Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1905

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
200 112 051-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vóór 1 januari 2003 kon bij codicil, een onderhands door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk een executeur-testamentair worden aangewezen (artikel 982 van het oude Burgerlijk Wetboek). Op grond van het thans geldende recht kan bij codicil geen executeur meer benoemd worden. Dit dient bij uiterste wilsbeschikking te geschieden (artikel 4:142 Burgerlijk Wetboek). Het stuk waarop klager zich beroept dateert van na 1 januari 2003 en is niet handgeschreven. In de verklaring van erfrecht is dan ook terecht opgenomen dat er geen sprake is van een codicil. De enkele omstandigheid dat dit gegeven ook op een andere manier in de akte tot uitdrukking had kunnen worden gebracht, kan niet leiden tot de conclusie dat de notaris klachtwaardig heeft gehandeld.

Op grond van artikel 55 lid 2 van de Wet op het notarisambt (de wet geldend tot 1 januari 2013) is de Kamer niet bevoegd te oordelen over declaratiegeschillen. Overigens wordt door klager niet betwist dat aan hem een standaardtarief in rekening is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

________________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht

zaaknummer: 200.112.051/01 NOT

zaaknummer kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Alkmaar:

1.2012

bij vervroeging

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 15 januari 2013

inzake:

[naam],

wonende te[woonplaats],

APPELLANT,

t e g e n

1 [notaris 1],

2.[notaris 2][notaris 2],

beiden notaris te [vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 20 augustus 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Alkmaar, verder de kamer, van 26 juli 2012, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerde sub 1. alsmede de klacht van klager tegen geïntimeerde sub 2. ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Van de zijde van geïntimeerde sub 1. is op 2 oktober 2012 een verweerschrift – met één bijlage – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

Van de zijde van geïntimeerde sub 2. is op 8 oktober 2012 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2012. Geïntimeerde sub 1. is, mede namens geïntimeerde sub 2., verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager is – zoals vooraf schriftelijk door hem bericht – niet verschenen.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 De standpunten van partijen

De standpunten van partijen blijken uit de beslissing waarvan beroep.

5 De beoordeling

5.1.

Het onderzoek in hoger beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

5.2.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.D.R.M. Boumans en

G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 januari 2013 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ALKMAAR

Klachtnummer 1.2012

De Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Alkmaar, hierna te noemen: de Kamer, heeft de volgende beslissing gegeven in de klachtprocedure van:

E. NEEF,

wonende te[woonplaats],
klager,

tegen

1.[notaris 1],

notaris te [vestigingsplaats],

2. [notaris 2],

notaris te [vestigingsplaats],
beklaagden.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Bij brief van 11 januari 2012, met tien bijlagen, heeft klager een klacht ingediend tegen[notaris 1]. De klacht is aangevuld bij brieven van 12, 13 en 24 januari 2012.

1.2.

Bij schrijven van 7 februari 2012 heeft[notaris 1] op de klacht gereageerd.

1.3.

Bij brief van 4 april 2012 heeft klager zijn klacht nader toegelicht en bevestigd dat hij zijn klacht heeft uitgebreid, in die zin dat deze mede is gericht tegen [notaris 2].

1.4.

Op 22 mei 2012, aangevuld op 1 juni 2012, heeft [notaris 2] schriftelijk op de klacht gereageerd.

1.5.

Bij brief van 30 mei 2012 heeft klager hierop gereageerd.

1.6.

Op 13 juni 2012 heeft de mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn verschenen[notaris 1] en mr. E.W. Oosterbaan, kandidaat-notaris en vice-voorzitter van de ring Alkmaar. Klager is, zoals hij al gemotiveerd had aangekondigd, niet verschenen. [notaris 2] heeft voorafgaand aan de klachtbehandeling meegedeeld dat hij niet in de gelegenheid zal zijn daarbij aanwezig te zijn.

DE FEITEN

2.1.

In februari 2006 heeft [erflater], de vader van klager, de navolgende tekst getypt:

“Ex. Test. [erflater] * 19-04-1914, benoemd zijn zoon [naam] * 01-10-1946 om na mijn overlijden de aanwezige schilderijen, boeken en goederen onderling te verdelen. de familiealbums en gegevens dienen beschikbaar te blijven voor het Regionaal Archief in [woonplaats].

