Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1846

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
200.073.062-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bouwzaak. Geen verzuim zonder ingebrekestelling. Stilleggen werd door gemeente brengt niet automatisch mee dat aannemer tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om de aanneemovereenkomst na te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.073.062/01

rol-/zaaknummer rechtbank Alkmaar : 100470 / HA ZA 08-147

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te[woonplaats], gemeente[gemeente],

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULTI-BOUWSYSTEMEN B.V.,

gevestigd te Soest,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. van Dijk te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en MBS genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 24 augustus 2010 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 17 september 2008, 26 november 2008 en 11 augustus 2010.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven met producties, tevens wijziging eis;

  • -

    memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 6 maart 2012 doen bepleiten, [appellant] door mr. F.E. de Neef, advocaat te Amsterdam, en MBS door mr. Van Dijk voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Na pleidooi is de behandeling geschorst in verband met de wens te onderzoeken of een regeling in der minne mogelijk was. Daartoe hebben partijen ter plaatse van de woning onderzoek gedaan en heeft op 12 oktober 2012 in het Paleis van Justitie ten overstaan van mr. W.J. Noordhuizen een comparitie van partijen plaatsgevonden waartoe partijen stukken aan het hof hebben toegezonden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de conventionele vordering van MBS zal afwijzen en voorts MBS zal veroordelen tot schadevergoeding ad € 252.853, te vermeerderen met € 36.030,58 kostenvergoeding, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2011 en met veroordeling van MBS tot vergoeding van (verdere) schade, nader op te maken bij staat, met beslissing over de proceskosten.

MBS heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

Tussen [appellant] (als opdrachtgever) en MBS (als aanneemster) is een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met betrekking tot de bouw van een kelder die onderdeel is van de nieuw te bouwen woning van [appellant]. De aanneemsom bedroeg € 147.750, (ex btw). De overeenkomst is gesloten door acceptatie door [appellant] van de door MBS schriftelijk uitgebrachte offerte van 10 juli 2006.

2.2.

Tijdens de uitvoering van de bouw is tussen partijen een geschil ontstaan over het aanbrengen van zogenaamde neuzen (uitstekende delen van de kelderwand waarop de buitenmuren van de woning zouden komen te rusten) en een entreeplaat. Partijen zijn naar aanleiding daarvan (nader) overeengekomen dat MBS de neuzen en de entreeplaat tijdens de laatste fase van het bouwproces, waarin het dek van de kelder zou worden gemaakt, zou leveren en monteren.

2.3.

Bij brief van 5 juli 2007 schreef [appellant] kort gezegd – aan MBS dat hij had vernomen van haar projectleider dat MBS het werk wilde stilleggen als [appellant] niet voor eigen rekening kozijnen in de betonplaten van MBS zou laten zagen. Voorts refereert [appellant] in de brief aan afspraken omtrent de kosten van meer- en minderwerk die door MBS niet nagekomen zouden worden. Als MBS inderdaad het werk neerlegt, aldus [appellant], zal hij de overeenkomst voor de toekomstige verbintenissen ontbinden en schadevergoeding vorderen.

2.4.

MBS heeft op 23 juli 2007 een (voorlopige) planning van het laatste deel van de werkzaamheden gemaakt, uitgaande van oplevering van het werk medio week 35 (omstreeks 29 augustus 2007).

2.5.

Op 9 augustus 2007 heeft de onderaannemer van MBS het eerste deel van de betonvloer van het dek van de kelder gestort.

2.6.

Op 12 augustus 2007 stuurde [appellant] per e-mail een aantal foto’s van het werk, met daarop zichtbaar de half gestorte vloer, aan MBS en beklaagde hij zich over het werk. Verder deelde [appellant] aan MBS mee haar te zullen houden aan de tussen partijen gemaakte afspraken en sprak [appellant] de verwachting uit dat uiterlijk de volgende dag (maandag) een passende oplossing zou worden gevonden door MBS.

2.7.

