Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1852

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
200.123.799-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. [ appellante ] heeft niet gemotiveerd betwist dat zij overlast (waaronder een reëel gevaar voor brand) in het gehuurde heeft veroorzaakt en heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat de overlast tot het verleden behoort. Vonnis tot ontruiming bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.123.799/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : KK 13-72

arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2013

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. W.H. Boomstra te Amsterdam,

tegen:

de stichting

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. T.W. Jaburg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Eigen Haard genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 8 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, teams kanton (hierna: de kantonrechter), van 12 februari 2013 gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellante] als gedaagde. De dagvaarding bevat de grief.

Daarna heeft Eigen Haard een memorie van antwoord ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van Eigen Haard zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

Eigen Haard heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1. de feiten opgenoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

2.1.1.

[appellante] huurt sedert 26 april 2010 van Eigen Haard de woning aan het[adres 1]. Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Woonruimte d.d. 1 oktober 2008 van toepassing. Artikel 10 lid 1 van die voorwaarden luidt: “Huurder gebruikt het gehuurde als een goed huurder overeenkomstig de bestemming woonruimte. Goed huurderschap houdt ook in dat huurder zich in de omgang met verhuurder en omwonenden op een correcte wijze gedraagt.”

2.1.2.

Voordat [appellante] de onderhavige woning huurde, huurde zij van Eigen Haard de woonruimte [adres 2]. Eigen Haard heeft destijds een overlastdossier opgebouwd naar aanleiding van een klacht in 2008. De overlast betrof geluidsoverlast door muziek, verbandhoudende met het drankprobleem van [appellante]. Het dossier is gesloten omdat [appellante] toen een behandeling heeft ondergaan voor haar alcoholisme en daarna zou verhuizen naar [adres 1], haar huidige woning.

2.1.3.

Sedert juli 2010 heeft Eigen Haard diverse klachten van buren ontvangen met betrekking tot overlast als gevolg van aanloop van daklozen en stank als gevolg van gebruik van softdrugs. Naar aanleiding van deze klachten heeft Eigen Haard huisbezoeken bij [appellante] afgelegd in samenwerking met hulpverlenende instanties en de buurtregisseur.

2.1.4.

In de periode juni 2011 tot en met oktober 2011 heeft Eigen Haard informatie van het meldpunt Oud-West, Stadsdeel West van de Gemeente Amsterdam en de politie ontvangen over overlast van [appellante] en haar bezoekers. Ook Mentrum wordt bij de problematiek van de overlast van [appellante] en haar bezoekers betrokken.

2.1.5.

Op 11 december 2011 heeft Eigen Haard een e-mail ontvangen van de bewonerscommissie [adres 1], waarin wederom overlast door [appellante] wordt gemeld. In afwezigheid van [appellante] zijn de ruiten aan de voorkant van de woning van [appellante] ingegooid door één van de personen die volgens de bewoners overduidelijk op zoek was naar [appellante]. Verder wijzen zij erop dat er een reëel gevaar voor brand is. De bewonerscommissie geeft aan dat volgens haar [appellante] niet in staat is zelfstandig “in de gangbare sociale mores te participeren”.

2.1.6.

Naar aanleiding van die klacht en een huisbezoek van Eigen Haard en de Sociaal verpleegkundige heeft Eigen Haard bij brief van 22 december 2011 [appellante] gewaarschuwd zich aan de afspraken te houden, zoals het niet meer toelaten van kennissen die overlast geven.

2.1.7.

Op 24 maart 2012 heeft de bewonerscommissie zich wederom tot Eigen Haard gericht met klachten over overlast van bezoekers van [appellante].

2.1.8.

Bij brief van 30 juli 2012 heeft Eigen Haard, onder verwijzing naar de brief van 22 december 2011, [appellante] gesommeerd zich te houden aan de afspraken, bij gebreke waarvan Eigen Haard zich genoodzaakt zou zien een gerechtelijke procedure te starten ter beëindiging van de huurovereenkomst.

2.1.9.