De saldi van de giro, kapitaal en rekening, en het eventuele overschot van de overlevenden polissen als volgt te verdelen aan:

Thuiszorghulp (…) € 500,-

kapster (…) € 250,-

kleindochter [naam] € 1.000,-

kleinzoon [naam] € 1.000,-

kleindochter [naam] € 1.000,-

kleinzoon [naam] € 1.000,-

kleindochter [naam] € 1.000,-
Alkmaar februari 2006 .

[erflater] ex.tes. [naam]”

2.22.

De hiervoor onder 2.1 weergegeven verklaring is ondertekend door [erflater] en door klager.

2.23.

Op 2 december 2009 is [erflater] (hierna: erflater) overleden.

2.24.

Erflater had twee kinderen, klager en[zus], die op 11 augustus 2007 is overleden. Laatstgenoemde is gehuwd geweest met[zwager]. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [kleinkind] en [kleinkind].

2.25.

Op 15 december 2009 heeft klager telefonisch aan een medewerkster van het (toenmalige) kantoor van[notaris 1], mevrouw [naam] (hierna: [medewerkster]), gevraagd wat hij nodig had om een girorekening van erflater op te heffen.

2.26.

Op diezelfde datum heeft klager het volgende aan [medewerkster] bericht:

“In vervolg op het telefoontje van heden treft u hieronder en bijgevoegd de noodzakelijke info aan.

Verzoek om verklaring van Erfrecht incl. navraag testamenten register.

(…)”

2.33.

Bij e-mailbericht van 18 december 2009 heeft klager onder meer het volgende aan
[medewerkster] meegedeeld:

“Zoals ik u al telefonies zei is het verzoek om een erfrecht verklaring alleen ontstaan omdat de ING waar mijn vader met mij een En / Of rekening had er om vroeg ingeval er geen testament was. Op dat moment beschikte ik inderdaad over niets, omdat de verzekeringsdocumenten in de kluis bij Yarden waren gedeponeerd toen wij naar Frankrijk gingen verhuizen.
Tussen de documenten trof ik de verklaring van mijn vader (hij schreef nooit, zelfs geen kerstkaarten) en heeft 70 jaar alles getypt als secretaris van vele verenigingen.
Het origineel van zijn verklaring en de copien van passen heb ik aan de balie van uw kantoor afgegeven.

Deze aanvullende info kan mogelijk een hoop werk besparen.”

2.38.

Op 28 december 2009 heeft notaris mr.[naam] telefonisch contact gehad met klager. Notaris [naam] is per 1 januari 2010 op zijn verzoek eervol uit het ambt van notaris ontslagen en zijn protocol is toegevoegd aan dat van[notaris 1].

2.39.

Op 28 december 2009 heeft klager het volgende aan de kinderen van zijn overleden zuster bericht:

“(…)

Om de verklaring van erfrecht op te stellen moeten er natuurlijk weer notariskosten gemaakt worden. (ca 500,-)
Jullie, [kleinkind] en [kleinkind], zullen thuis van de notaris een verzoek tot machtiging ontvangen, dat zie je wel.
Een verklaring waarin jullie mij machtigen e.e.a. af te wikkelen. Hoe het er precies in staat weet ik niet.
Vervolgens moet ik zelf een verklaring van aanvaarding in Alkmaar bij de notaris komen tekenen (waarschijnlijk 19 jan).
Als ik niet naar NL kom dan moet in het Frans vertaald worden en via een Franse notaris geregeld worden. En dan weet je zeker dat het 3x zou duur is.
Na deze drie verklaringen stelt de notaris de juridische acte op.
Op mijn vraag, wat gebeurt er als ik de rekening na zes maanden, wanneer alle afrekeningen zijn geschied, leeg maak en laat vegeteren.
De notaris zei: dat de bank een verklaring van erfrecht kan/mag opeisen voor rekening van de erfgenamen en vervolgens tot opheffing mag overgaan.
(…)”

2.44.

