Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2276

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.116.355/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling huwelijksgerelateerde behoefte in geval waarin partijen sinds 2002 niet meer samenwonen en verzoek echtscheiding in 2011 is ingediend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 juni 2013

Zaaknummer: 200.116.355/01

Zaaknummer eerste aanleg: 494377 / FA RK 11-5522 (KB HH)

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.M. Spronk te Utrecht,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.P.J. Botterblom te Nijkerk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 7 november 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 8 augustus 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 494377 / FA RK 11-5522 (KB HH).

1.3.

De vrouw heeft op 14 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.4.

De man heeft op 27 december 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Op 19 februari 2013 heeft het hof van de advocaat van de vrouw een brief van de hierna te noemen minderjarige [e] (hierna: [kind e]) ontvangen.

1.6.

De vrouw heeft op 21 februari 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De man heeft op 26 en 28 februari 2013 nadere stukken ingediend.

1.8.

De vrouw heeft op 1 maart 2013 nadere stukken ingediend.

1.9.

De man heeft op 1 en 5 maart 2013 nadere stukken ingediend.

1.10.

De vrouw heeft op 7 maart 2013 nadere stukken ingediend.

1.11.

De zaak is op 11 maart 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    F.L.M. Huizinga namens de Raad voor de Kinderbescherming Regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.12.

Tijdens de behandeling ter zitting heeft het hof, gehoord partijen en de Raad, beslist dat [kind e] in de gelegenheid zal worden gesteld haar mening over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kenbaar te maken. [kind e] is op 20 maart 2013 door de voorzitter gehoord. Het hof heeft van hetgeen [kind e] heeft verklaard een zakelijk verslag opgesteld en partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

1.13.

Het hof heeft op 28 maart 2013 van de vrouw en de man ieder een schriftelijke reactie op voornoemd verslag ontvangen, met afschrift daarvan aan de wederpartij.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1986 gehuwd. Hun huwelijk is op 12 juni 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 juni 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [a] [in] 1987, [b] (hierna: [kind b])[in] 1988, [c] (hierna: [kind c]) [in] 1992, [d] (hierna: [kind d]) [in] 1993 en [e] (hierna: [kind e]) [in] 2001 (hierna gezamenlijk: de kinderen). Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [kind e].

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 21 maart 2012 van de rechtbank Amsterdam is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 1.400,- per maand met ingang van 2 februari 2012. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 17 oktober 2012 van de rechtbank Amsterdam is deze uitkering met ingang van 2 februari 2012 op nihil gesteld.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1956. Zij leeft samen met [kind b], [kind d] en [kind e].

Zij was tot 1 mei 2013 25 uren per week werkzaam in loondienst bij […](hierna: [B.V.]). Blijkens de jaaropgave over 2011 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 24.695,-.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1954. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 98.847,-.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij € 675,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering ten behoeve van zichzelf, [kind c] en [kind d] betaalt hij respectievelijk € 176,- per maand, € 149,- per maand en € 149,- per maand. Zowel [kind c] als [kind d] ontvangt een zorgtoeslag van € 88,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [kind e].

Aan collegegeld voor [kind c], die studeert, betaalt hij in het collegejaar 2012-2013 € 1.771,-.

Hij betaalt € 60,- per maand aan extra kosten in verband met de diabetes van [kind d].

Hij betaalt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind e] van € 463,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang –:

 op het daartoe strekkende zelfstandig verzoek van de man de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen aldus bepaald dat hij [kind e] bij zich heeft:

  • -

    eenmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    in de oneven jaren de laatste drie weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie;

  • -

    in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie en de laatste week van de kerstvakantie;

waarbij de man [kind e] telkens haalt en brengt;

 afgewezen het verzoek van de vrouw een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 2.000,- per maand.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,

  1. een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen van € 2.000,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te verhogen met de indexering zoals bepaald met ingang van 1 januari 2012 ad 1,3 % = € 26,- derhalve op € 2.026,- per maand;

  2. te bepalen dat de zorgregeling ten aanzien van [kind e] zal inhouden dat [kind e] eens in de veertien dagen een weekend bij de man zal doorbrengen gedurende twee dagen inclusief één overnachting, en dat de vakanties en vrije dagen aldus worden verdeeld dat [kind e] 2/3 bij haar doorbrengt en 1/3 bij de man, en maximaal twee weken in de grote vakantie.