Op 14 augustus 2007 heeft de onderaannemer het tweede deel van de vloer gestort. In de betonlaag is scheurvorming opgetreden. Een inspecteur van bouw- en woningtoezicht van de gemeente heeft kort na 14 augustus 2007 het werk stilgelegd en onderzoek gelast naar de constructieve hechtheid van de vloer. Voorts vroeg bouw- en woningtoezicht om constructieberekeningen van de nog te maken neuzen.

2.8.

Op 4 september 2007 heeft MBS de gevraagde gegevens bij de gemeente ingeleverd, te weten de constructieberekeningen van de neuzen en een in haar opdracht vervaardigd expertiserapport van Nebest van 29 augustus 2007 met betrekking tot de scheuren in het beton. Volgens Nebest vertoont de betonnen vloer (wilde) scheuren die vaker voorkomen bij het gekozen vloertype en het toegepaste bouwproces. Geadviseerd werd de vloer te herstellen door het openslijpen van de scheuren en het afgieten daarvan met een vulmiddel.

2.9.

Bij e-mail van 4 september 2007 heeft MBS aan [appellant] aangeboden om de scheuren te laten herstellen zoals aangegeven in het rapport van Nebest en dat te laten doen door het bedrijf dat de vloer heeft gestort.

2.10.

[appellant] heeft per e-mail van 5 september 2007 dat aanbod afgewezen.

2.11.

Bij brief van 6 september 2007 heeft [appellant] de overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden en MBS verboden nog werkzaamheden uit te voeren en heeft hij zich op opschorting en verrekening beroepen met betrekking tot eventueel resterende betalingsverplichtingen aan MBS.

2.12.

[appellant] heeft de werkzaamheden die tot het door MBS aangenomen werk behoorden maar door haar na ontbinding niet meer uitgevoerd zouden worden opgedragen aan de heer Kieviet, de voormalige projectleider van MBS die inmiddels voor zichzelf begonnen was.

2.13.

MBS heeft bij factuur van 21 september 2007 de laatste termijn van € 34.629, (inclusief btw) in rekening gebracht. Daarbij heeft MBS een korting op de oorspronkelijk overeengekomen laatste termijn toegepast van € 5.000, in verband met minderwerk ten gevolge van de ontbinding van de overeenkomst.

3 Beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis de vordering (in conventie) van MBS grotendeels toegewezen. In reconventie werd een klein deel van de vordering van [appellant] toegewezen. De rechtbank overwoog daartoe, samengevat, dat [appellant] niet bevoegd was de overeenkomst op 6 september 2007 te ontbinden omdat MBS niet in verzuim was gekomen. Voorts overwoog de rechtbank dat het aanbrengen van neuzen en een entreeplaat niet tot (nader) overeengekomen werk behoorde dat met een slottermijn van € 30.000, zou zijn voldaan, zodat de korting wegens minderwerk van € 5.000, die in de slotfactuur door MBS was verwerkt volstond en [appellant] de volledige slotfactuur van € 34.629, verschuldigd was. In reconventie werden de kosten van het deskundigenrapport ad € 916,30 ten laste van MBS toegewezen. De kosten in verband met het injecteren van de kelderwanden en het zwembad met waterdicht gel werden niet toegewezen omdat de rechtbank oordeelde dat dit niet tot het aangenomen werk behoorde. Ook de gevorderde verletkosten werden, als niet onderbouwd, afgewezen, zoals ook de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.

3.2.

[appellant] komt tegen deze oordelen op met acht grieven.