Op 25 januari 2010 heeft[notaris 1] een verklaring van erfrecht opgemaakt.
Deze verklaring luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

Erfopvolging en aanvaarding

Bij dit testament is de overledene niet afgeweken van de erfdelen volgens de wettelijke erfopvolging. Op grond hiervan is de zoon van de overledene voor de helft tot de nalatenschap gerechtigd en de twee genoemde kleinkinderen van de overledene, ieder voor een/vierde gedeelte van zijn nalatenschap.
Alle erfgenamen hebben de nalatenschap aanvaard. Hiervan blijkt uit drie onderhandse verklaringen van aanvaarding.

Geen executeur

In dit testament heeft de overledene geen executeur benoemd. De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.
(…)”

2.47.

Bij e-mail van 28 januari 2010 heeft klager het volgende aan [medewerkster] bericht:

“Hedenmorgen heb ik de verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van [erflater] in drievoud ontvangen.
Met verbazing heb ik kennisgenomen van de zinsnede op pag 2 onder het kopje Geen executeur. De eerste zin klopt omdat verwezen wordt naar het testament bij Schut.
De tweede zin klop niet, omdat ik een copie van het originele codicil van mijn vader bij de balie van uw kantoor hebt ingeleverd.
In dit document wijst mijn vader mij aan als executeur testementair.
Welliswaar getypt en niet geschreven, maar door mijn vader en mij getekend in 2007.
Dat dit papiertje voor het notariaat blijkbaar geen waarde heeft voor de verklaring van erfrecht laat onverlet dat ik wel degelijk “bekend ben met een codicil”.
Deze onjuistheid in de V.v.E. heeft niet mijn instemming.
Als deze toegezonden VVE slechts noodzakelijk is voor de opheffing van een (giro) bankrekening, dan kan ik de ING zelf wel onvolledige informatie verstrekken.
Alvorens tot welke betaling dan ook over te gaan ontvang ik graag eerst per kerende post dit originele document van mijn vader retour.
En tevens een afdoende beantwoording van deze onvolledigheid.”

2.50.

Op 28 januari 2010 heeft het kantoor van[notaris 1] een bedrag van € 555,14 aan klager in rekening gebracht. Klager heeft dit bedrag niet betaald.

2.51.

Op 23 februari 2010 heeft [medewerkster], namens[notaris 1], het volgende per mail aan klager meegedeeld:

“Het spijt mij dat de terecht geformuleerde verklaring van erfrecht bij u een reactie teweeg brengt als geformuleerd in uw mail van 28 januari jongstleden.

Tot de wetswijziging van het erfrecht per 1 januari 2003 kon onder bepaalde voorwaarden onderhands - dat wil zeggen zonder notariële akte - een codicil worden gemaakt. Een van de vereisten van geldigheid was dat het stuk eigenhandig geschreven diende te zijn.
Per 1 januari 2003 is de wet gewijzigd; een executeursbenoeming kan uitsluitend bij testament plaatsvinden.

De conclusie moet dan ook zijn dat het door u aangeleverde stuk noch voor 1 januari 2003 noch na die datum geldigheid heeft en niet betiteld kan worden als codicil. Uiteraard staat het de erfgenamen vrij om uitvoering te geven aan dit informele stuk.

Concluderend moet ik vaststellen dat de verklaring van erfrecht aan alle eisen voldoet en niet anders kan luiden zoals deze thans luidt.

Het onderhandse stuk heb ik heden per post naar u verzonden.”

2.62.

Bij e-mailbericht van 24 februari 2010 heeft klager het navolgende aan [medewerkster] bericht:

“Uiteraard zult u wel denken het wettelijk notariële gelijk aan uw zijde hebben, maar ik blijf met u van mening verschillen, zeker daar waar u mij dingen laat verklaren die pertinent onjuist zijn.

(…)

2.68. In februari 2006 (mijn zus is in 2007 overleden) heeft hij mij aangewezen als executeur testamentair en het saldo te verdelen over zijn 5 kleinkinderen en twee kennissen.
Ik ben zelf zo vrij geweest naar de kenbaar gemaakte wens van de overledene te handelen en ook te blijven handelen in de geest van de van de wet.