3.3.

De man verzoekt het verzoek in principaal hoger beroep van de vrouw af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zodanig is dat hij [kind e] bij zich heeft:

  • -

    eenmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    in de oneven jaren gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie en de eerste week van de kerstvakantie;

  • -

    in het even jaar gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie en de laatste week van de kerstvakantie;

  • -

    elke woensdag na school tot 18.00 uur;

  • -

    gedurende de overige vakanties in onderling overleg;

  • -

    en daarbij te bepalen dat hij [kind e] haalt en brengt.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Aan de orde zijn 1) de toedeling aan ieder der partijen van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) ten behoeve van [kind e] en 2) de vraag of en zo ja, met welk bedrag de man vanaf 12 juni 2012 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Ten aanzien van de zorgregeling ziet het hof, gezien de onderlinge samenhang van de grieven daaromtrent in principaal en incidenteel hoger beroep, aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.

1) Zorgregeling

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient de rechter bij het vaststellen van een zorgregeling een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.3.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek dat ertoe strekt de thans geldende zorgregeling te beperken, betoogd dat[kind e] belang daarmee is gediend. [kind e] wenst meer tijd door te brengen in het gezin van de vrouw samen met [kind e] broers en zussen, van wie degenen die elders wonen in het weekend allen bij de vrouw thuis zijn. Daarom wil [kind e] minder frequent bij de man zijn, aldus de vrouw.

De man acht de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling in het belang van [kind e]. Deze regeling leidt volgens hem niet ertoe dat hij buitensporig frequent omgang met haar heeft, zodat de regeling dient te worden voortgezet in plaats van te worden beperkt. De wens daartoe is niet afkomstig van [kind e] maar van de vrouw, die de omgang tussen [kind e] en de man wil frustreren. Wel wenst de man [kind e] tevens elke woensdagmiddag bij zich te hebben, nu daarvan in het verleden ook altijd sprake is geweest en hij hierdoor is verzekerd van een wekelijks contactmoment met [kind e], aldus de man.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard geen beletsel te zien voor handhaving van de thans geldende zorgregeling. Wel acht de Raad van belang dat de invulling van de zorgregeling steeds meer in overleg met [kind e] zal plaatsvinden, nu zij meer en meer een eigen leven krijgt. Partijen zullen haar de nodige ruimte moeten bieden opdat [kind e] haar eigen activiteiten zal kunnen ondernemen. Dit vergt van beide partijen de nodige flexibiliteit en bereidheid tot onderlinge communicatie, aldus de Raad.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat het goed gaat met [kind e]. Ook volgens [kind e] zelf is dat het geval. Op school gaat het ook goed, aldus de vrouw en [kind e]. Gebleken is dat de vrouw en de man hun verzoek tot beperking respectievelijk uitbreiding van de tijd die [kind e] bij de man is, hebben gegrond op [kind e] wensen dan wel belangen. Zij hebben beiden verklaard dat als [kind e] de zorgregeling anders ingevuld wil hebben dan door hen is verzocht, zij daarmee rekening zullen houden.

[kind e] heeft tijdens het onder 1.12 genoemde verhoor verklaard dat zij de wijze waarop zij thans in de weekenden omgang heeft met de man prima vindt en dat zij geen bezwaar ertegen heeft vanaf vrijdag om 18.00 uur bij hem te zijn. Daarnaast heeft zij aangegeven op woensdagmiddag liever niet naar de man te gaan. Volgens haar verklaring heeft zij met de wijze waarop de omgang met de man thans verloopt genoeg tijd om met haar broers en zussen en met haar vriendinnen door te brengen.

