Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:2002

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
200.110.736/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Vraag of sprake is van een door de gedragingen van de man zelf teweeggebrachte vermindering van zijn inkomen. Deze is aanwezig en is niet herstelbaar. De vraag of de man zich van deze gedragingen had behoren te onthouden, behoeft niet te worden beantwoord. Het bepalen van een onderhoudsbijdrage op basis van een fictief hoger inkomen van de man zal hoe dan ook ertoe leiden dat zijn totale inkomen beneden 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zal zakken. Er dient dus te worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 18 juni 2013

Zaaknummer: 200.110.736/01

Zaaknummer eerste aanleg: 186094/11-3483 en 187785/11-4232

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E. Jense te Zaandam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 30 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 1 mei 2012 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 186094/11-3483 en 187785/11-4232.

1.3.

De vrouw heeft op 27 september 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 22 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 26 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 5 december 2012 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen partijen, beiden bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1991 gehuwd. Hun huwelijk is op 11 mei 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [naam kind a] (hierna: [kind a]) [in] 1992, [naam kind b] (hierna: [kind b]) [in] 1993 en [naam kind c] (hierna: [kind c]) [in] 2000 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1966. Hij leeft samen met zijn partner[x]. Hij vormt met zijn partner, [kind a] en [kind b] een gezin.

Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij is vanaf 15 juni 2011 tot 3 juli 2012 werkzaam geweest in loondienst bij [naam bedrijf] (hierna: [bedrijf]). Zijn dienstverband bij [bedrijf] is geëindigd doordat hij op staande voet is ontslagen. Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over januari, februari en maart 2012 € 3.220,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, persoonlijke toeslag en rentevoordeel personeelslening. Blijkens de jaaropgave over 2011 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 27.453,-.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1966. Zij vormt met [kind c] een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende verzoek van vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c] bepaald van € 175,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, – naar het hof begrijpt – de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c] te bepalen dan wel haar verzoek alsnog af te wijzen.

3.3.

De vrouw verzoekt het verzoek in principaal appel van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij – naar het hof begrijpt –, voor zover de bestreden beschikking wordt vernietigd ter zake de daarbij bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c], de bijdrage te bepalen op € 340,87 per maand, althans een zodanig bedrag hoger dan € 175,- per maand als het hof juist zal achten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

4.1.

Ter beoordeling staat of en zo ja, met welk bedrag de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c].

4.2.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft voor het voldoen van een bijdrage in voormelde kosten, onder meer omdat hij noch uit arbeid noch uit uitkering enig inkomen heeft. Hierdoor is hij niet in staat zelf in de noodzakelijke kosten van zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zodat deze kosten door zijn partner voor haar rekening worden genomen, aldus de man.

Het hof houdt het ervoor dat de man geen inkomen verwerft, nu zijn dienstverband bij [bedrijf] is geëindigd, hij onweersproken heeft gesteld dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat hij verwijtbaar werkloos is en gesteld noch gebleken is dat hij anderszins inkomsten uit arbeid of uitkering heeft. Wel stelt de vrouw dat van de man, vanwege zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen, kan worden gevergd dat hij zich zodanig inspant dat hij daarmee inkomsten weet te verwerven die op het niveau liggen van zijn toenmalige inkomen bij [bedrijf]. Aan de hand van deze fictieve inkomsten dient volgens de vrouw de draagkracht van de man te worden berekend.

Het hof overweegt dat het volgens vaste rechtspraak bij de draagkrachtbepaling niet alleen aankomt op het inkomen dat de onderhoudsplichtige verwerft, maar ook op het inkomen dat deze geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Het eindigen van het dienstverband van de man bij [bedrijf] wordt door het hof beschouwd als een door zijn gedragingen zelf teweeggebrachte vermindering van zijn inkomen. Of een dergelijke vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en dit ook van hem kan worden gevergd. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Dat het voor de man niet langer mogelijk was bij [bedrijf] te blijven werken blijkt uit het hem verleende ontslag op staande voet. Evenmin wordt de man in staat geacht door middel van een andere baan binnen afzienbare tijd een arbeidsinkomen te verwerven op het niveau van zijn [bedrijf]-inkomsten. Niet alleen zal de reden van zijn ontslag bij [bedrijf] eraan bijdragen dat hij niet een dergelijke baan binnen zijn branche zal kunnen vinden, maar ook het concurrentie- en relatiebeding waaraan hij ten opzichte van [bedrijf] is gehouden. Daar komt nog bij dat de man ter zitting in hoger beroep onbetwist heeft verklaard dat hij ondanks veelvuldig solliciteren niet erin is geslaagd een inkomen te verwerven zoals hij dat bij [bedrijf] heeft verdiend.

Of voor het berekenen van de draagkracht van de man een fictief inkomen kan worden gehanteerd, hangt vervolgens af van het antwoord op de vraag of hij zich van zijn gedragingen die tot de beëindiging van het dienstverband met [bedrijf] heeft geleid, had behoren te onthouden. Het hof behoeft deze vraag evenwel niet te beantwoorden. Volgens vaste rechtspraak mag het buiten beschouwing laten van een inkomensvermindering in beginsel immers niet leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm, ook niet indien aan de onderhoudsplichtige het verlies aan inkomen in het licht van zijn onderhoudsplicht een verwijt kan worden gemaakt. Het hof overweegt dat indien op basis van een fictief hoger inkomen van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c] wordt bepaald, dit gelet op hetgeen is gebleken over zijn financiële situatie, hoe dan ook ertoe zal leiden dat het totale inkomen van de man beneden 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zal zakken. Er dient dus te worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van de man, hetgeen tot de conclusie leidt dat de man geen draagkracht heeft voor het voldoen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c].

Het ontslag op staande voet is ingegaan op 3 juli 2012, terwijl de rechtbank de kinderbijdrage heeft opgelegd met ingang van 11 mei 2012. Het hof acht de inkomensterugval van de man vanaf 3 juli 2012 evenwel zodanig ingrijpend, dat het hof toekenning van enige kinderalimentatie over de periode van 11 mei 2012 tot 3 juli 2012 niet reëel acht. De bestreden beschikking kan dus op dit punt niet in stand blijven.

4.3.

Gelet op het vorenoverwogene behoeven de overige stellingen van partijen, zowel in het principale appel van de man als in het voorwaardelijk incidentele appel van de vrouw, geen behandeling meer.

4.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en voorwaardelijk incidenteel appel

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind c] te bepalen, alsnog af;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. A.V.T. de Bie en mr. E.A. Maan in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.