Volgens grief I volgt uit de overeenkomst dat het dek al na verloop van twee weken nadat de kelderelementen voor aflevering en montage gereed waren, zou worden aangelegd. Rekening houdend met het aanbrengen van de neuzen en de afdekplaat zou MBS binnen circa vier weken na aanvang het werk hebben moeten kunnen opleveren. Tijdens het regelingsoverleg van 19 juli 2007 is duidelijk geworden, dat MBS zich ertoe had verbonden het resterende deel van haar werk ononderbroken voort te zetten. Overeenkomstig de planning heeft MBS de wapening aangelegd. Maar de cementdekvloer is op 9 augustus 2007 gestort waarbij bovendien niet in één maar in twee keer werd gestort en het beton niet voldoende heeft kunnen nadichten en is verzuimd het beton tijdens het drogen voldoende te isoleren. MBS heeft geen deugdelijke dekvloer afgestort, waardoor niet is voldaan aan de verplichting het werk op aaneengesloten dagen uit te voeren zonder verdere vertraging van de bouw te veroorzaken. De nakoming van de verplichting door MBS was dus (toen) tijdelijk en (nu) blijvend onmogelijk. De bouwstop bracht op zijn minst tijdelijke onmogelijkheid mee. [appellant] had MBS overigens bij brief van 5 juli 2007 in gebreke gesteld en bij e-mail van 12 augustus 2007 opnieuw een termijn gesteld voor nakoming. Onder grief II klaagt [appellant], verwijzend naar grief I, erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij gehouden is de overeenkomst na te komen en hij de kosten van Kieviet zelf moet betalen. Grief III sluit hierop aan met het betoog dat de rechtbank ten onrechte het egaliseren van de vloer en het aanbrengen van een bitumen laag voor rekening van [appellant] liet. Subsidiair stelt [appellant] dat, ook als hij niet gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, MBS de met het egaliseren van de vloer en aanbrengen van een bitumen laag gemoeide kosten niet aan MBS hoeft te betalen omdat deze die werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en als minderwerk moet verrekenen.

Naar luid van grief IV heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de kosten van het injecteren van de muren voor rekening van [appellant] moeten blijven. MBS had zich er immers toe verboden een waterdichte zwembadbak, machineruimte en souterrain te maken. De door MBS aangebrachte coating hield de kelder niet droog. Dat het injecteren niet in de overeenkomst wordt vermeld, doet er niet toe.

Grief V betreft de rentevergoeding van 1% per maand. Het beding in de algemene voorwaarden waarin die vergoeding is opgenomen is onredelijk bezwarend. [appellant] heeft ook geen mogelijkheid gehad bij of voor het sluiten van de overeenkomst kennis te nemen van de algemene voorwaarden.

Grief VI klaagt erover dat de schadevergoeding werd afgewezen. De kelder was niet waterdicht toen [appellant] de overeenkomst ontbond terwijl, in de lezing van MBS, alleen de neuzen en de entreeplaat nog moesten worden gemaakt en de scheuren aangeheeld. De kelder zoals MBS die heeft gemaakt, is niet bestand tegen de (grond)waterdruk.

Grief VII behelst een klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet voldoende gemotiveerd gesteld is dat de neuzen niet als meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Dat was bij het regelingsoverleg wel overeengekomen.

Grief VIII is een veeggrief.

3.2.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is afgesproken dat het hof eerst zal oordelen over de juridische geschilpunten maar dat het, alvorens te beslissen over geschilpunten die uit de bouwtechnische rapportages, met name het rapport van André Jongenelen dat is gevoegd bij de brief van 1 oktober 2012, voortvloeien, partijen eerst in de gelegenheid zal stellen zich daarover in een nadere memorie uit te laten. Een en ander mede met het oog op de vraag of partijen ter besparing van kosten het geschil alsnog willen regelen.

3.3.

Allereerst is de vraag aan de orde die de rechtbank in haar tussenvonnis van 17 september 2008 in negatieve zin heeft beantwoord, namelijk of MBS in verzuim is gekomen en [appellant] de overeenkomst op 6 september 2007 mocht ontbinden.

Het hof is van oordeel dat zonder nadere omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn uit hetgeen partijen op grond van de geaccepteerde offerte van 10 juli 2006 over en weer van elkaar mochten verwachten en begrijpen niet volgt, dat partijen een termijn zijn overeengekomen waarop het werk van MBS klaar zou moeten zijn. Hoe uit de in de overeenkomst omschreven levertijden volgt, dat MBS binnen “circa” vier weken na aanvang van het werk (7 mei 2007) “moet kunnen” opleveren, wordt onvoldoende duidelijk gemaakt, nog afgezien ervan dat een dergelijk verwijt te onbepaald is om als fataal te kunnen gelden. Onder het kopje “Levertijd” in de offerte staan geen duidelijk afgebakende termijnen. Dat voor alle betrokkenen duidelijk was dat stagnatie onaanvaardbaar zou zijn, brengt niet vanzelf mee, dat dus een fatale termijn met MBS is overeengekomen. Dat nadien tijdens het regelingsoverleg van 19 juli 2007 werd afgesproken dat de dekvloer zo spoedig mogelijk zou worden gestort betekent, zonder nadere, niet gestelde, omstandigheden, evenmin dat partijen toen een fatale termijn zijn overeengekomen. Of MBS heeft toegezegd dat zij haar werkzaamheden na 19 of 23 juli 2007 in een aaneengesloten tijdvak zou uitvoeren en/of dat ook in een planning van 26 juli 2007 is opgenomen, is wederom zonder nadere omstandigheden niet van doorslaggevend belang voor het antwoord op de vraag of partijen een fatale termijn zijn overeengekomen en MBS door louter tijdsverloop en zonder in gebrekestelling in verzuim is gekomen.