Zoals al geschreven in mijn mail van 28 januari, opnieuw verzonden op 23 februari, blijft mijn bezwaar tegen de tekst in de verklaring van erfrecht van kracht.
De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.” Dit is dus wat mij betreft onjuist.
[kleinkind] en[kleinkind] hadden deze verklaring van mijn vader nog niet onder ogen gehad. (…)

Ik zelf heb aan u verklaard, wel bekend te zijn met een codicil van mijn vader en met een verklaring van mijn vader strekkende tot mijn benoeming als executeur testamentair.

Het origineel van zijn verklaring heb ik, zodra deze in mijn bezit kwam (uit de kluis van Yarden op 17 dec.), Aan u verstrekt op 17 december 2009.
Op 18 december heb ik e.e.a. per mail ook aan u toegelicht, dat mijn vader nooit schreef. maar alles typte, zelfs de kerstkaarten.

Het woord “codicil”in de Verklaring van Erfrecht kan niet de eenzijdige uitleg krijgen die het notariaat daar aan denkt te geven evenzo t.a.v. het woord executeur.
U had moeten schrijven dat wat ik u verklaard en verstrekt heb.
Desnoods met de kanttekening dat de verklaring van mijn vader voor het notariaat niet rechtsgeldig is en slechts als de wens van de overledene wordt gekenschetst.
Maar ik laat mij geen valse verklaringen in de schoenen schuiven. In gewone mensen taal; ik wens de verklaring van mijn vader niet te ontkennen.

Voor de goede orde herinner ik u er aan dat het verzoek om een verklaring van erfrecht is gedaan 15 dec., uitsluitend en alleen om een saldo van toen ca 4000 euro te verdelen en om zo een Postbank/ING rekening te kunnen opheffen. Als ik toen al over de verklaring van mijn vader had beschikt, had ik die als Verklaring van Executele naar de ING gezonden. Ik denk niet dat zij er punt van gemaakt zouden hebben.

De betaling van de nota van 555,14 schort ik op, zoals gemeld in mijn mail van
28 januari, totdat ik een verklaring van erfrecht heb ontvangen die de waarheid geen geweld aan doet.

Concluderend moet ik vaststellen dat uw antwoord van 23 februari niet afdoende is en wat u opgeschreven heeft in de verklaring van erfrecht volgens u aan alle Notariële eisen voldoet, maar niet in overeenstemming met de waarheid is.”

2.79.

Bij e-mailbericht van 25 februari 2010 heeft[notaris 1] het navolgende aan klager meegedeeld:

“Graag wil ik de vruchteloze discussie over de verklaring van erfrecht naar aanleiding van het overlijden van Uw vader beeindigen. Zoals ik U al eerder schreef is er naar nieuw, noch naar oude recht sprake van een codicil in de erfrechtelijke betekenis. Als U aanwijzingen van Uw vader als zodanig wilt betitelen, dan bent U daarin uiteraard vrij,maar als notaris heb ik in deze uitsluitend te maken met de juridische werkelijkheid. De clausule in de verklaring van erfrecht wordt alleen opgenomen om daarmee vast te stellen dat er geen geldige executeursbenoeming bij (geldig) codicil is gemaakt, dus voor 1 januari 2003. Dit gezien de bevoegdheden die een executeur kan hebben, waarbij juridisch, met name bij de afwikkeling van de nalatenschap de erfgenamen niet zelfstandig kunnen handelen met betrekking tot de af te wikkelen nalatenschap. De wet bepaalt dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.
Ergo, er is geen geldig codicil met enig erfrechtelijk recchtsgevolg. Zoals ik al schreef staat het de erfgenamen vrij de wensen van de erflater vrijwillig uit te voeren naar aanleiding van de door U bedoelde stukken. Dit betreft echter niet de afwikkeling van de nalatenschap in erfrechtelijke of successierechtelijke zin. De wet eist dat de mededeling wordt gedaan in de verklaring van erfrecht over onder meer de benoeming van een executeur; welnu juridisch is die er niet.
De verklaring van erfrecht kan, gezien het vorenstaande niet anders luiden dat hij luidt.”

