Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1897

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
200 104 718-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de bijzondere gemeenschappen - zoals thans ook aan de orde - van art. 3:189 lid 2 bepaalt art. 3:191 lid 1 BW dat ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. Art. 3:190 lid 1 heeft als hoofdregel dat een deelgenoot zonder toestemming van de overige deelgenoten niet kan beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk en bepaalt voorts dat een schuldeiser (in dit geval klager) een zodanig deel niet kan uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten. Op grond van het voorgaande komt de kamer tot de conclusie dat de notaris zich hier op goede gronden op artikel 21 lid 2 BW heeft moeten beroepen, nu klager de notaris heeft verzocht om tot uitwinning (via een executieveiling) van het onverdeelde aandeel van zoon partner in een tot een bijzondere gemeenschap behorende onroerende zaak over te gaan. De notaris heeft klager vervolgens geadviseerd om via de rechter verdeling of verkoop te vragen. Niet kan worden geconcludeerd dat de notaris onvoldoende oog voor de belangen van klager heeft gehad.

De door de notaris in zijn e-mail van 21 maart 2011 aan klager gebezigde zinsnede kan niet zonder meer gekwalificeerd worden als een onheuse bejegening van klager. Een verdere onderbouwing van klager hiervan ontbreekt en ook anderszins zijn door klager geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat deze zinsnede op zichzelf gezien onheus is jegens klager.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 98
Wet op het notarisambt 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

________________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht

zaaknummer: 200.104.718/01 NOT

zaaknummer kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Groningen:

127300 KT/RK 11-5

bij vervroeging

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 15 januari 2013

inzake:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

t e g e n

[de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 26 september 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Groningen, verder de kamer, van 5 september 2011, waarbij de kamer de klacht van klager terzake van de dienstweigering tegen geïntimeerde, verder de notaris, ongegrond heeft verklaard en de klacht aangaande de bejegening van klager door de notaris gegrond heeft verklaard zonder daar een tuchtrechtelijke maatregel aan te verbinden.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 10 mei 2012 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2012. Zowel klager als de notaris is – met schriftelijke kennisgeving – niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De standpunten van partijen

De standpunten van partijen blijken uit de beslissing waarvan beroep.

5. De beoordeling

5.1. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, zoals in de bestreden beslissing door de kamer verkort aangeduid als “Dienstweigering” heeft het hoger beroep niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die zijn vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

5.2. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, zoals in de bestreden beslissing door de kamer verkort aangeduid als “Bejegening”, is het hof in tegenstelling tot de kamer van oordeel dat de door de notaris in zijn e-mail van 21 maart 2011 gebezigde zinsnede

“Uit het gesprek heb ik opgemaakt dat dit een middel voor u is om het registergoed goedkoop op naam te krijgen.”

niet zonder meer gekwalificeerd kan worden als een onheuse bejegening van klager. Nu een verdere onderbouwing van klager van dit klachtonderdeel ontbreekt en ook anderszins door klager geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat deze zinsnede op zichzelf gezien onheus is jegens klager, acht het hof dit tweede klachtonderdeel - anders dan de

kamer - (evenals het eerste klachtonderdeel) ongegrond.

5.3. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing, voor zover het tweede klachtonderdeel gegrond is verklaard;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart het tweede klachtonderdeel ongegrond;

- bekrachtigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.D.R.M. Boumans en

G. Kleykamp-van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 januari 2013 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE GRONINGEN

Uitspraak

Reg.nr.

: 5 september 2011

: 127300 KT/RK 11-5

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Groningen (hierna te noemen: de kamer), in de zaak van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: klager,

in persoon procederende,

tegen

[de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de notaris,

in persoon procederende.

1 Procesverloop

Bij schrijven van 25 april 2011 (binnengekomen ter griffie op 2 mei 2011) heeft klager een klacht ingediend tegen de notaris. Bij schrijven van 29 april 2011, 2 mei 2011 en 15 juli 2011 heeft klager zijn klacht nader toegelicht. De notaris heeft op 27 juni 2011 en 22 juli 2011 schriftelijk verweer gevoerd. Op 23 augustus 2011 heeft ten overstaan van de voltallige kamer een mondelinge behandeling plaatsgehad. Klager is verschenen. De notaris is (met kennisgeving) niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden. Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1

Klager is vanaf 1992 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met wijlen [partner]. Klager is in 1994 gescheiden van [partner]. Na de scheiding heeft geen verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap plaatsgevonden.