Of MBS is tekortgeschoten in de deugdelijke nakoming van de verbintenis tot het (doen) storten van de cementdekvloer op 9 augustus 2007 is (mede) een bouwtechnische kwestie, waarover het hof op grond van de afspraak ter comparitie nog geen oordeel zal geven. Het hof zal daarom ook nog niet oordelen over de vraag of door een tekortschieten in de nakoming van de verplichting de dekvloer naar de eis van goed en deugdelijk werk af te storten, verdere vertraging in de uitvoering van het werk is ontstaan waardoor MBS zonder in gebrekestelling in verzuim is geraakt. Voorshands is het hof overigens van oordeel dat dit niet voor de hand ligt, omdat MBS de rest van het huis niet zou bouwen en partijen geen fatale termijn zijn overeengekomen waarop het werk van MBS klaar zou zijn. Als de dekvloer niet voldeed, dan zou MBS eerst in de gelegenheid moeten zijn gesteld dat gebrek te verhelpen. Daartoe is zij niet in de gelegenheid gesteld nu [appellant] het aanbod van MBS om de vloer te herstellen op 5 september 2007 heeft afgewezen en de overeenkomst de dag daarna heeft ontbonden. Of [appellant] zich daarbij rechtens op het standpunt mocht stellen dat hij geen vertrouwen in het voorgestelde herstelwerk had en in dit verband zich op het standpunt mocht stellen dat aanmaning in de zin van artikel 6:82 lid 2 nutteloos zou zijn, hangt deels weer af van een bouwtechnische kwestie.

3.4.

Vervolgens is de vraag aan de orde of MBS tijdelijk in de onmogelijkheid verkeerde om haar verplichtingen na te komen waardoor een verzuim is ingetreden op grond waarvan [appellant] gezien het bepaalde in artikel 6:265 BW gerechtigd was de overeenkomst op 6 september 2007 te ontbinden.

Daartoe is op grond van artikel 6:81 BW nodig dat de prestatie die MBS moet leveren, uitblijft nadat die opeisbaar is geworden en de vertraging haar kan worden toegerekend. Zoals hierboven is overwogen, zijn partijen evenwel geen fatale termijn overeengekomen. Van een opeisbare verplichting om het overeengekomen werk op te leveren was op het moment dat dat werd stilgelegd, bij gebrek aan een ingebrekestelling, geen sprake. De bouw van de kelder door MBS was geen duurverplichting die door de bouwstop automatisch niet kon worden nagekomen. Dat overeengekomen was dat MBS “onafgebroken” zou doorwerken en MBS daarmee door de bouwstop in verzuim is gekomen, is niet voldoende gemotiveerd gesteld en volgt in ieder geval niet uit het door [appellant] overgelegde document getiteld: “Voorlopige planning” en/of uit de stellingen dat – kort gezegd – alle betrokkenen erop gericht waren het werk zo spoedig mogelijk af te ronden. Een en ander nog afgezien van de vraag of de bouwstop aan MBS kan worden toegerekend, hetgeen zij ontkent. MBS heeft zich ingespannen de in haar ogen ongegronde bouwstop te doen opheffen toen [appellant] de overeenkomst ontbond. Op het bouwtechnische punt of de bouwstop gerechtvaardigd was hoeven partijen zich dus niet meer uit te laten.

3.5.