Het hof begrijpt hieruit dat [kind e] de huidige reguliere zorgregeling in stand wenst te laten en niet de voorkeur geeft aan de verzochte beperking dan wel uitbreiding. Voorts vindt zij het blijkens haar verklaring prima om in de vakanties de helft van de tijd bij de man te zijn, mits zij meer vrijheid krijgt om zelf te kunnen aangeven hoe de omgang dan wordt ingevuld. Evenmin heeft zij bezwaar ertegen in de zomervakantie drie weken bij de man te zijn, maar niet gedurende drie aaneengesloten weken; zij wenst dan niet langer dan twee aaneengesloten weken omgang met hem te hebben, bij voorkeur in het begin van de zomervakantie.

4.6.

Het voorgaande leidt het hof ertoe te oordelen dat het in [kind e] belang is de thans geldende zorgregeling te handhaven, met dien verstande dat zij in de zomervakantie drie weken, maar niet langer dan twee weken aaneengesloten, bij de man zal zijn. De opmerking van de man in de hierboven onder 1.13 genoemde brief van zijn advocaat van 28 maart 2013 dat hij de zomervakantie niet kan opsplitsten vanwege zijn werk is te weinig gespecificeerd en onderbouwd om daarin verandering te brengen. Het hof zal voorbij gaan aan het door de man in zijn brief van 28 maart 2013 gedane, doch niet nader gespecificeerde verzoek voor de overige vakanties een duidelijke regeling vast te leggen, nu de vrouw daarop niet meer heeft kunnen reageren. Voorts wordt niet vooruitgelopen op de in beide hierboven onder 1.13 genoemde brieven vermelde omstandigheid dat de man zal gaan verhuizen. Dit betreft een toekomstige omstandigheid waarvan de gevolgen, in het bijzonder met betrekking tot de afstand tussen zijn woning en [kind e] school en sport, thans onduidelijk is.

2) Partnerbijdrage

4.7.

In geschil is de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud. Bij de bestreden beschikking is voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte 60% van het netto gezinsinkomen van partijen in 2002, de datum waarop zij afzonderlijk van elkaar zijn gaan wonen, als norm gehanteerd. De vrouw heeft betoogd dat de rechtbank door het hanteren van deze maatstaf de specifieke omstandigheden van het geval heeft miskend. Volgens haar dient bij de behoeftebepaling tevens rekening te worden gehouden met het vroegere uitgavenpatroon van partijen en met haar huidige uitgaven. Zij heeft een overzicht van haar huidige vaste lasten en uitgaven overgelegd, volgens welke zij in 2012 maandelijks € 3.034,- besteedde aan kosten van haar levensonderhoud.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak dient bij de bepaling van de aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. In redelijkheid moet de behoefte aan alimentatie worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden.

Vast staat dat de man weliswaar reeds in 2002 de echtelijke woning heeft verlaten en apart is gaan wonen, maar dat eerst op 1 juli 2011 een verzoek tot echtscheiding is ingediend. Op grond van de onderling niet weersproken verklaringen van beide partijen ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat zij er na hun feitelijk uiteengaan in 2002 uitdrukkelijk voor hebben gekozen hun huwelijk in stand te laten, opdat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning zou kunnen blijven wonen en de kinderen in dezelfde opvoedingsomgeving zouden kunnen opgroeien; aldus zouden de gevolgen van het feitelijk uiteengaan van partijen voor de kinderen zo beperkt en rustig mogelijk blijven. Tot begin 2011 werd het inkomen van de man integraal op een gezamenlijke bankrekening van partijen overgemaakt en stond het grotendeels ter beschikking aan de vrouw ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen en haar eigen levensonderhoud. Ook de eigen inkomsten die de vrouw had uit kinderopvang aan huis werden door haar voor deze doeleinden aangewend.

