Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2036

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
11-00392, 11-00393, 11-00394 en 11-00402
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1728
V-N 2013/44.13.5
FutD 2013-1862
NTFR 2013/1568 met annotatie van mr. M. de Jonge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 11/00392, 11/00393, 11/00394 en 11/00402

6 juni 2013

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , belanghebbende,

gemachtigde: [A]

tegen de uitspraak in de zaken met de kenmerken AWB 10/2300, 10/2301, 10/2302 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank)

en het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam, de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak met kenmerk 10/2302, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur

/

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 mei 2009 voor de jaren 2006, 2007 en 2008 voorlopige aanslagen (VA) met de nummers [sofinummer].H.60, [sofinummer].H.70 en [sofinummer].H.80 opgelegd voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 81.940, € 96.621 en € 95.588. Voorts is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Bij brief van 4 juni 2009 heeft belanghebbende tegen deze voorlopige aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 18 september 2009 voor de jaren 2006 en 2007 de definitieve aanslagen ib/pvv met de nummers [sofinummer].H.66 (2006) en [sofinummer].H.76 (2007) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 81.940 en € 96.621. Belanghebbende heeft tegen deze (definitieve) aanslagen geen afzonderlijk bezwaar gemaakt.

1.3. In zijn uitspraken van 25 maart 2010 heeft de inspecteur de bezwaarschriften tegen de VA 2006 en 2007 aangemerkt als zijnde gericht tegen de definitieve aanslagen 2006 en 2007 en - onder verwijzing naar de definitieve aanslagen - de bezwaarschriften gegrond verklaard waarbij de verschuldigde inkomstenbelasting/premieheffing is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.182 (2006) en € 74.668 (2007).

Bij uitspraak van dezelfde datum heeft de inspecteur het bezwaarschrift tegen de VA 2008 gegrond verklaard en de verschuldigde inkomstenbelasting/premieheffing berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.635.

1.4. De inspecteur heeft, naar hij ter zitting verklaarde, met dagtekening 15 juli 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 de (definitieve) aanslag met nummer [sofinummer].H.86 opgelegd in de ib/pvv, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.635. Belanghebbende heeft tegen deze (definitieve) aanslag 2008 geen bezwaar gemaakt.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de onder 1.3 genoemde uitspraken op bezwaar beroep aangetekend. In haar uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de voorlopige aanslagen over 2006, 2007 en 2008 verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 60.195, € 72.649 en € 28.849, en de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.6. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft zowel de belanghebbende als de inspecteur hoger beroep ingesteld. Vervolgens hebben partijen verweerschriften ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Door de rechtbank zijn de volgende feiten vastgesteld, waarbij voor ‘eiseres’ belanghebbende en voor ‘verweerder’ de inspecteur dient te worden gelezen:

“2.1. Eiseres heeft in de onderhavige jaren gewerkt als prostituee in [Z].

2.2.

Eiseres is op 28 april 2009 op luchthaven Schiphol aangehouden door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. In haar handbagage is € 29.000 aan contant geld gevonden. Op dezelfde dag is eiseres twee maal verhoord. Zij heeft verklaard ruim twee jaar als prostituee werkzaam te zijn in [Z]. Voorts heeft zij verklaard dat zij gemiddeld € 400 per dag verdient en zij 27 á 28 dagen in de maand werkt.

2.3.

Naar aanleiding van de aanhouding is een boekenonderzoek gestart. Verweerder heeft daarbij gebruik gemaakt van de processen-verbaal van de twee verhoren op 28 april 2009.

2.4.

De bevindingen uit dit boekenonderzoek zijn in een controlerapport vastgelegd. Met betrekking tot de verhoren staat in het controlerapport het volgende.

“4 Verklaring mevrouw [X]

Mevrouw [X] is tweemaal verhoord door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee te Schiphol op dinsdag 28 april 2009 omstreeks 11.09 uur en omstreeks 14.06 uur.

