Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1895

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
200 103 622-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de schuldbekentenis bij de bespreking op of kort voor 4 december 2003 aan de oud-notaris is overgelegd en dat de oud-notaris heeft toegezegd deze bij het testament te zullen bewaren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van klaagster dat de oud-notaris bij vorenbedoelde bespreking heeft nagelaten erflaatster, klaagster en A. duidelijk in te lichten over de rechten van de erfgenamen en de rechtsgevolgen voor de nalatenschap vanwege de schuld van M. aan erflaatster en haar vooroverleden echtgenoot.

Met betrekking tot het informeren van legitimarissen ten aanzien van hun rechten bestaan binnen het notariaat verschillende goed verdedigbare opvattingen. Eén van die opvattingen is dat de notaris legitimarissen in een nalatenschap in voorkomend geval wijst op hun wettelijke rechten. Derhalve kan het de notaris niet worden verweten dat de oud-notaris - nadat een van de kleinkinderen van erflaatster zich tot hem had gewend en een beroep op de legitieme portie had gedaan - tegen de wens van klaagster in alle kleinkinderen van erflaatster heeft aangeschreven en hen heeft geïnformeerd over hun rechten als legitimarissen. Voorts is niet komen vast te staan dat de notaris en de oud-notaris ten tijde van het opmaken van de successieaangifte op de hoogte hadden kunnen of moeten zijn van de opdracht van erflaatster aan klaagster de overgeboekte bedragen aan anderen uit te betalen, zodat zij niet verwijtbaar hebben gehandeld door de bedragen in de successieaangifte als schenkingen aan te merken.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

________________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht

zaaknummer: 200.103.622/01 NOT

zaaknummer kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage: 11-15

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 8 januari 2013 (bij vervroeging)

inzake:

[appellante] ,

wonende te[woonplaats],

APPELLANTE,

t e g e n

1 [de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

2. [de oud-notaris],

oud-notaris te ’[vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 13 maart 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ’s-Gravenhage, verder de kamer, van 15 februari 2012, waarbij de kamer de klacht van klaagster tegen geïntimeerden, verder onderscheidenlijk de notaris en de oud-notaris, deels ongegrond (klachtonderdelen 1 en 3) en deels gegrond (klachtonderdeel 2) heeft verklaard en aan de notaris de maatregel van berisping heeft opgelegd.

1.2.

Van de zijde van de notaris is op 27 april 2012 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

Op 9 november 2012 is van de zijde van klaagster een aanvullend verzoekschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2012. Klaagster, de notaris en de oud-notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de oud-notaris en de notaris als diens opvolger dat zij de uitdrukkelijke wensen van[erflaatster], de moeder van klaagster, verder erflaatster, hebben genegeerd. Klaagster voert hiertoe het volgende aan.

4.1.

Ter gelegenheid van het passeren van het testament van erflaatster op 4 december 2003 heeft de oud-notaris tijdens de bespreking van het testament nagelaten om erflaatster, klaagster en erflaatsters zoon [A.], die bij de bespreking aanwezig waren, duidelijk in te lichten over de rechten van de erfgenamen en de rechtsgevolgen voor de nalatenschap vanwege de schuldbekentenis de dato 30 september 1982 van erflaatsters vooroverleden zoon [M.] aan erflaatster en haar vooroverleden echtgenoot. De schuldbekentenis is tijdens de bespreking aan de oud-notaris verstrekt en zou volgens de oud-notaris bij het testament worden bewaard. In februari 2009 heeft klaagster de schuldbekentenis nogmaals aan de notaris, als opvolger van de oud-notaris, doen toekomen. Bij de afwikkeling van de nalatenschap is ten onrechte niets met de schuldbekentenis gedaan.

4.2.

Het was de bedoeling van erflaatster dat de kinderen van [M.] vanwege de schuld van hun vader niets van haar zouden erven en zij zelf een beroep op hun legitieme portie zouden moeten doen. Desondanks heeft de oud-notaris - nadat [D.], een dochter van [A.], een beroep op haar legitieme portie had gedaan - eigenmachtig en tegen de wens van klaagster in alle legitimarissen, onder wie de kinderen van [M.], geïnformeerd over hun rechten.

4.3.