Gezien deze keuze van partijen en de hiervoor beschreven gevolgen daarvan acht het hof het bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw niet reëel aan te knopen bij de welstand van partijen in 2002, het laatste jaar waarin zij feitelijk samenleefden met de kinderen. Het argument van de man dat partijen sindsdien geen economische eenheid hebben gevormd, maakt dat niet anders. Het hof ziet in het hiervoor overwogene voldoende aanleiding om aansluiting te zoeken bij de situatie zoals deze tot begin 2011 heeft bestaan en zal het hierboven genoemde overzicht van de vrouw van haar vaste lasten en uitgaven als maatstaf nemen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de lasten en uitgaven van de vrouw sinds begin 2011 niet substantieel zijn gewijzigd. Het hof ziet geen aanleiding aan de getrouwheid van dat overzicht, dat betrekking heeft op de kosten van levensonderhoud van de vrouw en waarin de kosten van de bij haar inwonende kinderen niet zijn begrepen, te twijfelen. De man heeft de in het overzicht opgesomde vaste lasten en uitgaven van de vrouw onvoldoende betwist. Weliswaar heeft de vrouw haar bruto hypotheeklasten opgevoerd, maar zij heeft te kennen gegeven dat slechts een gedeelte daarvan fiscaal aftrekbaar is, hetgeen niet bestreden is, zodat het hof onvoldoende aanleiding ziet daarop een correctie toe te passen. Het bedrag dat de vrouw maandelijks reserveert voor onderhoud van haar woning komt het hof niet onredelijk voor. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is haar woonlasten omlaag te brengen door haar woning te verkopen en met de bij haar inwonende kinderen een goedkopere (huur)woning in hun huidige woonomgeving te betrekken. Het hof is daarom van oordeel dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 3.034,- per maand bedraagt. De door de man opgevoerde omstandigheid dat hij sinds het (feitelijk) uiteengaan van partijen zelf onder bijstandsniveau heeft geleefd terwijl de vrouw heeft kunnen profiteren van zijn inkomen, maakt dit oordeel niet anders.

Vervolgens dient het hof te beoordelen in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten zelf in deze behoefte kan voorzien. Daartoe zal, net zoals door de rechtbank is gedaan, een inkomen van € 1.489,- netto per maand, uitgaande van haar fiscaal loon over 2011, worden gehanteerd. De man heeft nog gesteld dat van de vrouw gevergd mag worden dat zij op korte termijn volledig in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien. Het hof volgt zijn stelling, die door de vrouw gemotiveerd is betwist, evenwel niet. Daarbij houdt het hof rekening met de leeftijd van de vrouw en de omstandigheid dat zij tijdens het huwelijk van partijen het leeuwendeel van de zorg voor hun (minderjarige) kinderen had. Nog steeds heeft zij het overgrote aandeel in de zorg voor [kind e]. Gebleken is dat de vrouw in het verleden door [B.V.] niet in staat is gesteld het aantal uren dat zij voor [B.V.] werkte uit te breiden. Bovendien is het dienstverband van de vrouw bij [B.V.] vanwege bedrijfseconomische redenen geëindigd per 1 mei 2013. Dat de vrouw gedeeltelijk arbeidsongeschikt is vanwege lichamelijke klachten, is door de man niet betwist. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet van de vrouw worden gevergd dat zij binnen afzienbare tijd een hoger dan het hierboven gehanteerde inkomen verwerft teneinde in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien.

Het hof houdt voorts geen rekening met het feit dat de vrouw € 97.696,- heeft ontvangen na verkoop van de echtelijke woning. Nog daargelaten dat de man eenzelfde bedrag heeft ontvangen, waarmee bij de berekening van zijn draagkracht evenmin rekening zal worden gehouden, heeft de vrouw onbetwist gesteld dat zij het betreffende bedrag heeft aangewend voor de aankoop van haar huidige woning, wat tot een verlaging van haar woonlasten heeft geleid.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de aanvullende behoefte van de vrouw aan een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud € 1.545,- netto bedraagt. Dit bedrag is na brutering hoger dan de door de vrouw verzochte partnerbijdrage van € 2.036,- per maand. Laatstgenoemd bedrag gaat haar behoefte dus niet te boven.