In augustus 2012 wordt Eigen Haard geïnformeerd door Mentrum dat [appellante] voor de duur drie maanden een gedragscontract heeft afgesloten. [appellante] is door Mentrum gewezen op de consequentie ingeval zij niet zou meewerken.

2.1.10.

Ondanks dat contract heeft Eigen Haard wederom klachten gekregen van buurtbewoners over overlast van bezoek van [appellante] en glasafval in het trappenhuis.

2.1.11.

Op 6 september 2012 is er (wederom) brand ontstaan in de woning, als gevolg van een pan die op het vuur stond terwijl [appellante] en een bezoeker sliepen.

2.1.12.

In een gezamenlijk overleg van medewerkers van Mentrum, het Leger des Heils, Eigen Haard, de GGD en het Meldpunt Oud-West - een samenwerkingsverband van diverse hulpinstanties - is begin oktober 2012 geconcludeerd dat [appellante] niet in staat is zelfstandig te wonen en dat de veiligheid en het woongenot van de omwonenden voorop moet staan. Overeengekomen wordt dat met behulp van Mentrum en het Leger des Heils [appellante] in de gelegenheid wordt gesteld vervangende woonruimte te zoeken. [appellante] is hiervan per brief op de hoogte gesteld.

2.1.13.

Op 25 oktober 2012 heeft de buurvrouw gemeld dat [appellante] haar heeft gedreigd brand te stichten en huisdieren te vergiftigen.

2.1.14.

Bij brief van 31 oktober 2012 heeft het Meldpunt Oud-West aan [appellante] geschreven dat zij haar interventie heeft beëindigd. Een degelijke Einde Interventie Verklaring wordt afgegeven als de extreme overlast niet of onvoldoende afneemt en de deelnemers van het Meldpunt het erover eens zijn dat deze overlast niet te verhelpen is met de middelen die hen ter beschikking staan.

2.1.15.

In december 2012 heeft de politie vanwege zwaarwegend algemeen belang informatie uit het politiesysteem met betrekking tot de overlast in en om de woning van [appellante] aan Eigen Haard doen toekomen.

2.1.16.

Bij brief van 13 december 2012 heeft Eigen Haard [appellante] dringend verzocht, ter voorkoming van een gerechtelijke procedure tot ontruiming, de huurovereenkomst op te zeggen. [appellante] heeft aan dat verzoek niet voldaan.

3 Beoordeling

3.1

Eigen Haard heeft in eerste aanleg als voorziening gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld de woning aan [adres 1] 64 te Amsterdam binnen 7 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen, met machtiging van Eigen Haard de ontruiming zelf te bewerkstelligen met hulp van de sterke arm, met kostenveroordeling. De kantonrechter heeft de gevraagde voorziening toegewezen. Tegen dat oordeel komt [appellante] in hoger beroep op.

3.2

[appellante] heeft, onder het hoofdje “inleiding en achtergrond” onder meer enkele overwegingen van de kantonrechter aangehaald en vervolgens betwist dat er van enige overlast sprake is. Als er al enige overlast is geweest, aldus [appellante], behoort dit tot het verleden.

3.3

De grief faalt. [appellante] heeft de feiten die de kantonrechter bij de voorziening als uitgangspunt heeft genomen, en waaruit genoegzaam volgt dat er sprake is geweest van overlast, niet gemotiveerd betwist. Zij heeft ook geen andere feiten gesteld die tot onderbouwing strekken van haar bewering dat er geen sprake is geweest van overlast. Evenmin heeft zij enig feit gesteld ter onderbouwing van haar verweer dat de eventuele overlast tot het verleden behoort. Daarmee heeft zij niet voldaan aan haar verplichting de stellingen van Eigen Haard voldoende gemotiveerd te betwisten. In het petitum van de appeldagvaarding is verder weliswaar aangevoerd dat de eis “op nader aan te voeren gronden” wordt gedaan, maar [appellante] heeft geen nadere gronden aangevoerd. Haar grief faalt daarom.

3.4

Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 683,00 aan verschotten en € 894,00 voor salaris;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, C.C. Meijer en M.W.E. Koopmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.