2.2

Krachtens testament van [partner] van 24 april 1995 zijn [zoon partner] (zoon van [partner] uit een vorig huwelijk) en [naam] benoemd tot haar erfgenamen.

2.3

In de beschikking gegeven op 17 november 2009 heeft de kantonrechter van de rechtbank Groningen, locatie Winschoten, een notariële boedelbeschrijving bevolen met betrekking tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van wijlen [partner] en klager. Voorts heeft de kantonrechter

[naam], notaris te [vestigingsplaats], benoemd om tot voormelde boedelbeschrijving over te gaan.

2.4

Bij vonnis in kort geding van de sector civiel recht van de rechtbank Groningen van 31 maart 2010 is [zoon partner]veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het tot stand komen van de notariële boedelbeschrijving als bedoeld in de beschikking van de Rechtbank Groningen en het doen van de vereiste opgaven die binnen zijn vermogen zijn gelegen en tot dit doel van belang kunnen zijn. Aan deze veroordeling heeft de voorzieningenrechter een dwangsom gekoppeld.

2.5

Klager stelt dat [zoon partner] bij voortduring heeft geweigerd medewerking aan het vonnis van 31 maart 2010 te verlenen en dat dwangsommen tot het door de voorzieningenrechter bepaalde maximum van € 100.000,00 zijn verbeurd.

2.6

De woning staande en gelegen aan[adres] (hierna: de woning) maakt deel uit van de thans nog onverdeelde nalatenschap van [partner]. De woning behoort in mede-eigendom toe aan drie deelgenoten, te weten: klager, [naam] en [zoon partner].

2.7

Klager heeft de notaris benaderd met het verzoek om het onverdeelde aandeel van [zoon partner] op de woning via een executieveiling te verkopen.

2.8

Op 21 maart 2011 heeft de notaris aan klager geschreven:

De reden waarom de opdracht niet is aangenomen:

Een onverdeeld aandeel uit een nalatenschap is niet over te dragen zonder medewerking van alle deelgenoten. De waarde van zo’n aandeel is daarom nihil.

Een executie zou alleen maar de belangen van de deelgenoot schaden en geen opbrengst genereren.

Uit het gesprek heb ik opgemaakt dat dit een middel voor u is om het registergoed goedkoop op naam te krijgen. Dat is niet de bedoeling van een executieveiling.

De aangewezen weg is: naar de rechter gaan om verdeling of verkoop te vragen.

3 De klacht en het verweer

3.1

Klager legt aan zijn klacht ten grondslag dat de notaris ten onrechte heeft geweigerd om zijn opdracht tot een executieveiling over te gaan uit te voeren. De notaris heeft hem geadviseerd eerst in een gerechtelijke procedure boedelverdeling te vorderen maar dat traject is zeer kostbaar. De notaris heeft door dit advies en zijn weigerachtige houding onvoldoende oog gehad voor de belangen van klager. De notaris heeft in strijd gehandeld met de op hem rustende verplichting om de door klager verlangde werkzaamheden uit te voeren. De notaris stelt ten onrechte dat ik via de weg van een executieveiling probeer om de woning goedkoop op naam te krijgen.

3.2

De notaris heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij het verzoek van klager niet in behandeling heeft genomen omdat de aangewezen weg een verdeling is en geen veiling. Een aandeel in een onroerende zaak heeft in het onderhavige geval (conflictueuze situatie) geen waarde en kan niet zonder toestemming van de deelgenoten worden geveild. De aangewezen weg is om via een rechter verdeling of verkoop te vragen. De notaris is van mening dat hij heeft gehandeld zoals een goed notaris betaamt.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 98, eerste lid, Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. Beoordeeld dient te worden of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

Dienstweigering

4.2

Ingevolge artikel 21 lid 1 Wna is de notaris verplicht de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in tweede lid. In het tweede lid staat omschreven dat een notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die verlangd wordt leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft.

4.3

De kamer begrijpt de klacht van klager aldus dat de notaris ten onrechte zijn in artikel 21 lid 1 Wna omschreven verplichtingen niet is nagekomen. De notaris heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij daar op grond van het tweede lid niet toe was gehouden. De kamer overweegt daarover het volgende.

