februari 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [naam kind a] (hierna: [kind a]) [in] 1997 en [naam kind b] (hierna: [kind b]) [in] 1999 (hierna tezamen: de kinderen).

De kinderen verblijven de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw. [kind a] staat ingeschreven op het adres van de man en [kind b] op het adres van de vrouw.

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 december 2011 van de rechtbank Amsterdam is bepaald dat de man aan de vrouw € 400,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Een door de man gedaan verzoek tot wijziging van deze beschikking is door de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 23 mei 2012 afgewezen.

2.3.

Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 23 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam is het verzoek van de man om de beschikking van 7 december 2011 te wijzigen in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 6 mei 2012 op nihil wordt gesteld, althans op een lager bedrag dan bij beschikking van 7 december 2011 is bepaald, afgewezen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1955.

Hij is werkzaam in loondienst bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Blijkens de jaaropgaven over 2011 en 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 52.688,- en € 54.494,-.

Hij heeft vier hypothecaire leningen gevestigd op de door de hem bewoonde woning. De aftrekbare hypotheekrente bedraagt € 239,- per maand. De niet-aftrekbare hypotheekrente bedraagt in totaal € 178,-. Daarnaast lost hij een bedrag af van € 273,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 261.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 179,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedroeg in 2012 € 220,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1970.

Haar partner, met wie zij samenleeft, voorziet in eigen levensonderhoud.

Zij was werkzaam in loondienst bij [bedrijf] Blijkens de jaaropgave over 2011 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 17.997,-. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie over juli 2012 € 1.361,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

Zij is sinds augustus 2012 werkzaam als ZZP-er in de fitnessbranche waarmee zij vergelijkbare inkomsten genereert.

Aan kale huur betalen zij en haar partner samen € 1.200,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 97,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedroeg in 2012 € 220,- per jaar. Dit bedrag wordt niet geheel verbruikt.

Zij ontvangt een kindgebonden budget van € 150,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de vrouw bepaald dat de man € 400,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

  • -

    te bepalen dat hij de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in natura zal voldoen en daarbij te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil wordt gesteld, althans op een geringe bijdrage, die uitsluitend betrekking heeft op de directe kosten van verblijf van de kinderen bij de vrouw, voor zover de vrouw onvoldoende draagkracht heeft deze kosten te dragen;

  • -

    althans (subsidiair) te bepalen dat ieder van partijen een deel van de kosten van de kinderen zal betalen en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die de man aan de vrouw zal betalen, vast te stellen op € 200,- per kind per maand;

  • -

    althans te bepalen dat de man de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in natura zal voldoen en daarbij te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil wordt gesteld, met daaraan door het hof te stellen voorwaarden ter verantwoording van deze uitgaven.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hoger beroep dient er mede toe omissies, in eerste aanleg begaan, te herstellen. De grief van de man, inhoudende dat de rechtbank zijn verzoek in eerste aanleg niet volledig heeft weergegeven, behoeft daarmee bij gebrek aan belang geen verdere bespreking.

4.2.

Het hof dient te beoordelen of en zo ja met welk bedrag de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Behoefte van de kinderen

4.3.

Gebleken is dat de rechtbank de behoefte van de kinderen, zoals dit in de onder 2.2 vermelde beschikking voorlopige voorzieningen van 7 december 2011 op grond van de Tabel kosten kinderen is bepaald op € 445,- per kind per maand, in de bestreden beschikking tot uitgangspunt heeft genomen voor de berekening van de totale kosten van de kinderen. Het door de vrouw ter zitting in hoger beroep genoemde bedrag komt daarmee nagenoeg overeen. De man heeft in een van zijn grieven aangevoerd dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door, naar het hof begrijpt, niet (uitsluitend) van dat bedrag – waarover partijen het eens waren - uit te gaan, maar dat bedrag, vermeerderd met de kinderbijslag, te verhogen met toeslag van 16% in verband met dubbele woonlasten als gevolg van het co-ouderschap. De hof verwerpt de grief. Anders dan de man stelt, is niet aannemelijk geworden dat partijen het in eerste aanleg erover eens waren dat in het bedrag van € 445,- per kind per maand alle kosten van de kinderen (inclusief de extra woonlasten wegens co-ouderschap) waren begrepen. De vrouw heeft dit betwist, en daarmee ook de stelling van de man dat de kosten van de kinderen tijdens het huwelijk van partijen feitelijk veel lager waren dan het bedrag van € 445,- per kind per maand. De man heeft daartegenover zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Het hof acht in dit verband het door de man in eerste aanleg overgelegde overzicht van de kosten van de kinderen op zichzelf niet voldoende. Het hof zal het door de man in dit verband gedane bewijsaanbod dan ook passeren, Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het bedrag van € 445,- per kind per maand, vermeerderd met de kinderbijslag die beide ouders ten behoeve van de kinderen ontvangen, terecht heeft verhoogd met 16% in verband met dubbele woonlasten.