Klaagster heeft de notaris in februari 2009 een kopie gezonden van een door klaagster opgesteld en door erflaatster op 16 mei 2008 ondertekend stuk inhoudende:

“het door mijn dochter overgeboekte geld € 4.412 en 2 x € 2206 zal ik verdelen aan alle goede en zorgzame mensen, en mijn kleinkinderen en babies. (Postbank 15 april 2008)”.

Tot bewijs van de overboeking van deze gelden (op 15 april 2008) heeft klaagster een kopie van een bankafschrift van 9 mei 2008 van voormelde girorekening overgelegd. Uit de successieaangifte blijkt dat de notaris de toedeling van deze bedragen ten onrechte als een schenking door erflaatster aan klaagster heeft beschouwd en tot nadeel van het erfdeel van klaagster en ten gunste van de legitimarissen in de nalatenschap heeft ingebracht.

5 Het standpunt van de notaris en de oud-notaris

De notaris en de oud-notaris hebben de stellingen van klaagster betwist en zich als volgt verweerd.

5.1.

Klaagster wenste de vorderingen van de kinderen van [M.] te compenseren met de schuld van hun vader aan erflaatster, maar de oud-notaris heeft de schuldbekentenis - ondanks herhaalde verzoeken daartoe - niet van klaagster mogen ontvangen. Ook in de successiememorie is de schuldbekentenis niet opgenomen. Eerst tijdens de klachtprocedure heeft de oud-notaris de schuldbekentenis onder ogen gekregen. Alvorens eventueel tot verrekening had kunnen worden overgegaan, heeft de oud-notaris klaagster erop gewezen dat ten aanzien van de vermeende schuld een en ander moest worden uitgezocht, bijvoorbeeld of de schuld nog wel bestond. Klaagster was echter niet bereid nog meer tijd en kosten aan deze kwestie te besteden. De oud-notaris heeft de aanwezigen bij de bespreking van het testament op 4 december 2003 een mondelinge uitleg over het testament gegeven; toentertijd was het niet gebruikelijk dit schriftelijk te doen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft de oud-notaris op vragen van het hof verklaard dat hij, indien dit aan de orde is, bij het opmaken van een testament de testateur altijd voorlicht over de rechten van legitimarissen.

5.2.

Het was de plicht van de oud-notaris om bij de afwikkeling van de nalatenschap, nadat een dochter van [A.] een beroep op haar legitieme portie had gedaan, ook de andere kinderen van [A.] en [M.] over hun legitieme rechten te informeren. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft de oud-notaris op vragen van het hof verklaard dat de notaris in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap onder het oude recht de legitimarissen diende aan te schrijven. De onder het huidige recht aangenomen opvatting van de KNB werkgroep deontologie Nieuw Erfrecht dat dit niet mag, is de oud-notaris destijds ontgaan. Deze regel komt de oud-notaris overigens onrechtvaardig voor.

5.3.

De notaris beschikte enkel over een kopie van het bankafschrift van 9 mei 2008. De van de gezamenlijke girorekening naar de eigen rekening van klaagster overgeboekte bedragen heeft de notaris aangemerkt als schenkingen van erflaatster aan klaagster gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van erflaatster. Deze schenkingen zijn daarom conform de wet in de successieaangifte opgevoerd en in de berekening van de legitieme portie meegenomen. In hoger beroep heeft de oud-notaris ter zitting aangevoerd eerst tijdens de klachtprocedure kennis te hebben genomen van de stukken die klaagster beweert in februari 2009 aan de notaris te hebben verstrekt.

6 De beoordeling

6.1.

In haar aanvullend beroepschrift heeft klaagster aangevoerd dat de schuldbekentenis alsnog met de legitieme porties van de kinderen van [M.] dient te worden verrekend. Voorts wenst klaagster een vergoeding van de notaris en de oud-notaris te ontvangen omdat zij door hun handelen is benadeeld. Het hof wijst erop dat in een tuchtrechtprocedure als de onderhavige geen ruimte is voor het verrekenen van vorderingen en evenmin voor het toekennen van een (schade)vergoeding. Daarvoor staat eventueel de rechtsgang bij de burgerlijke rechter open.

6.2.