Mevrouw [X] heeft verklaard ruim twee jaar als prostituee werkzaam te zijn in [Z]. Mevrouw [X] huurt in [Z] een woning voor € 1.250. Mevrouw [X] heeft verklaard dat zij deze kosten deelt met een vriendin. Bovendien heeft mevrouw [X] een kamer in [stad in a-land]. Mevrouw [X] betaald voor deze kamer € 300 en € 100 aan vaste lasten. Volgens de verklaring van mevrouw [X] verdient zij soms € 200-300, soms € 700/800 per dag, gemiddeld € 400 bruto. De kosten die mevrouw [X] maakt bestaan onder andere uit raamhuur, condooms, glijmiddel en dergelijke. Mevrouw [X]

werkt 27/28 dagen per maand. Mevrouw[X] heeft verklaard dat zij één vrije dag heeft in de week. Het bedrag dat bij haar aanhouding is aangetroffen, is volgens mevrouw [X] haar inkomsten verkregen uit haar prostitutiewerkzaamheden over de afgelopen drie maanden.

In de periode 2005 en 2006 heeft mevrouw [X] meerdere keren geld overgemaakt naar [a-land] en geld gewisseld om mee te nemen naar [a-land], volgens haar verklaring zijn dit tevens inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden. Volgens haar verklaring heeft mevrouw [X] geen bankrekening in Nederland. Mevrouw [X] beschikt wel over een rekening op een [a-landse] spaarbank “[C]”. Het saldo dat mevrouw [X] heeft gespaard bedraagt ongeveer € 100.000.”

2.5.

Eiseres is op 30 maart 2010 op luchthaven Schiphol wederom aangehouden door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. In haar (hand)bagage is € 13.120 aan contant geld gevonden. In het proces-verbaal van het verhoor is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Ik werk in Nederland. Ik werk in de prostitutie in [Z]. Ik heb hier een vast werkadres. Ik werk niet voor een werkgever, ik werk voor mezelf. Ik huur in [Z] een kamertje waarin ik mijn klanten ontvang.

Ik heb ook een appartement in [Z], een slaapadres. Dit adres is heel dichtbij mijn huurkamer waar ik werk. In dit appartement woon in alleen. Ik weet het adres niet. Voor het appartement betaal ik 1250 euro per maand aan huur. De huur van mijn werkkamer bedraag[t] 150 euro per dag.

Verder zijn mijn vaste lasten mijn auto, telefoon en verzekering. Ik heb geen idee wat mijn vaste lasten per maand zijn. Mijn auto heb ik in [a-land].

Ik woon de meeste tijd van het jaar in Nederland. Af en toe ga ik terug naar [a-land] om uit te rusten.

Ik heb me niet laten inschrijven in de gemeente [Z] omdat ik niet weet hoe ik dit moet doen en waar ik naar toe moet gaan. Ook spreek ik geen Nederlands. Ik heb geen aanspreekpunt op mijn werk dat ik weet die daar over gaat.

Ik heb geen schulden bij de bank of iets dergelijks. Ik verdien ongeveer 3000/3500 euro per maand. Dit is een nettobedrag dat ik verdien. De klanten die bij mij komen betalen per keer 40 of 50 euro. Ik heb ongeveer 4 of 5 klanten per nacht. Ik verdien dus ongeveer 200/300 euro per nacht. Soms verdien ik alleen de kosten van de kamer, maar soms ook wel 400 euro per nacht.

Ik werk bijna elke dag. Soms neem ik een dagje pauze per week als ik veel stress heb. Af en toe neem ik 2 dagen in de week vrij.”

2.6.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige aanslagen opgelegd. Verweerder heeft de inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden geschat en deze schatting aangemerkt als belastbare winst uit onderneming.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar zijn de aanslagen verminderd omdat bij de berekening van de winst uit onderneming rekening is gehouden met omzet inclusief omzetbelasting, in plaats van exclusief omzetbelasting.”

2.2.

Het Hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast:

2.2.1.

Belanghebbende heeft vanaf 2005 tot medio 2012 in Nederland als prostituee gewerkt. Zij beschikte, samen met haar [familielid], over woonruimte op de [b-straat 1] in [Z].

2.2.2.

Bij de onder 2.6 van de uitspraak van de rechtbank bedoelde schatting is de inspecteur bij de berekening van de door belanghebbende gerealiseerde omzet steeds uitgegaan van 25 gewerkte dagen per maand, gedurende 11 maanden per jaar waarbij voor 2006 is uitgegaan van € 450 aan verdiensten per dag en voor 2007 en 2008 van € 500 aan verdiensten per dag. De aftrekbare kosten zijn gesteld op € 125 per gewerkte dag.