2.82.

Op 20 juni 2011 heeft[medewerkster], namens[notaris 1], het volgende per mail aan klager bericht:

“Ik berichtte u reeds over de status van het door u aan mij overhandigd stuk, gedateerd februari 2006 dat door uw vader is opgesteld.

In tegenstelling tot hetgeen door u wordt gesteld is dit stuk geen codicil.

Een codicil is een met de hand geschreven stuk en daarvan is in het geval van het document van uw vader geen sprake. Tot 1 januari 2003 was het mogelijk een executeursbenoeming bij codicil te maken en dit is dan ook de reden waarom de clausule onder het kopje “geen executeur” in de verklaring van erfrecht is opgenomen; er is namelijk geen codicil en ook geen geldige executeursbenoeming.



Aan de verklaring van erfrecht zou een zin kunnen worden toegevoegd in aanvulling op de twee zinnen onder “Geen executeur”:

De heer [naam] voornoemd heeft aan ondergetekende een niet handgeschreven stuk overhandigd waarin hij enige instructies van de overledene krijgt met betrekking tot zijn nalatenschap en waaruit afgeleid kan worden dat de overledene beoogde zijn zoon, [naam], tot executeur te benoemen.
Op grond van het bepaalde in artikel 142 boek 4 B.W. is deze wilsuiting geen geldige executeursbenoeming.

Uit de formulering begrijpt u dat - mede gezien het feit dat er geen sprake is van een codicil in de zin der weg noch in de taalkundige betekenis - de voorgaande toevoeging zinledig is.

Om de impasse te doorbreken ben ik wel bereid een dergelijke clausule op te nemen.”

2.95.

Op 1 augustus 2011 heeft de ING aan klager kenbaar gemaakt dat de girorekening van erflater is opgeheven.

2.96.

Op 16 september 2011 heeft klager in het kader van een bemiddelingsprocedure een brief geschreven aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: de KNB).

2.97.

Op 12 januari 2012 heeft klager van de door (het kantoor van)[notaris 1] ingeschakelde deurwaarder, de Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso te Heerhugowaard (hierna: de Ruijter & Willemsen) een brief ontvangen met een laatste waarschuwing om vóór 10 januari 2012 een bedrag van € 740,29 te voldoen.

2.98.

Op 13 januari 2012 heeft klager bij de ringvoorzitter te Alkmaar, [notaris 2], schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de declaratie van (het kantoor van)[notaris 1].

2.99.

[notaris 2] heeft deze brief op 19 januari 2012 doorgestuurd aan de KNB met het verzoek om - overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 lid 2 Wet op het notarisambt - een andere ringvoorzitter aan te wijzen voor de behandeling van het bezwaar.

2.100.

Op 20 januari 2012 is klager door de Ruijter & Willemsen aangemaand om binnen acht dagen een bedrag van € 741,23 te betalen. Daarbij is aangekondigd dat na het verstrijken van deze termijn tot dagvaarding zal worden overgegaan.

2.101.

Op 23 januari 2012 heeft [notaris 2] het besluit van de KNB ontvangen, waarbij
mr. J.B. Boeser, voorzitter van de ring Haarlem, is aangewezen om het declaratiegeschil te behandelen.

2.102.

Bij brief van 25 mei 2012 heeft J.B. Boeser, ringvoorzitter te Haarlem, aan klager meegedeeld dat hij op 23 januari 2012 door de KNB is aangewezen om bovengenoemd declaratiegeschil te behandelen maar dat dit verzoek hem eerst in de week van 25 mei 2012 heeft bereikt.

DE KLACHT



Ten aanzien van[notaris 1]

3. Klager beklaagt zich over de werkwijze van en de bejegening door[notaris 1].[notaris 1]
[notaris 1] is volstrekt voorbijgegaan aan het feit dat klager zich tot het notariskantoor heeft gewend omdat hij een en/of girorekening van erflater wilde opheffen.[notaris 1] heeft geen advies gegeven en is zonder overleg en zonder een offerte op te maken overgegaan tot het opmaken van een standaardakte. Naspeurwerk was niet nodig omdat klager alle informatie al had verstrekt en de erfgenamen zich konden vinden in de wilsbeschikking van erflater.