4.4

Klager heeft in zijn positie van schuldeiser de notaris benaderd met het verzoek om tot veiling/uitwinning van het aandeel van [zoon partner] in de woning aan [adres] over te gaan. De woning maakt deel uit van een (bijzondere) gemeenschap, de onverdeelde nalatenschap van [partner]. Titel 3.7 BW bevat een regeling voor de gemeenschap. Afdeling 2 van titel 3.7 (art. 3:189–3:194 BW) is uitsluitend van toepassing op de in art. 3:189 lid 2 BW genoemde gemeenschappen, die ook bijzondere gemeenschappen worden genoemd. Op deze gemeenschappen zijn ook van toepassing de algemene regels van afdeling 1 van titel 3.7 (art. 3:166-188 BW), voor zover daarvan in afdeling 2 niet wordt afgeweken. De gemeenschappen waarop alleen afdeling 1 van toepassing is, worden wel eenvoudige gemeenschappen genoemd. Een belangrijk verschil tussen de eenvoudige en de bijzondere gemeenschap is de regeling inzake de bevoegdheid van de deelgenoot over zijn aandeel in de gemeenschap te beschikken. Voor eenvoudige gemeenschappen bepaalt art. 3:175 lid 1 BW dat, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, een ieder over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed kan beschikken. Voor de bijzondere gemeenschappen - zoals thans ook aan de orde - van art. 3:189 lid 2 bepaalt art. 3:191 lid 1 BW dat ieder der deelgenoten over zijn aandeel in de gehele gemeenschap kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit, en bepaalt art. 3:190 lid 1 als hoofdregel dat een deelgenoot zonder toestemming van de overige deelgenoten niet kan beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk. Voorts is in artikel 3:190 lid 1 BW bepaald dat een schuldeiser (in dit geval klager) een zodanig deel niet kan uitwinnen, zonder toestemming van de overige deelgenoten.

4.5

Op grond van het voorgaande komt de kamer tot de conclusie dat de notaris zich hier op goede gronden op artikel 21 lid 2 BW heeft moeten beroepen. Klager heeft de notaris verzocht om tot uitwinning (via een executieveiling) van het onverdeelde aandeel van [zoon partner] in een tot een bijzondere gemeenschap behorende onroerende zaak over te gaan. Dit is enkel toegestaan met de toestemming van de overige deelgenoten en die toestemming was niet gegeven. De notaris heeft klager vervolgens geadviseerd om via de rechter verdeling of verkoop te vragen. Naar het oordeel van de kamer kan in deze constellatie niet worden geconcludeerd dat de notaris onvoldoende oog voor de belangen van klager heeft gehad. De klacht dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.

Bejegening

4.6

De kamer verstaat de klacht van klager aldus dat hij zich beklaagt over de wijze waarop de notaris hem heeft bejegend. De notaris heeft in zijn reactie van 21 maart 2011 aan klager geschreven: Uit het gesprek heb ik opgemaakt dat dit een middel voor u is om het registergoed goedkoop op naam te krijgen. Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris in zijn verweer op onvoldoende wijze toegelicht op grond van welke concrete uitlatingen die indruk bij hem is gewekt. In zijn klacht heeft klager gemotiveerd toegelicht dat hij met zijn opdracht aan de notaris heeft beoogd om (een deel) van de door [zoon partner] aan hem verbeurde dwangsommen te incasseren. Het klachtonderdeel is terecht voorgesteld. De kamer ziet gezien het gewicht van deze klacht geen aanleiding hieraan tuchtrechtelijke conclusies te verbinden.

BESLISSING

De Kamer van Toezicht:

verklaart het klachtonderdeel onder 4.6 gegrond zonder dat hieraan een tuchtrechtelijke maatregel zal worden verbonden,

verklaart de klacht overigens ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 31 augustus 2011 door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter,

mrs. G.R. van Baak-Klijnsma, K.H.H.J. Kuhlmann, C.M. Reijntjes en F. Drost, leden, bijgestaan door mr. R. Huisman, secretaris en in het openbaar door plaatsvervangend voorzitter mr. E.J. Oostdijk uitgesproken op 5 september 2011.

rh

De beslissing is verzonden op

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.