2.2.3

Belanghebbende heeft in [stad in a-land] in 2006 € 104.128, in 2007 € 51.790 en in 2008 € 224.849 aan contanten gestort op een op haar naam staande ([a-landse]) bankrekening; (tezamen: € 380.767). Een overzicht van de dagen waarop deze stortingen hebben plaatsgevonden behoort (als bijlage bij de conclusie van dupliek in hoger beroep) tot de gedingstukken. Uit dit overzicht blijkt dat belanghebbende in de periode 11 januari 2008 tot en met 26 februari 2008 geen stortingen heeft verricht.

2.2.4.

Tot de stukken in hoger beroep behoort een brief van Bureau Juridische zaken van 3 juli 2009 waarin is vermeld:

“(…) Meer specifiek verzoekt u aan te geven op welke data zedencontroles hebben plaatsgevonden met betrekking tot mevrouw [X] ([datum] [jaar])

(…)

Mevrouw [X] is gecontroleerd op 20 maart 2006 op de [b-straat 3] te [Z], 17 juni 2006 op de [b-straat 5] te [Z], en 4 december 2007 op de [b-straat 7] te [Z]. (…)”

2.2.5.

Tot de stukken in hoger beroep behoort een ‘Dagrapportage Incident’, afgedrukt op 31 augustus 2011 waarin is vermeld:

“(…)

Titel Zedencontr [b-straat 7] 2009000676-1

Korpslid

Actie Controle Zeden

Tijdstip kennisname: 1-1-2009 om 17:43

Feit gepleegd tussen 1-1-200900:01 en 31-12-200923:59

Locatie: [b-straat 7] (…)

Toelichting

Dit is een doorlopend journaal voor alle zedencontroles uitgevoerd op bordeel [b-straat 7] in 2009 (…)

Betrokkene [X] (O)

Geboren [datum][jaar] te [stad in a-land]

Adres [b-straat 1]

(…)”

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil de hoogte van de voorlopige aanslagen, meer in het bijzonder de hoogte van het belastbaar inkomen uit werk en woning.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting waaruit blijkt dat de inspecteur zijn grief over de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding ter zitting heeft ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet in geschil is dat de onderhavige procedures zien op de voorlopige aanslagen ib/pvv over de jaren 2006 tot en met 2008 en derhalve niet op de definitieve aanslagen over die jaren.

4.2.

Het Hof ziet, om proceseconomische redenen, geen aanleiding om hier in hoger beroep van af te wijken. Ten overvloede wordt overwogen dat de omstandigheid dat belanghebbende geen bezwaarschriften heeft ingediend tegen de definitieve aanslagen, niet inhoudt dat zij geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechter over de vraag of de voorlopige aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd (vgl. Hoge Raad van 19 februari 2010, LJN BK1034, BNB 2010/210).

4.3.

De stelling van belanghebbende dat zij in de jaren 2006, 2007 en 2008 niet in Nederland woonachtig was maar in [a-land] en dat zij om die reden ten onrechte als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt, verwerpt het Hof. Terecht heeft de rechtbank in overweging 4.2 van haar uitspraak overwogen dat deze stelling indruist tegen de verklaring van belanghebbende zoals door haar afgelegd op 30 maart 2010 ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee te Schiphol, inhoudende dat zij de meeste tijd van het jaar in Nederland woont en slechts af en toe naar [a-land] gaat om uit te rusten. Het Hof ziet geen reden om deze verklaring in twijfel te trekken, nu belanghebbende hier te lande gedurende meerdere jaren (van 2005 tot medio 2012) een onderneming dreef en hier, samen met haar [familielid], beschikte over een vaste verblijfplaats aan de [b-straat 1] te [Z]. Ook de omvang van de door haar in [stad in a-land] verrichte contante stortingen (in de onderhavige periode ruim € 380.000), de bedragen die zij in bezit had toen ze op 28 april 2009 en 30 maart 2010 op Schiphol werd aangehouden (€ 29.000 respectievelijk € 13.120), alsmede de omvang van haar dagopbrengsten uit prostitutie (naar eigen zeggen gemiddeld circa € 400 per dag) bieden – in onderlinge samenhang bezien - voldoende steun aan de veronderstelling dat belanghebbende in de jaren 2006 tot en met 2008 veruit de meeste tijd in Nederland verbleef en werkte. Anders dan in hoger beroep ter zitting is verklaard, acht het Hof, gelet op de hiervoor bedoelde verklaring, niet aannemelijk dat een deel van de bedragen die zijn gestort, is verdiend in [a-land].