Met betrekking tot het hiervoor onder 4.1. weergegeven klachtonderdeel is het hof met de kamer van oordeel dat klaagster tegenover de betwisting van die stelling door de oud-notaris onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuldbekentenis bij de bespreking op of kort voor 4 december 2003 aan de oud-notaris is overgelegd en dat de oud-notaris heeft toegezegd deze bij het testament te zullen bewaren. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling van klaagster dat de oud-notaris bij vorenbedoelde bespreking heeft nagelaten erflaatster, klaagster en [A.] duidelijk in te lichten over de rechten van de erfgenamen en de rechtsgevolgen voor de nalatenschap vanwege de schuld van [M.] aan erflaatster en haar vooroverleden echtgenoot. Dit klachtonderdeel zal dan ook ongegrond worden verklaard.

6.3.1.

Ten aanzien van het hiervoor onder 4.2. weergegeven klachtonderdeel volgt het hof de kamer in zijn oordeel dat de oud-notaris na zijn defungeren per 1 januari 2009 bij zijn werkzaamheden in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster onder verantwoordelijkheid van de notaris is opgetreden.

6.3.2.

Met betrekking tot het informeren van legitimarissen ten aanzien van hun rechten bestaan binnen het notariaat verschillende goed verdedigbare opvattingen. Eén van die opvattingen is dat de notaris legitimarissen in een nalatenschap in voorkomend geval wijst op hun wettelijke rechten. Die opvatting vindt steun in de beschouwingen van de toenmalige Minister van Justitie zoals die blijken uit de parlementaire geschiedenis van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken I, 2001/2002, 27 021, nr 111a, p. 4):

Wel meen ik dat in voorkomende gevallen de algemene zorgverplichting van de notaris kan meebrengen dat hij een hem bekende legataris op de hoogte stelt van een uiterste wil, wanneer hij grond heeft om aan te nemen dat die legataris door de erfgenamen niet zal worden benaderd. Uit het bij wetsvoorstel 27 245 voorgestelde artikel 49b van de Wet op het notarisambt vloeit voort dat de geheimhoudingsplicht van de notaris daaraan niet in de weg staat. Mij is niet gebleken dat in de praktijk daadwerkelijk problemen optreden doordat notarissen die een uiterste wil bewaren, daarvan na het overlijden van de erflater veelal geen kennis geven aan belanghebbenden. In verband daarmee zie ik voor het alsnog in de wet opnemen van een ambtsplicht als in het thans geldende artikel 990 van Boek 4, waaraan de notaris in veel gevallen niet daadwerkelijk inhoud kan geven, onvoldoende grond.

6.3.3.

Op grond van het voorgaande kan het de notaris niet worden verweten dat de oud-notaris - nadat een van de kleinkinderen van erflaatster zich tot hem had gewend en een beroep op de legitieme portie had gedaan - tegen de wens van klaagster in alle kleinkinderen van erflaatster heeft aangeschreven en hen heeft geïnformeerd over hun rechten als legitimarissen. Nu de oud-notaris hierbij heeft gehandeld onder verantwoordelijkheid van de notaris, is van een tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de notaris derhalve niet gebleken, zodat dit klachtonderdeel eveneens ongegrond zal worden verklaard.

6.4.

Met betrekking tot het hiervoor onder 4.3. weergegeven klachtonderdeel is de vraag aan de orde of de notaris de door klaagster - in opdracht van erflaatster - op 15 april 2008 gedane drie overboekingen van in totaal € 8.824,00 van de gezamenlijke girorekening naar de eigen rekening van klaagster ten tijde van het opmaken van de successieaangifte als schenkingen van erflaatster aan klaagster heeft mogen beschouwen. Beide partijen hebben een kopie van het bankafschrift van 9 mei 2008 met daarop de bewuste overboekingen in de klachtprocedure overgelegd. Deze kopieën verschillen in zoverre dat op het door de notaris en de oud-notaris overgelegde exemplaar de door erflaatster aangebrachte aantekeningen, zoals de tekst “mijn kleinkinderen en babies” en de datum “16 mei 2008”, ontbreken. De oud-notaris heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd van de stukken die klaagster beweert in februari 2009 aan de notaris te hebben verstrekt, waaronder het hiervoor onder 4.3. bedoelde stuk van 16 mei 2008, eerst tijdens de klachtprocedure kennis te hebben genomen. Op grond van het voorgaande is thans niet komen vast te staan dat de notaris en de oud-notaris ten tijde van het opmaken van de successieaangifte op de hoogte hadden kunnen of moeten zijn van de opdracht van erflaatster aan klaagster de overgeboekte bedragen aan anderen uit te betalen. Dit leidt ertoe dat niet is gebleken dat de notaris en de oud-notaris verwijtbaar jegens klaagster hebben gehandeld door de overgeboekte bedragen van 15 april 2008 in de successieaangifte als schenkingen van erflaatster aan klaagster aan te merken, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

6.5.

