Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2095

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
200.129.098-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen gewezen samenlevers. Afweging van belangen ten aanzien van voortzetting van huur van woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : SKG 200.129.098/01

rolnummer rechtbank Amsterdam : KK 13-764

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juli 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. S.W.Th.R. Hermens te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

zonder bekende [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P.R. Worp te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en[geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 24 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 11 juni 2013, in kort geding gewezen tussen[geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

[appellant] heeft bij dagvaarding schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis gevorderd en vervolgens ter zitting van 1 juli 2013 grieven geformuleerd en geconcludeerd dat het hof ten gronde recht zal doen, het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog het door[geïntimeerde] gevorderde zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Ter zitting van het hof van 1 juli 2013 heeft[geïntimeerde] geantwoord en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

Partijen hebben voorts hun standpunten nader doen toelichten, [appellant] door

mr. Hermens en[geïntimeerde] door mr. Worp. Van de zijde van [appellant] is nog een productie in het geding gebracht.

Vervolgens is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder 1.1 tot en met 1.7 de feiten opgesomd die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Aangevuld met hetgeen overigens nog vast staat tussen partijen, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] en[geïntimeerde] huren met ingang van 3 maart 2011 gezamenlijk de woning aan [adres] te [woonplaats]. Verhuurder is Woningstichting de Key (verder: de Key). De woning is aan hen toegewezen mede op grond van een verklaring van medische urgentie van [appellant].

2.2

Voordien hebben partijen ongeveer vier jaar ingewoond in de woning van de vader van [appellant] te Amsterdam.

2.3

Partijen hebben een relatie gehad, waaruit een dochter is geboren van thans vijf jaar, [X].

2.4

Eind 2012 is de relatie tussen partijen geëindigd. Zij hebben de gezamenlijke bewoning van de woning nog enige tijd voortgezet.

2.5

Eind januari 2013 heeft[geïntimeerde] met [X] de woning verlaten en sindsdien verblijven zij bij familie en in opvangverblijven. [X] is sinds haar vertrek uit de woning niet meer naar school gegaan.

2.6

Op 5 februari 2013 heeft[geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van huiselijk geweld en bedreiging door [appellant]. De aangifte is geseponeerd, zo blijkt uit een schrijven van het arrondissementsparket Amsterdam van 30 mei 2013.

2.7

Bij e-mailbericht van 15 april 2013 heeft De Key aan de gemachtigde van[geïntimeerde] bericht dat[geïntimeerde] als enig huurder van het gehuurde zal worden geaccepteerd, indien de rechter haar (in het geschil wie van partijen de huurovereenkomst voortzet) in het gelijk stelt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze procedure om de vraag wie van partijen naar het voorlopig oordeel van de rechter gerechtigd is de huurovereenkomst van de woning voort te zetten. Daarbij dient beoordeeld te worden of de vorderingen van[geïntimeerde], die ertoe strekken dat zij de huurovereenkomst voortzet en [appellant] de woning moet verlaten, een zodanige kans van slagen hebben in een bodemprocedure, dat het gerechtvaardigd is daar door het treffen van een ordemaatregel op vooruit te lopen.

De kantonrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord.

3.2

Partijen hebben ter zitting desgevraagd expliciet verklaard thans een inhoudelijke beoordeling van het kortgedingvonnis te wensen, op basis van de door de gemachtigde van [appellant] ter zitting mondeling geformuleerde grieven. De vraag of er gronden zijn voor schorsing van het bestreden vonnis, zal het hof derhalve laten rusten.

3.3

De eerste grief van [appellant] houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat thans niet kan worden geoordeeld dat de ene partij een aanmerkelijk grotere kans op het vinden van vervangende woonruimte heeft dan de andere. De tweede grief houdt in dat het belang van de dochter niet, althans niet zonder meer, dicteert dat[geïntimeerde] en haar dochter terugkeren in de woning. De derde grief houdt in dat[geïntimeerde] kort nadat zij de woning had verlaten, heeft toegezegd dat [appellant] in de woning kon blijven en zij daarop geen aanspraak zou maken.

3.4

Het hof overweegt het volgende. Op basis van de in het geding gebrachte stukken moet inderdaad worden aangenomen dat [appellant] geen gebruik meer zal kunnen maken van een medische urgentieverklaring, nu het beleid van de gemeente Amsterdam op dit punt is gewijzigd en thans geen medische urgentieverklaringen meer worden verstrekt, terwijl de oude verklaring van [appellant] zijn werking heeft verloren. Dit brengt mee dat het voor [appellant] zeer lastig zal zijn in Amsterdam een woning te vinden. Het is ook niet zeker dat hij bij zijn ouders terecht kan, onder meer vanwege de daar aanwezige trap, en duidelijk is dat terugkeer zowel voor [appellant] als voor zijn ouders niet een wenselijke situatie is.

Echter, tegenover de belangen van [appellant] bij de woning wegen die van[geïntimeerde] zwaarder.
Niet alleen is thans onzeker of het voor[geïntimeerde] en de dochter van partijen wél mogelijk is om op korte termijn een andere woning te vinden.[geïntimeerde] heeft gesteld dat zij geen sociale urgentieverklaring krijgt, omdat zij schulden heeft; het hof kan thans niet nagaan of dit juist is.
Belangrijker is echter dat[geïntimeerde] het ouderlijk gezag heeft over dochter [X] en voor haar zorgt. Het hof acht het in het belang van [X] om terug te keren naar de haar bekende woonomgeving, zodat zij weer naar haar oude school kan gaan en in haar oude sociale omgeving kan verkeren. De stelling van [appellant] dat zij net zo goed of zelfs beter naar een andere school kan gaan, omdat ze toch blijft zitten, onderschrijft het hof niet. Dat[geïntimeerde] zelf de problemen voor [X] in de hand heeft gewerkt door plotseling met haar te vertrekken, is mogelijk het geval, maar dat doet niet af aan de belangen van [X] om nu terug te keren in een haar vertrouwde omgeving, zodat haar leven zich weer kan stabiliseren. Hoe dan ook dient aan het zwervend bestaan van [X] zo spoedig mogelijk een einde te komen en hoe dan ook dient zij zo spoedig mogelijk weer naar school te gaan.

Dit brengt mee dat in de belangenafweging tussen [appellant] en[geïntimeerde], het belang van[geïntimeerde], als moeder en verzorgster van [X], zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant]. Het hof is derhalve voorshands van oordeel, net als de kantonrechter, dat[geïntimeerde] de huurovereenkomst zal mogen voortzetten en dat [appellant] de woning dient te ontruimen.

3.6

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De kosten van de procedure zullen worden gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.H. Huijzer en M.J. Schaepman-

de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2013.