4.9.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft voor het voldoen van de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud. Bij het bepalen van de draagkracht van de man zal het hof zijn inkomen zoals dat blijkt uit zijn jaaropgave over 2012 tot uitgangspunt nemen. De vrouw heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat hij binnenkort een nieuwe baan zal hebben waarin hij meer zal gaan verdienen, zodat het hof haar hierin niet volgt. Nu de man alleenstaand is, zal het hof ten aanzien van hem de daarbij behorende bijstandsnorm hanteren. Daarnaast zal, evenals de rechtbank bij de bepaling van de bijdrage ten behoeve van [kind e] heeft gedaan, een bedrag van € 55,- per maand aan kosten in verband met de omgang met [kind e] in aanmerking worden genomen. Tegen dit bedrag is in hoger beroep geen bezwaar gemaakt en blijkens hetgeen hierboven onder 4.6 is overwogen zal de zorgregeling qua tijdsduur onveranderd blijven. Bovendien zal rekening worden gehouden met de hierboven onder 2.4 genoemde lasten die hij in verband met de kinderen van partijen heeft. Nu de rechtbank € 43,- per maand in aanmerking heeft genomen in verband met het eigen risico dat is verbonden aan de zorgverzekering van de man, [kind c] en [kind d], en de vrouw hiertegen niet heeft gegriefd, zal het hof dit bedrag eveneens in aanmerking nemen. Het hof ziet geen aanleiding met een hoger bedrag rekening te houden, nu gesteld noch gebleken is dat de man daadwerkelijk een hoger bedrag aan ziektekosten heeft gemaakt. De zorgtoeslag die zowel [kind c] als [kind d] ontvangt zal niet in aanmerking worden genomen, nu de man ter zitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat deze door hen feitelijk niet aan hem wordt afgedragen. Verder zal rekening worden gehouden met het fiscaal voordeel dat voor de man verbonden is aan het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van zowel [kind e] als de vrouw. Van de aanwezige draagkracht acht het hof volgens de gebruikelijke normen 60% beschikbaar voor partneralimentatie.

4.10.

Het voorgaande leidt het hof ertoe te oordelen dat de man voldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte partnerbijdrage te betalen. De door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal derhalve op dit bedrag worden bepaald.

4.11.

De man heeft betoogd dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw dient te worden gelimiteerd tot uiterlijk 1 februari 2014, omdat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw dan sinds het uiteengaan van partijen twaalf jaar heeft geduurd, althans dat hij dan feitelijk gedurende twaalf jaar na het uiteengaan van partijen in het levensonderhoud van de vrouw heeft voorzien. Hoewel dit laatste feitelijk juist is, volgt het hof de man hierin niet. De omstandigheid dat partijen in 2002 feitelijk uiteen zijn gegaan doet er niet aan af dat de man nadien, zolang het huwelijk niet was ontbonden, op grond van artikel 1:81 BW verplicht was aan de vrouw het nodige te verschaffen, waaronder in voorkomende gevallen tevens moet worden begrepen het verschaffen van levensonderhoud. De hiervoor onder 4.8. bedoelde keuze van partijen heeft tot gevolg gehad dat deze huwelijkse verplichting steeds is blijven voortduren. Het feit dat de man door de jaren heen ruimschoots aan die verplichting heeft voldaan, ook al was dat in de situatie dat partijen niet meer samenwoonden, vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om zijn wettelijke na-huwelijkse onderhoudsverplichting, die op grond van het bepaalde in artikel 1:157 leden 1 en 4 BW geldt voor de duur van twaalf jaren vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, in tijd te limiteren. Anders dan de man voorts ook in dit verband aanvoert, valt, zoals hierboven onder 4.8 eveneens is overwogen, niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat zal zijn met arbeid een hoger dan het hierboven gehanteerde inkomen te verdienen om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. Voor zover al van haar mag worden verwacht dat zij tracht op termijn met betaald werk geheel in haar behoefte voorzien, is nog onzeker of zij daarin zal slagen. Ook dit argument kan daarom niet leiden tot beperking van de wettelijke duur van de onderhoudsverplichting.

4.12.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen aldus dat de man omgang heeft met [kind e]:

- eenmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    gedurende drie weken in de zomervakantie, met dien verstande dat hij [kind e] in de oneven jaren de laatste twee weken en in de even jaren de eerste twee weken daarvan aaneengesloten bij zich heeft;

  • -

    in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie en in de even jaren de laatste week van de kerstvakantie;

waarbij de man [kind e] telkens haalt en brengt;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 2.036,- (TWEEDUIZEND ZESENDERTIG EURO) per maand met ingang van 12 juni 2012, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A. van Haeringen en mr. J.G. Gräler in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.