Nu het hof tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.

6.6.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.7.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht ongegrond;

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek om verrekening en schadevergoeding.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.D.R.M. Boumans en

C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 januari 2013 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen
’s−Gravenhage

Beslissing van 15 februari 2012inzake de klacht onder nummer 11-15 van:

[klaagster],

hierna ook te noemen: klaagster,

tegen

  1. [de notaris] ,
    notaris, gevestigd te[vestigingsplaats],
    hierna ook te noemen: de notaris,

  2. [de oud-notaris] ,
    oud-notaris, voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
    hierna ook te noemen: de oud-notaris.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

  • -

    de klacht, ingekomen op 31 mei 2011, met bijlagen;

  • -

    het antwoord van de notaris met als bijlagen een renteberekening en het antwoord van de oud-notaris;

  • -

    de repliek van klaagster, met bijlagen, aangevuld met een op 9 augustus 2011 ingekomen brief, met bijlage;

  • -

    de dupliek van de notaris en de oud-notaris.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2011.

Daarbij waren aanwezig:

  • -

    klaagster,

  • -

    de notaris en de oud-notaris.

Na de zitting heeft de notaris op verzoek van de Kamer van Toezicht bij brief van 7 december 2011 een kopie overgelegd van de successieaangifte en van het afschrift waarop de overboekingen naar rekening van klaagster zijn vermeld, alsmede een kopie van de rekening en verantwoording.

De feiten

Op 4 december 2003 passeerde de oud-notaris het testament van [erflaatster] (hierna: erflaatster), moeder van klaagster en weduwe van [echtgenoot], overleden op 5 juli 1989. Erflaatster wees in haar testament als erfgenamen aan klaagster en de toen nog in leven zijnde zoon van erflaatster, [A.], ieder voor gelijke delen. De andere zoon, [M.], was op 6 januari 1992 overleden, met achterlating van afstammelingen. Voor het geval [A.] zou overlijden, wees erflaatster diens echtgenote, [naam], naast klaagster aan als erfgename van de nalatenschap.

Op 5 juli 2006 overleed [A.], met achterlating van afstammelingen.

Op 30 juli 2008 overleed erflaatster.

Op 4 december 2008 gaf klaagster haar ondertekende volmacht voor de afwikkeling van de nalatenschap af aan het kantoor van de oud-notaris.

De oud-notaris defungeerde op 31 december 2008. Zijn protocol was per 1 januari 2009 toegewezen aan de notaris.

Bij brief van 8 januari 2009 aan klaagster deed een van de kleinkinderen van erflaatster, tevens een dochter uit het eerste huwelijk van wijlen [A.], [D.], een beroep op haar legitieme portie. Klaagster stelde vervolgens de oud-notaris hiervan op de hoogte.

Op 12 februari 2009 deed [naam], gemachtigde van de erfgenamen en domicilie gekozen hebbende bij de notaris, aangifte voor het recht van successie wegens de nalatenschap van erflaatster. Blijkens de aangifte hadden de drie kinderen van wijlen [M.] en de drie kinderen van wijlen [A.] ieder voor zich een beroep gedaan op hun legitieme portie.

Na verschillende brieven gericht aan de oud-notaris, waarin klaagster inging op de afwikkeling van de nalatenschap, verklaarde klaagster zich bij brief van 8 juni 2009 aan de oud-notaris akkoord met de verdere afwikkeling van de nalatenschap door deze (namens de notaris).

De klacht en het verweer van de notaris en de oud-notaris

Klaagster verwijt de oud-notaris en de notaris als diens opvolger, dat dezen de uitdrukkelijke wensen van erflaatster hebben genegeerd. Haar klacht valt  zakelijk weergegeven  uiteen in drie onderdelen. Zij voert hiertoe het volgende aan.

