Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1865

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
200.108.516/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijfplaats niet in belang kinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 21 mei 2013

Zaaknummer: 200.108.516/01

Zaaknummer eerste aanleg: 124896 / ES RK 10-1410

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats a],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G. Raap te Almere,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats b],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M. van Breda te [plaatsnaam].

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 19 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 5 april 2012 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 124896 / ES RK 10‑1410.

1.3.

De vrouw heeft op 6 augustus 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 2 oktober 2012 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De zaak is op 25 oktober 2012 ter terechtzitting behandeld, alwaar het hof de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad), heeft verzocht een nader onderzoek te verrichten aan de hand van de volgende vragen:

  • -

    welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van de kinderen, waarbij ook meegenomen dient te worden hoe de man zijn werk en de zorg voor de kinderen kan combineren?

  • -

    welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de toedeling van de dagelijkse zorg voor de kinderen aan de ouder waar de kinderen niet hun hoofdverblijfplaats hebben?

  • -

    zijn er factoren die een dergelijke regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit de kinderen en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

  • -

    hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van de kinderen, vorm gegeven te worden?

  • -

    is hulpverlening voor de kinderen geïndiceerd en zo ja, welke?

Het hof heeft de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 7 april 2013, met het verzoek aan de Raad omtrent de resultaten van het onderzoek twee weken vóór die datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen. Voorts heeft het hof bepaald dat de huidige situatie tussentijds niet wordt gewijzigd en iedere verdere beslissing aangehouden. Van het verhandelde ter zitting is proces‑verbaal opgemaakt.

1.6.

De Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord‑Holland, locatie Haarlem, heeft op 28 januari – naar het hof begrijpt – 2013 schriftelijk rapport met advies uitgebracht.

1.7.

De vrouw heeft op 27 maart 2013 nadere stukken ingediend.

1.8.

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord‑Holland (hierna: BJZNH) heeft op 3 april 2013 een nader stuk ingediend.

1.9.

De Raad heeft 8 april 2013 nadere stukken ingediend.

1.10.

De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 11 april 2013, alwaar zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat,

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

  • -

    mevrouw A. Hogendorp, vertegenwoordiger van de Raad.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 11 januari 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 november 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [minderjarige 1] [in] 2006 en [minderjarige 2] [in] 2007 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

2.2.

De vrouw is op 18 juni 2010 met de kinderen vertrokken uit de echtelijke woning. Zij hebben nadien op verscheidene locaties op [eiland] verbleven. Op 9 mei 2011 is de vrouw met de kinderen verhuisd van [eiland] naar [woonplaats b].

2.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 november 2010 van de rechtbank Alkmaar is – voor zover thans van belang – bepaald dat, totdat nader zal worden beslist, de kinderen een keer per twee weken van vrijdagmiddag 12.30 uur tot maandagochtend 8.30 uur bij de man zullen verblijven.

2.4.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 16 juni 2011 van de rechtbank Alkmaar zijn de kinderen aan de man toevertrouwd en is bepaald dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de kinderen bij de man zal ophalen en weer terug zal brengen.

2.5.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 24 november 2011 is – voor zover thans van belang – in afwachting van een rapport en advies van de Raad en totdat nader zal zijn beslist, de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de man bepaald alsmede een voorlopige omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen bepaald van eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdag naar de boot van [eiland] zal brengen en aldaar aan de vrouw zal overdragen en de vrouw de kinderen op zondag met de boot naar [eiland] zal brengen en om 17.00 uur (bij de boot) aan de man zal overdragen.

2.6.

De Raad heeft op verzoek van de rechtbank Alkmaar een onderzoek ingesteld naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hieromtrent op 22 februari 2012 rapport uitgebracht. De Raad heeft destijds geadviseerd de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen en een verdeling van de zorg en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen één weekeinde per veertien dagen bij de vrouw verblijven, van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

2.7.

In het hiervoor onder 1.6 vermelde rapport van 28 januari 2013 heeft de Raad het hof geadviseerd de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen en een omgangsregeling tussen de kinderen en de vrouw vast te stellen van eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 14.00 uur tot zondagmiddag 15.30 uur. In het rapport is voorts vermeld dat de ouders gezamenlijk verantwoordelijkheid dienen te nemen voor het vervoer van de kinderen. De Raad adviseert dat de ene ouder de kinderen haalt en de andere ouder de kinderen brengt. Voorts dient de vrouw een grotere rol in het leven van de kinderen te hebben dan thans het geval is, hetgeen mogelijk is door elke woensdag alsmede in een weekeinde dat er geen omgang is, telefonisch contact te hebben. Tevens adviseert de Raad de man om de opvang van de kinderen tijdens de drukke periodes van zijn bedrijf beter te structureren. Overwogen zou kunnen worden de kinderen gedurende de zomervakantie bij de vrouw te laten verblijven.