De stelling van de man dat voornoemd percentage van 16% onjuist is en dat dit naar zijn mening minimaal 35% moet zijn wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het juiste percentage heeft gehanteerd. De percentages waarnaar de man verwijst, hebben geen betrekking op de dubbele woonlasten van “co-ouderschapkinderen”, doch zien op de kosten in verband met omgang en kunnen – volgens de op 1 april 2013 in werking getreden alimentatierichtlijnen – eventueel in mindering gebracht worden op de door de onderhoudsplichtige te betalen bijdrage.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de totale behoefte van de kinderen als volgt zal berekenen. Het bedrag volgens de Tabel kosten kinderen van € 445,- per maand per kind dient te worden vermeerderd met de kinderbijslag ad € 91,- per kind per maand, in totaal derhalve € 536,-. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met 16% wegens dubbele woonlasten. Van het aldus vermeerderde bedrag dient voor de bepaling van de behoefte van de kinderen (eigen aandeel ouders) de kinderbijslag weer te worden afgetrokken. Daarmee komt de behoefte van de kinderen op € 1.062,- per maand voor beide kinderen.

4.4.

Het hof zal de draagkracht van beide partijen bepalen teneinde de kosten van de kinderen over hen te kunnen verdelen. Bij de beoordeling van hun beider draagkracht zal worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.4 en 2.5 weergegeven, behoudens voor zover hiervan in het navolgende zal worden afgeweken. Voor de draagkrachtvergelijking zal het hof beide partijen aanmerken als alleenstaande en het daarmee corresponderende draagkrachtpercentage van 70 hanteren.

4.5.

De man betoogt dat de gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met zich mee brengt dat hij alle kosten van de kinderen die geen verband houden met het verblijf van hen bij één van beide ouders, rechtstreeks voor de kinderen kan voldoen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte bepaald dat hij deze kosten eerst aan de vrouw dient te voldoen, zodat de vrouw deze kosten vervolgens voor de kinderen betaalt. Hij wil de financiële zeggenschap en rekenschap omtrent de kosten van de kinderen die hij had voordat partijen uit elkaar zijn gegaan, behouden. Het centrum van de activiteiten van de kinderen is nog steeds bij hem en hun hoofdverblijfplaats is derhalve niet verplaatst. De vrouw verschaft bovendien geen inzicht in de vraag of zij de door hem betaalde bijdrage ook daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen aanwendt. Gevreesd moet daarom worden dat de vrouw een substantieel deel van de gelden niet ten behoeve van de kinderen aanwendt, aldus de man. De vrouw heeft voornoemde stellingen van de man gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat beide partijen in staat zijn om het beheer van het voor de kinderen bestemde budget op zich te nemen. Niet gebleken is van enige aanwijzing dat de vrees van de man als voornoemd gegrond is. De man heeft dat ook niet nader geconcretiseerd. Met zijn stelling dat de vrouw geen inzicht verschaft in de besteding van de gelden, miskent de man dat er geen wettelijke bepaling is die de vrouw daartoe verplicht. Om die reden dient dan ook aan het verzoek van de man, gedaan bij brief van 25 februari 2013, te worden voorbij gegaan. Aannemelijk is voorts dat een situatie waarin beide partijen de kosten van de kinderen voldoen niet werkbaar is. Gebleken is dat de vrouw de kosten van de kinderen thans voldoet. Naar het oordeel van het hof geeft hetgeen de man heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om daarin verandering te brengen. Wel zal het hof de kosten in verband met de dubbele woonlasten van de kinderen, alsmede de kosten van verblijf van de kinderen bij hem, in mindering brengen op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen.

Draagkracht van de man

4.6.

Het hof zal het inkomen van de man bepalen aan de hand van de door hem overgelegde jaaropgave van 2012, waaruit zijn meest recente fiscaal loon blijkt. Het hof zal hierbij de alleenstaande-ouderkorting in aanmerking nemen, waarop de man aanspraak kan maken.

4.7.

De rechtbank heeft bij de bepaling van het inkomen van de man voorts de opbrengsten die de man ontvangt in verband met de verhuur van een kamer in zijn woning in aanmerking genomen. De man is van mening dat de rechtbank dit ten onrechte heeft gedaan. Weliswaar verhuurt hij deze kamer op dit moment nog en ontvangt hij in verband daarmee € 250,- per maand, doch hij wil niet verplicht zijn om deze kamer – vanwege zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen - te blijven verhuren. Bovendien is zijn moeder onlangs overleden en wil hij de vrijheid hebben om zijn vader in deze kamer te laten verblijven. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met deze inkomsten. Indien deze huuropbrengsten in de toekomst wegvallen, kan de man op dat moment altijd nog een verzoek tot vermindering van door hem te betalen bijdrage indienen, aldus de vrouw.

Gebleken is dat de man thans nog huuropbrengsten genereert ten bedrage van € 250,- per maand. Naar het oordeel van het hof kan de man echter niet verplicht worden om deze kamer ook in de toekomst te blijven verhuren. Het hof is derhalve van oordeel dat deze huuropbrengsten slechts in aanmerking moeten worden genomen gedurende de periode dat de man deze inkomsten daadwerkelijk genereert. Vanaf het moment dat de man deze inkomsten niet meer ontvangt, dienen deze buiten beschouwing te worden gelaten.