1. De oud-notaris heeft bij het opstellen van het testament van erflaatster tijdens de bespreking op 4 december 2003 nagelaten om erflaatster, klaagster en erflaatsters zoon [A.], die bij die bespreking aanwezig waren, duidelijk in te lichten over de rechten van de erfgenamen en de rechtsgevolgen voor de nalatenschap vanwege de schuld van erflaatsters overleden zoon [M.] aan wijlen [echtgenoot] en erflaatster. Deze schuld blijkt uit een door klaagster in de klachtprocedure overgelegde schuldbekentenis van 30 september 1982 van [M.] voor een bedrag van fl. 80.000, ondertekend door [M.], wijlen [echtgenoot] en erflaatster. Deze schuldbekentenis is bij gemelde bespreking op 4 december 2003 aan de oud-notaris overgelegd en zou volgens de oud-notaris bij het testament bewaard blijven, aldus klaagster. Volgens klaagster betwistte en betwist de oud-notaris ten onrechte dat hij ten tijde van het opmaken en passeren van het testament van erflaatster niet bekend zou zijn geweest met de schuldbekentenis en met na te melden bedoeling van erflaatster.

2. Volgens klaagster was het de bedoeling van erflaatster in overleg met de oud-notaris bij gemelde bespreking  dat de drie kinderen van de vooroverleden [M.] niets mochten erven van erflaatster vanwege die schuld van hun vader. Deze kinderen moesten binnen de daarvoor wettelijke voorgeschreven termijn zelf een beroep op hun legitieme portie doen. Desondanks heeft de oud-notaris  nadat legitimaris[D.] een beroep op haar legitieme portie gedaan had  eigenmachtig en tegen de wens van klaagster in alle legitimarissen, onder wie de kinderen van [M.], schriftelijk gewezen op de mogelijkheid om een beroep te doen op hun legitieme portie.

3. In februari 2009 heeft klaagster daarom aan de notaris, als opvolger van de oud-notaris, de schuldbekentenis van [M.] gezonden en een kopie van de door erflaatster ondertekende schriftelijke goedkeuring van 16 mei 2008 aan klaagster om de door klaagster via haar gezamenlijke girorekening met erflaatster bij de Postbank op de eigen rekening van klaagster overgeboekte bedragen van € 4.412 en tweemaal € 2.206 te verdelen onder “alle goede en zorgzame mensen” en “mijn kleinkinderen en babies”, zulks volgens voormelde door erflaatster ondertekende verklaring. Tot bewijs van de overboeking van deze gelden op 15 april 2008 heeft klaagster een afschrift d.d. 9 mei 2008 van voormelde girorekening bij de Postbank in deze procedure overgelegd.

De notaris heeft blijkens de successieaangifte de toedeling van deze gelden tot het totaalbedrag van € 8.824 vervolgens ten onrechte als een schenking door erflaatster aan klaagster beschouwd en tot nadeel van klaagsters erfdeel en ten gunste van de legitimarissen ingebracht in de nalatenschap, aldus klaagster.

De notaris en de oud-notaris hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna  voor zover nodig  zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

De tuchtnorm

Volgens artikel 98 van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

Klachtonderdeel 1

De oud-notaris weerspreekt dat bij de bespreking op of kort voor 4 december 2003 de schuldbekentenis aan hem overgelegd zou zijn en dat hij toegezegd had om de schuldbekentenis bij het testament van erflaatster te bewaren.

Daarnaast voeren de oud-notaris en de notaris tot hun verweer aan dat zij de schuldbekentenis pas ontvangen hebben als bijlage van de klacht van klaagster in deze procedure en betwisten  ieder voor zover het hen aangaat  hetgeen klaagster hierover overigens gesteld heeft.

Tegenover de stelling van klaagster staan deze verklaringen van de oud-notaris en de notaris. Naar het oordeel van de Kamer van Toezicht heeft klaagster haar stelling onvoldoende onderbouwd om de verklaringen van de verweerders teniet te doen.

De Kamer van Toezicht laat hierbij meewegen dat klaagster uiteindelijk, zij het onder protest, heeft berust in de interpretatie van de oud-notaris.

De klacht is daarom als gericht tegen de oud-notaris en de notaris op dit onderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 2

De oud-notaris heeft erkend, dat hij (inmiddels gedefungeerd en naar de Kamer van Toezicht begrijpt: optredend onder verantwoordelijkheid van de notaris), nadat hem via klaagster bekend werd dat [D.] een beroep op haar legitieme portie gedaan had, alle overige legitimarissen schriftelijk heeft gewezen op deze mogelijkheid.