[appellant] beroept zich voorts erop dat hij MBS bij brief van 5 juli 2007 en nadien bij e-mail van 12 augustus 2007 wel degelijk in gebreke heeft gesteld. In de brief van 5 juli 2007 sommeert [appellant] MBS om de werkzaamheden voort te zetten in het licht van het feit dat [appellant] van de projectleider van MBS zou hebben vernomen dat zij de bouw stil wil leggen als [appellant] niet voor eigen rekening kozijnen uit de betonplaten van MBS laat zagen, aldus [appellant]. Aangezien MBS het werk evenwel niet (zelf) heeft stilgelegd, volstaat de brief niet als ingebrekestelling met betrekking tot de nakoming van de overeenkomst, althans heeft [appellant] met deze brief kennelijk zijn toenmalige doel bereikt. De e-mail van 12 augustus 2007 behelst evenmin een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW nu in de e-mail geen termijn wordt gesteld waarbinnen MBS de verbintenissen moet nakomen.

3.6.

Het voorgaande brengt mee dat grief I voorshands faalt. Dat geldt ook voor het eerste deel van grief II waar [appellant] erover klaagt dat hij gehouden is de overeenkomst met MBS (tot datum ontbinding) na te komen. Voor zover grief II ingaat op werk dat MBS nog correct diende uit te voeren, maar dat ten onrechte niet heeft gedaan, stuit die voorshands af op het oordeel van het hof dat MBS ten onrechte niet in gebreke is gesteld en dus niet in verzuim is gekomen omdat zij het werk zelf niet meer heeft mogen uitvoeren. Dat geldt ook voor grief III voor zover het slagen daarvan door [appellant] onder 32 van de memorie van grieven afhankelijk wordt gesteld van het slagen van grief I.

3.7.

In grief III wordt voorts aangevoerd dat MBS de kosten van het egaliseren (kennelijk het aanbrengen van een zand-cementdekvloer) van de in rekening gebrachte werkzaamheden moet aftrekken, omdat dat werk wel is aanbesteed maar niet is uitgevoerd. [appellant] verwijst daartoe naar het feit dat MBS na het storten van de dekvloer grote hoeveelheden egalisatiemortel op het werk heeft aangevoerd. MBS betwist dat het egaliseren is aangeboden en overeengekomen. Zij voert aan dat de egalistatiemortel op het werk werd gebracht om te kunnen voldoen aan de door Nesbet voorgestelde reparatiewerkzaamheden aan de betonplaat.

3.8.

Dat is overeengekomen dat, los van de door MBS aangeboden reparatie van eventuele gebreken aan de betonplaat, MBS het werk zou egaliseren, is onvoldoende gemotiveerd gesteld. De geaccepteerde offerte maakt daarvan geen melding. Dat wordt ook niet gesteld. Het aanbod om de eigenaar van het bedrijf Piba in dit verband als getuige te doen horen is onvoldoende concreet ten aanzien van de te bewijzen stelling. Het betoog en het daarop betrekking hebbende aanbod van getuigenbewijs, “dat de werkzaamheden van Piba geen betrekking hadden op het aanbrengen van een zand-cementvloer, die hoe dan ook had moeten worden aangebracht nadat MBS haar werkzaamheden (w.o. de onderhavige betonvloer) had voltooid, maar wel degelijk op het voltooien van het werk door MBS” is te vaag en overigens blijkt de relevantie daarvan voor de vraag of sprake is minderwerk ten gevolge van de ontbinding van de overeenkomst niet voldoende duidelijk. Het hof merkt hierbij op dat het hier gaat, zoals gezegd, om hetgeen overeengekomen is tussen MBS en [appellant], en dat uit hetgeen te bewijzen is aangeboden, niet blijkt dat de getuige daarover kan verklaren.

3.9.