4.4.

Gelet op het vaste adres in [Z], het langdurige verblijf aldaar met haar [familielid] en de economische binding door haar werkzaamheden, had belanghebbende naar het oordeel van het Hof op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen haar woonplaats in Nederland. Ook indien het Hof aannemelijk zou achten dat belanghebbende ook een duurzaam tehuis in [a-land] had, geldt op basis van artikel 4, derde lid, letter a, van het Verdrag met [a-land] (Tractatenblad [jaar, nummer]) dat haar persoonlijke en economische betrekkingen in de onderhavige jaren het nauwst waren met Nederland, zodat zij geacht wordt inwoner te zijn van Nederland.

Dit oordeel houdt in dat belanghebbende, anders dan door haar is aangevoerd, als binnenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt. Dit oordeel houdt ook in dat zij geen recht heeft op aftrek van de gemaakte kosten voor het reizen tussen Nederland en [a-land] of voor kosten van verblijf in Nederland.

4.5.

Tussen partijen is, uitgaande van Nederlandse belastingplicht, niet in geschil dat voor de in geding zijnde aanslagen artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2013) van toepassing is. Daardoor rust op belanghebbende de verzwaarde bewijslast om aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar niet juist zijn.

4.6.

Gelet op het feit dat belanghebbende geen administratie heeft gevoerd en ook overigens niets heeft doen blijken met betrekking tot de omvang van de door haar gerealiseerde inkomsten uit werk en woning in de onderhavige jaren, is het Hof met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

4.7.

Dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust, betekent niet dat de inspecteur de aanslagen naar willekeur heeft kunnen vaststellen. De inspecteur dient bij het opleggen van de aanslagen uit te gaan van een redelijke schatting. De rechtbank heeft ter zake als volgt geoordeeld:

“4.5.2. Verweerder heeft de omzet berekend aan de hand van de verklaring van eiseres tegenover de Koninklijke Marechaussee waarin zij aangeeft dat zij 27/28 dagen per maand werkt en gemiddeld € 400 per dag verdient. Mede gelet op het feit dat de schatting is gebaseerd op de verklaringen van eiseres zelf, acht de rechtbank dit een redelijk uitgangspunt. De enkele stelling van eiseres dat zij in die jaren soms voor een langere tijd in [a-land] verbleef, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

4.5.3.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2008 niet berust op een redelijke schatting. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn schatting onder meer verwezen naar ter zitting overgelegde facturen van kamerhuur in 2008. Echter, over de maanden januari en februari 2008 ontbreken de facturen. Dit strookt met de stelling van eiseres, welke wordt onderbouwd aan de hand van vliegtickets, dat zij in die periode in [a-land] verbleef. Door deze maanden te betrekken in de omzetberekening, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen redelijke schatting heeft gemaakt. De rechtbank acht, gelet op de door verweerder overgelegde facturen van kamerhuur en de door eiseres overgelegde rekeningen van vliegtickets, een halvering van de schatting van verweerder redelijk.(…)”

2006 en 2007

4.8.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof in r.o. 4.5.2 op goede gronden geoordeeld dat de voorlopige aanslagen over 2006 en 2007 – zoals deze zijn verminderd na de uitspraken op bezwaar – zijn gebaseerd op redelijke schattingen zodat het hoger beroep van belanghebbende voor die jaren ongegrond is.

2008

4.9.

Ten aanzien van het jaar 2008 (zaak 11/00394 en 11/00402), treft het hoger beroep van de inspecteur doel. Ter toelichting dient het volgende. De rechtbank heeft de voor 2008 toegepaste halvering van de omzet gebaseerd op namens belanghebbende ter zitting overgelegde vliegtickets en op het ontbreken van facturen “[kamerverhuurder]” over de periode januari en februari 2008.

4.10.