Onder voormelde tuchtnorm valt de zorg die een notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen voor wie hij optreedt.

Naar het oordeel van de Kamer van Toezicht strekt deze zorg zich wel uit over de erfgenaam, maar niet tot de legitimaris, die immers geen erfgenaam is. Krachtens artikel 7 lid 1 sub g van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is de legitimaris een schuldeiser op zijn deel uit de nalatenschap. Het behoort daarom niet tot de zorgplicht van de notaris om  gelet op het feit dat de kleinkinderen van erflaatster niet in haar testament tot haar erfgenamen benoemd zijn  eigener beweging deze kleinkinderen te traceren en op hun rechten als legitimaris te wijzen. Door aldus te handelen heeft de notaris, namens wie de oud-notaris in deze is opgetreden, gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsplicht.

Ter toelichting verwijst de Kamer van Toezicht naar hetgeen hierover gesteld is in het preadvies KNB 2006, p. 124-127, door B.M.E.M. Schols en in de leidraad gegeven door de Werkgroep Notariële Deontologie, WPNR 6585 (2004) onder auspiciën van het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Met deze leidraad heeft de KNB beoogd houvast te bieden aan diegenen in de notariële praktijk die zich met erfrecht bezighouden en worden geconfronteerd met de vraag hoe een notaris kan, mag of moet handelen in bepaalde gevallen.

Van de notaris mag verwacht worden dat hij hiermee bekend is.

De klacht is daarom als gericht tegen de notaris, onder wiens verantwoordelijkheid de verweten gedraging immers is geschied, op dit onderdeel gegrond.

Klachtonderdeel 3

Schenkingen die binnen 180 dagen voor het overlijden van erflaatster gedaan zijn, dienen volgens de notaris conform de wet opgevoerd te worden op de successieaangifte en meegenomen te worden in de berekening van de legitieme portie.

Ter zitting heeft de oud-notaris bovendien verklaard, dat de bedragen van € 4.412 en tweemaal € 2.206 ná het overlijden op 30 juli 2008 van erflaatster door klaagster zijn overgeboekt.

Op verzoek van de Kamer van Toezicht ter zitting heeft de notaris na de zitting bij brief van 7 december 2011 overgelegd een kopie van de successieaangifte en van het afschrift waarop de betreffende overboekingen van klaagster vermeld zijn en een kopie van de rekening en verantwoording.

Het betreft dezelfde stukken die eerder door klaagster in deze procedure zijn overgelegd, met name kopie van het afschrift d.d. 9 mei 2008van de gezamenlijke girorekening van erflaatster en klaagster bij de Postbank.

Uit deze stukken blijkt dat klaagster conform haar stelling voormelde bedragen op 15 april 2008 op haar eigen rekeningnummer heeft laten overboeken.

Ingevolge artikel 12 Successiewet worden schenkingen die binnen een periode van 180 dagen vóór het overlijden van de schenker gedaan zijn, voor de berekening van de verschuldigde erfbelasting alsnog bij de nalatenschap opgeteld. De in voormeld artikel genoemde uitzonderingen zijn in het geval van de onderhavige schenking naar het oordeel van de Kamer van Toezicht niet van toepassing.

De Kamer van Toezicht stelt vast dat klaagster voormelde overboeking op 15 april 2008 heeft gedaan binnen voormelde termijn van 180 dagen vóór het overlijden van erflaatster op 30 juli 2008.

De klacht is daarom als gericht tegen de notaris ongegrond.

De op te leggen maatregel met betrekking tot klachtonderdeel 2

De Kamer van Toezicht acht de oplegging van de maatregel van berisping passend en gerechtvaardigd voor de in dit klachtonderdeel verweten gedraging waarvoor zij de notaris verantwoordelijk heeft gesteld.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht op klachtonderdeel 2 gegrond;

legt de notaris hiervoor de maatregel van berisping op;

bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat deze beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden tenuitvoergelegd op een nader te bepalen vergadering van de Kamer, waartoe de notaris per aangetekende brief zal worden opgeroepen door de secretaris;

verklaart de klacht op de overige klachtonderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.J. Paris, voorzitter, O. van der Burg, J.Z. Moree, J. Smal en L.G. Vollebregt, bijgestaan door de secretaris, mr. A. Saab, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.