4. Door niet te luisteren naar de klant is - in strijd met de waarheid - in de verklaring van erfrecht opgenomen dat “de erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een benoeming van een executeur”. Deze onjuiste verklaring is klager in de mond gelegd.
[notaris 1] is steeds voorbijgegaan aan de suggestie van klager om de tekst van de betreffende akte aan te passen. In afwachting daarvan heeft klager betaling opgeschort. Aangezien de girorekening inmiddels is opgeheven, acht klager een aangepaste akte niet meer zinvol. Klager acht zich niet langer gebonden om de declaratie te betalen.

5. Klager vindt het ten slotte zeer kwalijk dat[notaris 1] aan de KNB kenbaar heeft gemaakt dat klager hem “lastig valt” met een declaratiegeschil en een klacht.

Ten aanzien van [notaris 2]

Klager verwijt [notaris 2] dat hij (te)veel verschillende petten op heeft. Als lid van de maatschap [notaris 2] Boot [naam] Notarissen acht klager [notaris 2] persoonlijk verantwoordelijk voor het in rekening brengen van kosten voor een wanproduct. Door het in diezelfde hoedanigheid inschakelen van een deurwaarder veroorzaakt [notaris 2], aldus klager, een prijsverhoging van een ondeugdelijk product. Klager meent dat invordering door een deurwaarder van een bestreden vordering ongepast is. Daarnaast verwijt klager [notaris 2] als ringvoorzitter dat hij nooit een reactie heeft ontvangen op het door hem op 13 januari 2012 ingediende bezwaar tegen de prijs van het product van[notaris 1].

HET VERWEER[notaris 1]

[notaris 1]

8.[notaris 1] heeft aangevoerd dat uit een telefoonnotitie kan worden opgemaakt dat oud-notaris [naam]op 28 december 2009 tegen klager heeft gezegd dat de onderhandse beschikkingen de dato februari 2006 niet rechtsgeldig zijn. Daarna was het door erflater ondertekende stuk naar de mening van[notaris 1] geen onderwerp meer.

9. Na op 19 januari 2010 kort met klager te hebben gesproken bij de legalisering van zijn handtekening op de aanvaardingsverklaring betreffende de nalatenschap, heeft[notaris 1] op 25 januari 2012 de verklaring van erfrecht opgemaakt. Vervolgens is er een gedachtewisseling per e-mail gevoerd omdat klager het door erflater getypte stuk aangemerkt wil zien als codicil. Het is klager niet duidelijk te maken dat een codicil een handgeschreven stuk is. In zijn e-mail van 20 juni 2011 heeft[notaris 1] nog een suggestie gedaan om de impasse te doorbreken.

10. Aangezien hij zijn werkzaamheden naar behoren heeft verricht, acht[notaris 1] zich niet gebonden aan de eenzijdige betalingsopschorting van klager. Over de gehanteerde tarieven, die in de e-mailwisseling niet aan de orde zijn gesteld, merkt[notaris 1] nog op dat deze ook door oud-notaris [naam] in rekening werden gebracht.

11. Met betrekking tot het verwijt dat hij zich intimiderend zou opstellen, heeft[notaris 1] opgemerkt dat hij tracht te komen tot incasso van een zijn kantoor toekomend bedrag.