De Raad heeft het onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek en geconcludeerd dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.

2.8.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord‑Holland van 13 februari 2013 zijn de kinderen op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van BJZNH voor de duur van twaalf maanden, tot 13 februari 2014.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben en een omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen vastgesteld van eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 14.00 uur tot zondagmiddag 15.30 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag naar de boot op [eiland] zal brengen en aldaar aan de vrouw zal overdragen en hij de kinderen op zondag om 15.30 uur bij de vrouw in [woonplaats b] zal ophalen.

Deze beschikking is mede gegeven op het verzoek van de vrouw de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en – na wijziging van haar verzoek – een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen van een weekeinde per twee weken van vrijdagmiddag 14.00 uur tot zondagavond 16.30 uur.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw de kinderen in de omgangsweekeinden, vakanties en feestdagen zal halen en brengen, waarbij de man de kinderen op vrijdag om 14.00 uur bij de boot op [eiland] zal brengen en aldaar op zondag om 17.00 uur weer zal ophalen.

3.3.

De vrouw verzoekt de man niet‑ontvankelijk te verklaren in zijn principaal hoger beroep dan wel het door hem verzochte af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben en een omgangsregeling tussen de kinderen en de man vast te stellen zoals het hof juist zal achten.

3.4.

De man verzoekt het door de vrouw in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag bij wie de hoofdverblijfplaats van de kinderen dient te worden bepaald en over de invulling van de omgangsregeling.

4.2.

De man betoogt in principaal hoger beroep dat hij op basis van de huidige omgangsregeling eenmaal per veertien dagen een groot deel van de zondag moet besteden aan het ophalen van de kinderen en dan genoodzaakt is zijn fietsverhuurbedrijf te sluiten dan wel voor vervanging te zorgen, waardoor hij inkomsten derft. Voorts stelt hij dat hij aanzienlijk meer kosten in verband met de overtocht met de pont heeft dan de vrouw, omdat hij de auto dient mee te nemen op de pont, terwijl de vrouw als voetganger de overtocht naar [eiland] kan maken. Dit klemt volgens de man temeer omdat de vrouw geen kinderalimentatie betaalt. De man stelt ten slotte dat de vrouw haar werk aldus kan inrichten dat zij tijdens de omgangsweekeinden niet hoeft te werken, zodat zij in staat is de kinderen te halen en te brengen.

De vrouw heeft tegen deze stellingen verweer gevoerd.

4.3.

De vrouw betoogt in incidenteel hoger beroep dat het op de langere termijn in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijf bij haar hebben, ook al betekent dit dat zij nogmaals zouden moeten verhuizen. Hiertoe voert zij aan dat zij op grond van een gezamenlijke keuze van partijen de hoofdverzorger van de kinderen is geweest en dat zij in staat is om zonder ondersteuning van derden voor de kinderen te zorgen. Zij stelt voorts dat de man niet in staat is om zijn werk en de zorg voor de kinderen te combineren, terwijl de kinderen gelet op hun leeftijd constant toezicht nodig hebben. Bovendien zijn de kinderen bekend in [woonplaats b], kennen zij haar familie die daar woont en hebben zij daar al op de basisschool gezeten, aldus de vrouw.

De man heeft tegen deze stellingen verweer gevoerd.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep het in het rapport van 28 januari 2013 vermelde advies gehandhaafd, onder de aanvulling dat de vrouw mogelijk in de zomerperiode de kinderen vaker zal halen en brengen en de man in de winterperiode.

4.5.

Het hof ziet aanleiding om eerst het (incidenteel) hoger beroep van de vrouw te beoordelen.

Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep bestaan er thans ernstige zorgen omtrent de sociaal‑emotionele ontwikkeling van de kinderen. Met name Frederique kampt met loyaliteitsproblematiek als gevolg van een gebrek aan communicatie tussen partijen en een gebrek aan onderling vertrouwen. Met de Raad is het hof van oordeel dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats onder deze omstandigheden niet in het belang is van de kinderen. Het hof acht, anders dan de vrouw, niet aannemelijk dat de bij de kinderen geconstateerde problematiek zou verminderen, wanneer zij hun hoofdverblijfplaats bij haar zouden hebben. Volgens de Raad is de oorzaak van die problematiek immers gelegen in de voortdurende strijd tussen partijen.

Het hof acht voorts van belang dat de kinderen in hun eigen vertrouwde leefomgeving op [eiland] verblijven, waar zij het grootste gedeelte van hun leven hebben gewoond, waar zij vriendjes hebben en naar school en naar dansles gaan. Op grond van de raadsrapporten en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof, anders dan de vrouw stelt, aannemelijk geworden dat de man in staat is zijn werk met de zorg voor de kinderen te combineren. Ter zitting in hoger beroep heeft de Raad nader toegelicht dat tijdens een bezoek bij de man thuis is gebleken dat er voldoende toezicht is op de kinderen alsmede dat sprake is van een hechte gezinssituatie waarin de man op ontspannen wijze met de kinderen omgaat. Bovendien is er thans zowel een gezinsvoogd ten behoeve van de kinderen als een gezinsvoogd ten behoeve van partijen aangesteld, zodat zicht bestaat op de opvoedsituatie bij beide partijen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een aanvullend raadsonderzoek, zoals door de vrouw ter zitting in hoger beroep is verzocht.