De inspecteur stelt in hoger beroep dat de gemachtigde niet alle van belang zijnde vliegtickets heeft overgelegd en dat op basis van de overgelegde vliegtickets geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over de vraag wanneer belanghebbende in [Z] verbleef. Ter onderbouwing voert hij aan dat belanghebbende:

  • -

    op 1 januari 2009 (in [Z]) is gecontroleerd door de zedenpolitie terwijl ze volgens de gemachtigde op die datum in [stad in a-land] was;

  • -

    op 1, 2, 4 en 5 september 2008 contante stortingen in [stad in a-land] heeft verricht terwijl ze volgens de gemachtigde die dagen in [Z] was;

  • -

    gelet op de factuur van ‘[kamerverhuurder]’ van 1 januari 2009 voor de periode van 29 december 2008 tot en met 31 december 2008 een werkkamer in [Z] heeft gehuurd, terwijl ze volgens de gemachtigde in die periode in [stad in a-land] was.

4.11.

De gemachtigde heeft voor deze door de inspecteur genoemde tegenstrijdigheden ter zitting geen bewijs geleverd dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2008 ten onrechte is uitgegaan van een te lange periode verblijf in Nederland waarin inkomsten zijn verdiend. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat [het familielid] van belanghebbende mogelijkerwijs de desbetreffende stortingen in september 2008 heeft verricht brengt evenmin mee dat de schatting van de inspecteur onredelijk is. Ook de stelling van de gemachtigde dat de factuur van ‘[kamerverhuurder]’ van 1 januari 2009 betrekking zou hebben op januari 2009 en niet, zoals de inspecteur stelt, op december 2008 leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof acht onaannemelijk dat facturen in deze branche – waarbij voor de huur onderscheid wordt gemaakt naar dag en zelfs dagdeel – voorafgaande aan de desbetreffende maand worden opgemaakt. Met de inspecteur gaat het Hof er vanuit dat een op 1 januari 2009 gedagtekende factuur betrekking heeft op de maand december 2008.

4.12.

De inspecteur stelt in hoger beroep voorts dat uit het feit dat zich in het dossier geen facturen bevinden van kamerverhuurbedrijf “[kamerverhuurder]” over de maanden januari en februari 2008, niet zonder meer kan worden aangenomen, zoals de rechtbank heeft gedaan, dat in deze maanden door belanghebbende geen omzet in Nederland is gerealiseerd. De inspecteur heeft in dat verband gewezen op de zich in het dossier bevindende verklaring van de zedenpolitie van 3 juli 2009 waaruit blijkt dat belanghebbende op 20 maart 2006 en op 17 juni 2006 is gecontroleerd op andere dan door “[kamerverhuurder]” verhuurde locaties. Deze grief treft doel. Op grond van de constatering van de zedenpolitie is niet uitgesloten dat belanghebbende ook in de maanden januari en februari van 2008 gebruik heeft gemaakt van de diensten van een ander kamerverhuurbedrijf. Dat belanghebbende in de periode januari en februari 2008 (deels) in Nederland is geweest leidt het Hof verder af uit het feit dat belanghebbende in de periode 11 januari 2008 tot en met 26 februari 2008 geen enkele contante storting in [stad in a-land] heeft verricht. Daar komt bij dat belanghebbende in 2008 voor een bedrag van in totaal € 224.849 aan contante bankstortingen in [a-land] ([stad in a-land]) heeft verricht. Op grond van de omvang van de stortingen heeft de inspecteur zijn schatting, waarbij hij is uitgegaan van een omzet van € 115.546 (exclusief btw), naar het oordeel van het Hof voldoende onderbouwd in die zin dat deze omzet is gebaseerd op een redelijke schatting. Uitgaande van aftrekbare kosten van € 37.500 (300 dagen x € 125) bedraagt de winst over 2008 € 78.046.

De zelfstandigenaftrek bedraagt in dat geval € 4.412 en de MKB-winstvrijstelling € 7.363 (10% van € 78.046 – € 4.412). Het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2008 bedraagt dan € 66.271.

4.13.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de inspecteur gegrond. Het hoger beroep voor het jaar 2008 van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank in de zaken voor de jaren 2006 en 2007;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank in de zaak voor het jaar 2008, behoudens de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar gericht tegen de voorlopige aanslag 2008 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op het bezwaar gericht tegen de voorlopige aanslag 2008;

  • -

    vermindert de voorlopige aanslag 2008 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.271;

  • -

    bepaalt dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig zal worden verminderd; en

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak voor het jaar 2008 in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.P.A. Boersma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 6 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  3. a. de naam en het adres van de indiener;

  4. b. een dagtekening;

  5. c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  6. d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.