[notaris 2]

[notaris 2] heeft aangevoerd dat het bij het aanwijzen van een andere ringvoorzitter gebruikelijk is dat de KNB dan wel die andere ringvoorzitter de verzoeker in het declaratiegeschil van de aanwijzing op de hoogte stelt. Wat betreft het tariefbeleid van de maatschap [notaris 2] [notaris 1] [naam] Notarissen (hierna: de maatschap) geldt - aldus [notaris 2] - dat dit is onderworpen aan het oordeel van de voorzitting van de ring Haarlem. Over de gevoerde incassoprocedure heeft [notaris 2] opgemerkt dat de maatschap, ook ter voorkoming van onnodige extra kosten, als beleid hanteert dat vorderingen niet lichtvaardig, maar pas na verloop van tijd, en na meerdere herinneringen aan de deurwaarder worden overgedragen. De overdracht van een vordering aan de deurwaarder geschiedt op basis van een besluit van de maatschap. Voor zover in de correspondentie van de deurwaarder wordt gesproken over “[notaris 2]” moet daar worden gelezen [notaris 2] [notaris 1] [naam] Notarissen.

DE BEOORDELING

Ten aanzien van[notaris 1]

5.1.

Vast staat dat klager het kantoor van[notaris 1] bij e-mailbericht van 15 december 2009 heeft verzocht om “een verklaring van erfrecht inclusief navraag testamentenregister”. Naar aanleiding van deze - duidelijke - opdracht heeft[notaris 1] op 25 januari 2010 een verklaring van erfrecht afgegeven. Hierin is onder het kopje “Geen executeur” vermeld: “De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.”

5.2.

Klager stelt dat de hiervoor onder 5.1 weergegeven passage van de verklaring van erfrecht onjuist is, aangezien erflater in februari 2006 de (onder 2.1 aangehaalde) tekst heeft getypt en ondertekend. De Kamer volgt klager niet in zijn standpunt dat dit stuk heeft te gelden als een codicil. Vóór 1 januari 2003 kon bij codicil, een onderhands door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk een executeur-testamentair worden aangewezen (artikel 982 van het oude Burgerlijk Wetboek). Op grond van het thans geldende recht kan bij codicil geen executeur meer benoemd worden. Dit dient bij uiterste wilsbeschikking te geschieden (artikel 4:142 Burgerlijk Wetboek). Het stuk waarop klager zich beroept dateert van na 1 januari 2003 en is niet handgeschreven. In de onderhavige verklaring van erfrecht is dan ook terecht opgenomen dat er geen sprake is van een codicil.

5.3.

Naar aanleiding van de bezwaren die klager tegen bedoelde passage heeft opgeworpen, heeft[notaris 1] bij e-mailberichten van 23 februari 2010 en

25 februari 2010 (hiervoor weergegeven onder 2.13 en 2.15) gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan in dit geval sprake is van een niet bestaand codicil. De enkele omstandigheid dat dit gegeven ook op een andere manier in de betreffende akte tot uitdrukking had kunnen worden gebracht dan door middel van een verklaring van de erfgenamen, kan niet leiden tot de conclusie dat[notaris 1] klachtwaardig heeft gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de wijze waarop in de onderhavige verklaring van erfrecht melding is gemaakt van het niet bestaan van een codicil niet ongebruikelijk is.

5.4.

Op 20 juni 2011 - derhalve ruimschoots voordat klager de onderhavige klacht had ingediend - heeft[notaris 1] om klager tegemoet te komen nog aangeboden om de verklaring van erfrecht aan te passen, door onder de door klager gewraakte passage één zin toe te voegen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft[notaris 1] verklaard dat klager niet op dit voorstel heeft gereageerd. Eerst in het kader van deze klachtprocedure heeft[notaris 1] vernomen dat klager geen gebruik meer wenste te maken van deze mogelijkheid.

5.5.

De klacht heeft ook betrekking op het in rekening brengen van een tarief voor het afgeven van de verklaring van erfrecht. Op grond van artikel 55 lid 2 Wet op het notarisambt is de Kamer niet bevoegd te oordelen over declaratiegeschillen. Klager heeft de ringvoorzitter om een beslissing over de rekening gevraagd. Op dit punt wordt volstaan met de opmerking dat klager niet betwist dat aan hem een standaardtarief in rekening is gebracht, integendeel. Uit het klaagschrift blijkt dat klager via de website van de ING kennis heeft genomen van het gangbare notaristarief en dat hij vervolgens, op 28 december 2009, aan de kinderen van zijn overleden zuster heeft gemaild dat de notariskosten voor het opstellen van een verklaring van erfrecht circa € 500,- bedragen. Klager wist dus wat hij kon verwachten. Gelet hierop wordt voorbijgegaan aan de stelling dat[notaris 1] een offerte had moeten opstellen, zodat klager “de markt” had kunnen verkennen.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat[notaris 1] zich bij het verrichten van zijn werkzaamheden ten opzichte van klager - te wiens behoeve hij is opgetreden - zorgvuldig heeft gedragen.