Weliswaar heeft de Raad enige zorg over het combineren van de zorg voor de kinderen met de door de man in zijn fietsverhuurbedrijf te verrichten werkzaamheden gedurende de drukke periode in de zomer, maar de man heeft aannemelijk gemaakt dat hij in die periode – ook tijdens de schoolvakantie van de kinderen – een toereikend netwerk heeft voor eventuele opvang van de kinderen dan wel ondersteuning in het bedrijf. Bovendien is het bedrijf van de man naast zijn woning gelegen en kan hij makkelijk heen en weer lopen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof het in het belang van de kinderen niet wenselijk acht om hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw in [woonplaats b] te bepalen. Dit betekent dat de verzoeken van de vrouw in incidenteel appel zullen worden afgewezen.

4.6.

Met betrekking tot het (principaal) hoger beroep van de man constateert het hof dat dit uitsluitend is gericht tegen de bij de bestreden beschikking met betrekking tot de omgangsregeling bepaalde verdeling van het brengen en halen van de kinderen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man de stelling ingenomen dat de door de rechtbank vastgestelde breng- en haalregeling in het toeristische laagseizoen van november tot april geen problemen in verband met zijn bedrijf oplevert, maar dat dit wel het geval is in het hoogseizoen in de overige maanden, met name wanneer hij de kinderen bij de vrouw thuis in [woonplaats b] moet ophalen.

Het hof is met de Raad van oordeel dat partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid dienen te nemen voor het halen en brengen van de kinderen. Het is immers in het belang van de kinderen dat zij toestemming van hun vader voelen om hun moeder te zien en omgekeerd. Om die reden acht het hof het niet in het belang van de kinderen dat de overdracht op zondagen steeds halverwege de reis of in [plaatsnaam] zou plaatsvinden, zoals door de man is aangeboden.

Gelet op het voorgaande acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk dat de vrouw gedurende de ene helft van het jaar in het toeristische hoogseizoen de kinderen bij de boot op [eiland] zal halen en aldaar zal terugbrengen en dat de man gedurende de andere helft van het jaar in het toeristische laagseizoen de kinderen naar [woonplaats b] zal brengen en aldaar zal halen. De omstandigheid dat de man meer kosten moet maken in verband met de overtocht van zijn auto met de boot, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof zal derhalve de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepalen:

de vrouw en de kinderen zijn gerechtigd omgang met elkaar te hebben eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 15.30 uur, waarbij in de maanden april tot en met september de man de kinderen op vrijdag om 14.00 uur naar de boot op [eiland] zal brengen en aldaar aan de vrouw zal overdragen en de vrouw de kinderen op zondag om 15.30 uur met de boot naar [eiland] zal brengen en aldaar aan de man zal overdragen. In de maanden oktober tot en met maart zal de man de kinderen op vrijdag direct na school naar de vrouw in [woonplaats b] brengen en aldaar op zondag om 15.30 uur weer ophalen.

Met betrekking tot de voorstellen van de Raad om de kinderen gedurende de zomervakantie bij de vrouw te laten verblijven en om de vrouw elke woensdag alsmede in een weekeinde dat er geen omgang is, telefonisch contact met de kinderen te laten hebben, overweegt het hof dat partijen dit in hoger beroep niet hebben verzocht en evenmin hun verzoek in die zin hebben gewijzigd, zodat dit geen onderdeel uitmaakt van het geschil en het hof hierop dus geen oordeel kan geven.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij een omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen is bepaald van eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 14.00 uur tot zondagmiddag 15.30 uur, waarbij de man de kinderen op vrijdagmiddag naar de boot op [eiland] zal brengen en aldaar aan de vrouw zal overdragen en hij de kinderen op zondag om 15.30 uur bij de vrouw in [woonplaats b] zal ophalen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw en de kinderen gerechtigd zijn omgang met elkaar te hebben eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 15.30 uur, waarbij in de maanden april tot en met september de man de kinderen op vrijdag om 14.00 uur naar de boot op [eiland] zal brengen en aldaar aan de vrouw zal overdragen en de vrouw de kinderen op zondag om 15.30 uur met de boot naar [eiland] zal brengen en aldaar aan de man zal overdragen, en in de maanden oktober tot en met maart de man de kinderen op vrijdag direct na school naar de vrouw in [woonplaats b] zal brengen en aldaar op zondag om 15.30 uur weer zal ophalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, A. van Haeringen en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2013.