Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1872

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
200.102.395/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2012:1846
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:3242
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging ondercuratelestelling na deskundigenonderzoek; instelling bewind en mentorschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Burgerlijk Wetboek Boek 1 450
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 juni 2013

Zaaknummer: 200.102.395/01

Zaaknummer eerste aanleg: 499741 CB VERZ 11-16 mrc

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.A.A. van der Loo te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna [x] genoemd.

1.2.

Het hof heeft in deze zaak op 7 augustus 2012 een tussenbeschikking gegeven. Voor de procesgang tot dan toe wordt verwezen naar die beschikking.

1.3.

Op 24 januari 2013 heeft het Openbaar Ministerie (het ressortsparket, vestiging Amsterdam) een schriftelijk rapport d.d. 14 januari 2013 van een onderzoek van de heer R.A. Achilles, psychiater te Amsterdam (hierna: de deskundige), alsmede de daartoe strekkende schriftelijke opdracht in het geding gebracht.

1.4.

De zaak is op 11 april 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van Piersma;

- mr. R.C. Tdlohreg, advocaat‑generaal;

- de heer [broer], zijnde de broer van [x];

- mevrouw Y.F. van Rooyen en de heer A. Klein‑Robbenhaar, namens GGZ inGeest te Haarlem (hierna: GGZ).

1.6.

[x] en mevrouw [zus], zijnde de zuster van [x], zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. De heer [y] (hierna: de curator) is met voorafgaand bericht evenmin verschenen.

2 Verdere feiten

2.1.

Het onderzoek is verricht aan de hand van de volgende – in de tussenbeschikking van 7 augustus 2012 vermelde – vragen:

  1. Is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat of wordt hij deswege bemoeilijkt zijn vermogensrechtelijke en andere (niet vermogensrechtelijke) belangen behoorlijk waar te nemen?

  2. Is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen?

  3. Is [x] - in aanmerking genomen zijn huidige woonsituatie - als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat of wordt hij deswege bemoeilijkt zijn belangen van niet vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen?

2.2.

Volgens het hiervoor onder 1.3 vermelde rapport (onder “Conclusie en bespreking”) is bij [x] evident sprake van een stoornis in het autismespectrum in combinatie met sterk dwangmatig gedrag. Voorts concludeert de deskundige dat, hoewel het onderzoek aannemelijk maakt dat er bij [x] beperkingen bestaan ten aanzien van het zelfstandig uitvoeren van de administratie, er anderzijds niet zodanig ernstige stoornissen aan het licht zijn gekomen die de uitspraak zouden kunnen wettigen dat [x] absoluut niet in staat is om zijn financiële belangen te behartigen. Zou de ondercuratelestelling worden opgeheven, dan is er volgens de deskundige een kans dat [x] met hulp van derden de financiële zaken adequaat onder controle zou kunnen houden. Anderzijds is er ontegenzeggelijk de mogelijkheid dat dat niet het geval is. Van belang hierbij is dat [x] weinig tot geen voordeel kan benoemen van het weer zelf in beheer nemen van de financiën. Met betrekking tot de vraag of [x] in staat is andere dan financiële belangen voor zichzelf adequaat te behartigen, wordt geconcludeerd dat dat wel het geval is, zij het met begeleiding.

De deskundige heeft de hiervoor onder 2.1 vermelde vragen in zijn rapport als volgt beantwoord.

ad 1) Zoals onder de bespreking is aangegeven, kan worden gesteld dat betrokkene wel fors beperkt is in het behoorlijk waarnemen van zijn vermogensrechtelijke belangen, maar dat er een kans is dat hij met begeleiding daartoe uiteindelijk wel in staat is. Zijn niet vermogensrechtelijke belangen kan hij duidelijk met begeleiding wel behoorlijk waarnemen.

ad 2) De beperkingen waarvan bij betrokkene sprake is kunnen worden aangemerkt als duurzaam: er valt geen verbetering van deze toestand te verwachten.

ad 3) Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene, zij het met begeleiding, tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn zijn belangen van niet vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

3 Verdere beoordeling van het hoger beroep

3.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van [x] op voormeld rapport gereageerd. [x] is nog steeds van mening dat geen grond bestaat voor ondercuratelestelling en stelt voorts dat evenmin grond bestaat voor de (ambtshalve) instelling van bewind. Hiertoe heeft zijn advocaat aangevoerd dat [x], met begeleiding, in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te handhaven. Weliswaar beschikt [x] over weinig leefgeld, maar hij geeft niet veel geld uit. Namens [x] heeft zijn advocaat zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wel grond bestaat voor de (ambtshalve) instelling van een mentorschap.

3.2.

De advocaat‑generaal heeft ter zitting in hoger beroep geconcludeerd dat thans geen gronden meer bestaan voor ondercuratelestelling, doch wel voor onderbewindstelling. Hij stelt dat [x] veel hulp en begeleiding nodig heeft en dat een reëel gevaar bestaat dat [x] niet in staat zal zijn zelf zijn financiën behoorlijk te beheren. Er bestaat nog onvoldoende stabiliteit, aldus de advocaat‑generaal.

3.3.

Op grond van het rapport van de deskundige, de overige stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof, evenals [x] en de advocaat‑generaal, van oordeel dat de gronden voor ondercuratelestelling thans niet meer aanwezig zijn.

Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat bij [x] sprake is van een geestelijke stoornis van zodanige aard dat hij niet in staat is zijn vermogensrechtelijke en andere belangen behoorlijk waar te nemen, althans in zodanige mate dat aan [x] zijn handelingsbekwaamheid zou moeten worden ontnomen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [x] volgens de deskundige in redelijke mate inzicht lijkt te hebben in zijn financiële situatie en zich realiseert welke inkomsten en vaste uitgaven hij heeft. Daarnaast realiseert hij zich dat hij hulp nodig heeft om zijn financiële zaken behoorlijk te regelen en accepteert hij hulp en begeleiding in verband met zijn stoornis. Het hof acht voorts van belang dat de woonsituatie van [x] sinds 24 april 2012, derhalve gedurende de curatele, is gewijzigd, waardoor de problematiek rondom zijn herhuisvesting niet meer aan de orde is. Ter zitting in hoger beroep heeft zijn advocaat verklaard dat [x] het naar zijn zin heeft in zijn huidige woning en daar wenst te blijven. Bovendien heeft hij, totdat zijn herhuisvesting aan de orde kwam, lange tijd kunnen functioneren zonder een ondercuratelestelling.

Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidend verzoek tot ondercuratelestelling van [x] alsnog dient te worden afgewezen.

3.4.

Anders dan [x] acht het hof echter aannemelijk dat hij thans niet steeds in staat is om zijn financiële zaken behoorlijk te beheren, ook niet als dat geschiedt met begeleiding van de GGZ of andere hulpverleningsinstanties. Het hof acht dergelijke begeleiding in dit geval onvoldoende toereikend, nu ook de deskundige in zijn rapport heeft verklaard dat slechts een kans aanwezig is dat [x] met dergelijke begeleiding in het behoorlijk waarnemen van zijn vermogensrechtelijke belangen zal slagen. Volgens de deskundige is [x] op grond van zijn stoornis fors beperkt in zijn mogelijkheden daartoe. [x] heeft volgens mevrouw Van Rooyen, zijn voormalig maatschappelijk werker, en mevrouw Klein‑Robbenhaar, zijn sociaal psychiatrisch verpleegkundige, veel moeite met het maken van keuzes en het stellen van prioriteiten. Het hof hecht in dit verband voorts belang aan het feit dat [x], gezien zijn inkomen en vaste lasten, slechts een gering bedrag aan leefgeld overhoudt en dat hij de kosten van zijn huishouding, anders dan in het verleden, niet meer met zijn medebewoners kan delen, nu hij alleen een woning bewoont.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof aanleiding over te gaan tot instelling van een bewind over de goederen die [x] toebehoren of zullen toebehoren als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW.

3.5.

Alvorens te beslissen, zal het hof [x] in de gelegenheid stellen zijn voorkeur met betrekking tot de te benoemen bewindvoerder schriftelijk aan het hof kenbaar te maken, binnen een termijn van drie weken vanaf heden. In geval [x] een voorkeur voor een bewindvoerder heeft, verzoekt het hof [x] tevens binnen genoemde termijn een bereidverklaring van de desbetreffende persoon over te leggen. Om proceseconomische redenen zal het hof voorts de curator verzoeken schriftelijk en binnen een termijn van drie weken vanaf heden aan het hof kenbaar te maken of hij bereid is de taak van bewindvoerder op zich te nemen. Het hof zal te dien einde iedere beslissing aanhouden. Het hof tekent voorts aan, dat de broer van [x] ter zitting heeft verklaard de taak van bewindvoerder niet op zich te willen nemen.

3.6.

De deskundige heeft geconcludeerd dat [x] in staat is zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard waar te nemen, zij het dat hij daarbij begeleiding behoeft. De advocaat van [x] heeft ter zitting beaamd dat grond bestaat voor de instelling van een mentorschap. Gelet daarop acht het hof aannemelijk dat [x] als gevolg van zijn geestelijke toestand wordt bemoeilijkt in het zelf behoorlijk waarnemen van zijn belangen van niet‑vermogensrechtelijke aard. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat vanaf het moment dat de herhuisvesting van [x] aan de orde kwam tot zijn ondercuratelestelling zijn broer en zuster het mentorschap ten behoeve van hem hebben uitgeoefend. Uit het vorenstaande volgt dat het hof tevens aanleiding ziet over te gaan tot instelling van een mentorschap, als bedoeld in artikel 1:450 lid 1 BW.

Ter zitting in hoger beroep heeft de broer van [x] zich bereid verklaard om samen met zijn zuster het mentorschap uit te oefenen. [x] heeft zich daartegen niet verzet. Het hof zal de zuster van [x] verzoeken schriftelijk en binnen een termijn van drie weken vanaf heden aan het hof kenbaar te maken of zij (wederom) bereid is de taak van mentor op zich te nemen.

3.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

stelt [x] in de gelegenheid zijn voorkeur met betrekking tot de te benoemen bewindvoerder schriftelijk aan het hof kenbaar te maken binnen een termijn van drie weken vanaf heden, onder overlegging van een bereidverklaring van de persoon van zijn voorkeur;

verzoekt de heer [y] (de curator) schriftelijk en binnen een termijn van drie weken vanaf heden aan het hof kenbaar te maken of hij bereid is de taak van bewindvoerder op zich te nemen;

verzoekt mevrouw [zus] (de zuster van [x]) schriftelijk en binnen een termijn van drie weken vanaf heden aan het hof kenbaar te maken of zij bereid is, samen met [broer], de taak van mentor op zich te nemen;

houdt de behandeling te dien einde pro forma aan tot 21 juli 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, R.G. Kemmers en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.