5.7.

Ten slotte verwijt klager[notaris 1] dat hij in zijn brief van 13 januari 2012 aan de KNB betreffende de bemiddeling heeft meegedeeld dat “de heer[naam] meent hem ook lastig te moeten vallen met een procedure declaratiegeschil en een klacht bij de Kamer van toezicht”. Dit verwijt treft evenmin doel.[notaris 1] heeft in deze brief ook geschreven: “het vorenstaande lijkt mij weinig ruimte te geven om de bemiddeling uwerzijds voort te zetten”. Hieruit kan worden afgeleid dat het[notaris 1] het ongepast vindt dat klager hangende de bemiddelingsprocedure andere procedures tegen hem heeft aangespannen. Tegen die achtergrond moeten de door[notaris 1] gebruikte woorden worden beoordeeld.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht tegen[notaris 1] in zijn geheel ongegrond is.

Ten aanzien van [notaris 2]

5.9.

De Kamer gaat voorbij aan de opmerking van klager dat [notaris 2] teveel verschillende petten op zou hebben. Afgezien van de omstandigheid dat klager hieraan geen gevolgen heeft verbonden voor zijn klacht, geldt het volgende. Een ringvoorzitter is altijd notaris. Als er een geschil ontstaat waarbij de ringvoorzitter betrokken is, bestaat er - in het kader van de onafhankelijkheid - een regeling op grond waarvan een andere ringvoorzitter met de behandeling daarvan wordt belast. Van deze regeling is in dit geval ook gebruik gemaakt.

5.10.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt reeds dat de door[notaris 1] opgestelde akte geen ondeugdelijk product is. De afgifte van een verklaring van erfrecht valt onder de normale werkzaamheden van een notaris, waar kosten voor in rekening kunnen worden gebracht. Over de hoogte hiervan heeft klager - zoals al aangegeven - een declaratiegeschil aanhangig gemaakt. Aangezien [notaris 2] onweersproken heeft aangevoerd dat het niet op zijn weg ligt om klager op de hoogte te stellen van de aanwijzing van een andere ringvoorzitter, zal de Kamer hiervan uitgaan. Dat het geruime tijd heeft geduurd voordat de op het declaratiegeschil betrekking hebbende stukken bij de door de KNB aangewezen ringvoorzitter te Haarlem zijn aangekomen, is een omstandigheid die [notaris 2] evenmin kan worden aangerekend.

5.11.

Vast staat dat klager het in eerste instantie aan hem in rekening gebrachte bedrag van

€ 555,14 niet heeft betaald. Dit heeft geleid tot allerlei extra kosten. Uiteindelijk heeft het kantoor van [notaris 2] zich tot een deurwaarder gewend om tot incasso van de openstaande vordering te komen. Deze handelwijze is niet klachtwaardig, integendeel. Het staat iedereen, dus ook een notaris, vrij om een deurwaarder in te schakelen. Dat er een geschil bestaat over (de kwaliteit van) de werkzaamheden waarop de declaratie betrekking heeft, maakt dit niet anders.

5.12.

Dit leidt ertoe dat de tegen [notaris 2] gerichte klacht op alle onderdelen ongegrond is.

BESLISSING

De Kamer:

verklaart de klacht tegen[notaris 1] ongegrond.

verklaart de klacht tegen [notaris 2] ongegrond.

Gedaan te Alkmaar op 26 juli 2012 door mr. E.J. van der Molen, voorzitter en mrs.
P.J. van Veen,E.E. von Wolzogen Kühr, R.H.C. Winter en A.E. Merkus, (plaatsvervangend) leden.

Secretaris, Voorzitter,

mr. P.L. Ypma, mr. E.J. van der Molen,