Aan het betoog van [appellant] met betrekking tot een benodigde extra afwerklaag (bitumen/isolatielaag) om aan de wensen van de gemeente in het kader van de bouwstop tegemoet te komen, kan worden voorbijgegaan omdat [appellant] de overeenkomst heeft ontbonden zonder dat MBS, die had aangeboden eventuele gebreken in de betonlaag te verhelpen, in verzuim is komen te verkeren. Het hof merkt in dit verband nog op dat de in de memorie van grieven van 19 juli 2011 onder 36 aangekondigde brief van de gemeente met betrekking tot dit punt noch bij pleidooi noch bij comparitie van 12 oktober 2012 is overgelegd. Dat deze extra laag tot het geoffreerde en aangenomen werk behoorde is ook niet voldoende gemotiveerd gesteld in het licht van de omstandigheid dat dit werk niet in de offerte staat en evenmin duidelijk is waarom het tot het overeenkomen meerwerk met betrekking tot de neuzen en de entreeplaat zou behoren. Het bewijsaanbod is niet relevant en wordt daarom gepasseerd.

3.10.

Grief IV stuit evenzeer af op het feit dat niet voldoende gemotiveerd is gesteld dat het injecteren tot de overeengekomen werkzaamheden behoort. [appellant] erkent ook dat het zou kunnen zijn dat dit niet in de oorspronkelijke overeenkomst was opgenomen. Voor het overige geldt dat MBS ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld eventuele gebreken in de waterdichtheid, voor zover die na uitvoering van de werkzaamheden zouden blijken, zelf op te lossen. Nu MBS niet in verzuim is geraakt, kan [appellant] de kosten die voor MBS zouden zijn verbonden aan het oplossen van een eventueel gebrek, niet als minderwerk van MBS vorderen.

3.11.

MBS betoogt in het kader van grief V dat de algemene voorwaarden als bijlage zijn bijgevoegd bij de offerte. Nu [appellant] dat betwist rust op MBS in beginsel de verplichting te bewijzen dat de voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [appellant] ter hand zijn gesteld. Het hof zal die bewijsopdracht nog niet aan MBS verstrekken, nu partijen zich eerst nog moeten uitlaten over de bouwtechnische rapportages en met name het rapport van André Jongenelen. Wel overweegt het hof reeds nu dat niet voldoende gemotiveerd gesteld is dat het gevorderde rentepercentage van 1% per maand zodanig hoog is dat, los van de ter handstelling van de voorwaarden, het beding al wegens de onredelijke bezwarendheid daarvan vernietigbaar is of het inroepen daarvan onaanvaardbaar is.

3.12.

Grief VI stuit weer af op het oordeel dat [appellant] MBS in gebreke had moeten stellen alvorens hij de overeenkomst ontbond. Zonder verzuim komt de vordering tot schadevergoeding in dit geval niet voor toewijzing in aanmerking. [appellant] kan ten aanzien van de door hem genoemde gebreken in de waterdichtheid van de kelder, MBS niet alsnog in verzuim stellen met betrekking tot een door hemzelf ontbonden overeenkomst en bij gebreke van nakoming van die ontbonden overeenkomst schadevergoeding vorderen.

3.13.

Door MBS wordt erkend dat tussen partijen is afgesproken dat zij het meerwerk met betrekking tot het aanbrengen van de neuzen voor haar rekening zou nemen, zoals [appellant] in grief VII aanvoert. Dat valt volgens MBS onder de verleende korting van € 5.000,. Dat het meerwerk tot een hogere korting had moeten leiden wordt door [appellant] niet voldoende gemotiveerd gesteld zodat de grief faalt.

3.14.

Grief VIII heeft geen zelfstandige betekenis zodat het hof die onbesproken zal laten.

3.15.

Het hof zal iedere beslissing verder aanhouden en de zaak naar de rol verwijzen. Partijen kunnen ervoor kiezen zich bij nadere memorie uit te laten over de bouwtechnische rapportages, met name het rapport van André Jongenelen. Partijen kunnen er vanzelfsprekend ook voor kiezen om, met het oordeel van het hof, nog eens in nader overleg te treden en daartoe desgewenst ook om een comparitie te vragen. Daartoe hoeven partijen geen nadere memorie te nemen maar kunnen zij volstaan met een (gelijktijdig te nemen) akte strekkende tot doorhaling van de zaak in afwachting van de uitkomst van verdere onderhandelingen of verzoek tot het houden van een comparitie.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 23 juli 2013 voor nadere memorie zijdens [appellant] als bedoeld in rechtsoverweging 3.15;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, W.J. Noordhuizen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.