4.8.

Met betrekking tot de door de man opgevoerde aflossing op de schuld aan zijn werkgever overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten, die ten opzichte van de kinderen als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Wat schulden betreft vallen hieronder de schulden die uit het huwelijk van partijen stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan. Overige schulden hebben in beginsel geen voorrang op de onderhoudsverplichting jegens het kind. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen. Zodanige feiten of omstandigheden zijn in het onderhavige geval niet gesteld of gebleken. Voorts is niet gebleken dat de door de man opgevoerde aflossing op zijn schuld een huwelijkse schuld betreft. Het hof zal de aflossing op deze schuld derhalve niet in aanmerking nemen bij de berekening van zijn draagkracht.

4.9.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij de kosten voor zijn huishoudelijke hulp uit zijn vrije ruimte dient te voldoen. De man heeft namelijk een zwaar beroep en dit wordt, naar mate zijn leeftijd stijgt, steeds moeilijker om uit te oefenen. Om die reden was het de bedoeling dat de man gebruik zou maken van de PAS-regeling, een voorziening voor oudere werknemers. Indien de man hiervan gebruik zou maken, zou zijn draagkracht echter substantieel dalen. Daarom heeft de man gekozen voor een oplossing met minder ingrijpende financiële gevolgen in de vorm van een huishoudelijke hulp. De daaraan verbonden kosten zijn derhalve noodzakelijk om zijn inkomen te blijven verwerven en dienen op zijn draagkracht in mindering te worden gebracht, aldus de man. De vrouw heeft deze stelling van de man betwist.

Het hof ziet aanleiding om rekening te houden met de kosten voor de huishoudelijke hulp tot een bedrag van € 25,- per week, zoals de man heeft verzocht. Naar het oordeel van het hof heeft de man de noodzaak van deze kosten voldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze kosten ten opzichte van de kinderen als redelijke lasten kunnen worden beschouwd.

Draagkracht van de vrouw

4.10.

De rechtbank is bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgegaan van een bruto inkomen per maand van € 1.340,-, exclusief vakantietoeslag. Ter zake van de woonlasten van de vrouw, heeft de rechtbank een bedrag van € 154,- in mindering gebracht op de door haar opgevoerde woonlasten wegens gelet op haar inkomen onredelijk hoge woonlast, zodat € 446,- per maand aan woonlasten in aanmerking is genomen. Nu het voorgaande in hoger beroep niet in geschil is, zal het hof hiervan eveneens uitgaan. Evenmin als de rechtbank, zal het hof rekening houden met de aflossing van de vrouw op de door haar bij haar vader afgesloten lening, nu van dergelijke aflossingen ook in hoger beroep niet is gebleken.

4.11.

De totale draagkracht van de man en de vrouw bedraagt in de periode dat de man nog huuropbrengsten heeft € 1.118,- respectievelijk € 116,- , in totaal € 1.234,- per maand. In de periode dat de man geen huuropbrengsten heeft bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 944,- respectievelijk € 116,-, in totaal € 1.060,- per maand. De totale draagkracht van partijen overstijgt in laatstgenoemde periode derhalve niet de totale kosten van de kinderen van € 1.062,- per maand. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt gedurende de periode dat hij nog huuropbrengsten heeft € 962,- per maand en vanaf de periode dat hij deze opbrengsten niet meer heeft, € 944,- per maand.

Deze bedragen dienen te worden vermeerderd met de kinderbijslag van € 91,- per maand, die de man ontvangt voor [kind a]. Vervolgens dienen op deze bedragen de kosten in verband met dubbele woonlasten in mindering te worden gebracht, ter hoogte van € 172,- respectievelijk

€ 156,- per maand. Bovendien dienen op deze bedragen de kosten ter zake van het verblijf van de kinderen bij de man, ter hoogte van € 150,- per maand, in mindering te worden gebracht. De stelling van de man dat laatstgenoemde kosten minimaal 35% van de behoefte van de kinderen bedragen, wordt verworpen. De man sluit hierbij immers aan bij de nieuwe alimentatierichtlijnen, die pas van toepassing zijn op onderhoudsbijdragen met een ingangsdatum gelegen na 1 april 2013.

4.12.

Op grond van het vorenstaande en rekening houdend met het fiscaal voordeel waarvoor de man in aanmerking komt, is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 366,- per kind per maand gedurende de periode dat de man nog huuropbrengsten heeft en van € 357,- per kind per maand gedurende de periode dat hij deze opbrengsten niet meer heeft, in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man met ingang van 10 oktober 2012 bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen gedurende de periode dat de man nog huuropbrengsten heeft op € 366,- (DRIE HONDERD ZESENZESTIG EURO) per kind per maand, en gedurende de periode dat de man deze huuropbrengsten niet heeft op € 357,- (DRIE HONDERD ZEVENENVIJFTIG EURO) per kind per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.A. Gerritzen - Gunst, mr. A. van Haeringen en mr. E.A. Maan in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.