Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
200.044.688-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 3 juli 2012. Abattoir acht de geïntimeerde betrokken bij heling van Abattoir gestolen slachtafval en boycot verdere slachtopdrachten van haar. De vordering van Abattoir tot schadevergoeding wegens de onrechtmatige daad van de geïntimeerde is door de eerste rechter afgewezen, de vordering van de geïntimeerde tot schadevergoeding wegens de boycot toegewezen. Nadere instructies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2013/1
JONDR 2013/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.044.688/01 en 200.069.083/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 382741 / HA ZA 07-2938

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 juni 2013

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABATTOIR AMSTERDAM B.V.

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

2. de vennootschap onder firma AMECO V.O.F.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCB AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante sub 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. C.I.M. Molenaar, te Amsterdam,

t e g e n

de vennootschap onder firma

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.N. Maaskant, te Hoofddorp.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna Abattoir c.s., respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 4] , en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 3 juli 2012 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest hebben Abattoir c.s. een akte genomen op de rol van 28 augustus 2012. [geïntimeerde] heeft bij antwoordakte van 25 september 2012 gereageerd.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof heeft in zijn tussenarrest ambtshalve aan de orde gesteld dat in de zaken met rolnummers 200.044.688/01 en 200.069.083/01 [A] en [B] geen procespartijen zijn. Abattoir c.s. onderkennen dat [A] en [B] abusievelijk als procespartij zijn aangeduid. Zij hebben de kop van hun akte van 28 augustus 2012 aangepast. Dat heeft ook [geïntimeerde] gedaan in haar akte van 25 september 2012. De antwoordakte van 25 september 2012 is niet ook namens [A] en [B] genomen.

Het hof gaat er daarom vanuit dat sprake is van een kennelijke vergissing. Die is in de kop van dit arrest tot uitdrukking is gebracht.

[geïntimeerde] zelf heeft geen belang bij de gevorderde niet-ontvankelijk verklaring van Abattoir c.s. in hun appel tegen [A] en [B] . Overigens zijn door [A] en [B] separaat geen proceskosten gemaakt zodat er ook in zoverre geen belang bij niet-ontvankelijkverklaring van Abattoir c.s. bestaat.

2.2.

Zoals in rechtsoverweging 3 van het tussenarrest is aangegeven, heeft de rechtbank een bedrag van € 20.700,00 aan [geïntimeerde] toegewezen als schadevergoeding in verband met de boycot door Abattoir. De door Ameco, VCB en [appellante sub 4] gevorderde verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat is afgewezen. De boycot van [geïntimeerde] , zoals aangekondigd in de brief van 8 december 2006, wordt door Abattoir gerechtvaardigd met het betoog dat [geïntimeerde] op 6 december 2006 heimelijk in samenwerking met [X] ongeveer 30 kratten met slachtresten, die in eigendom aan Ameco toebehoorden, heeft gestolen waardoor de vertrouwensrelatie geschonden is. Ameco, VCB en [appellante sub 4] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] zich vanaf begin 2006 schuldig heeft gemaakt aan het in heimelijke samenwerking met [X] wederrechtelijk toe-eigenen, althans het verduisteren, dan wel het bieden van gelegenheid daarvoor, althans het helen van slachtresten en/of vleesproducten die aan Ameco toebehoorden. Ter onderbouwing van die stelling wijzen Abattoir c.s. erop dat personeel van Ameco zag dat [X] op bovengenoemde datum kratten met slachtafval wegvoerde van de bedrijfsruimte van Ameco naar de toegangsdeur van [geïntimeerde] en dat deze vervolgens door één van de gebroeders [geïntimeerde] naar binnen werden gehaald (verklaring mr. Molenaar, proces-verbaal comparitie na antwoord). [B] heeft erkend dat de kratten van Ameco waren. [X] heeft verklaard dat hij de vleesproducten aan [geïntimeerde] verkocht en betaald werd door [A] (conclusie van eis in tussenkomst onder 7 e.v. alsmede conclusie van antwoord onder 8 e.v., steeds met verwijzing naar de aangifte van [Y] , productie 6 inleidende dagvaarding). [X] heeft in eerste instantie verklaard samen te hebben gewerkt met [geïntimeerde] . Inkoop- en verkoopfacturen met betrekking tot runderslachtafval van [geïntimeerde] komen verder niet overeen (verklaring mr. Molenaar, proces-verbaal comparitie na antwoord). [geïntimeerde] manipuleert facturen om steun te bieden aan het verweer dat zij wel in runderslachtafval handelt (antwoordakte 18 februari 2009 zijdens Abattoir c.s. onder 1 en akte houdende verzoek tot herroeping van 4 november 2009). Verbij kocht van 1 september tot en met 6 december 2006 gestolen producten van Ameco van [X] . De bakken met die producten stonden bij [geïntimeerde] in de bedrijfsruimte. Gedurende de jaren 2004 tot en met 2006 stonden (regelmatig) kratten met nummer 68 van Ameco ( [Z] ) met slachtafval in de bedrijfsruimte van [geïntimeerde] . Verbij heeft gezien dat de gebroeders [geïntimeerde] en/of haar werknemers product in de bakken voor verkoop prepareerden/vacumeerden (akte houdende verzoek tot herroeping van 4 november 2009). Deze stellingen zijn herhaald in hoger beroep.

2.3.

[geïntimeerde] ontkent betrokkenheid bij het handelen van [X] .

2.4.

Het hof stelt voorop dat de boycot mogelijk gerechtvaardigd was, als [geïntimeerde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van slachtafval van Ameco. Dat is immers de reden die Abattoir aan de boycot en Ameco, VCB en [appellante sub 4] aan hun vorderingen bij conclusie van eis in tussenkomst in eerste aanleg ten grondslag hebben gelegd.

Het hof merkt echter op dat enig onrechtmatig handelen van een vennoot van een vennootschap onder firma niet automatisch een onrechtmatig handelen van de vennootschap zelf oplevert. Voor de vraag of een onrechtmatig handelen of nalaten van een vennoot aan de vennootschap kan worden toegerekend is nodig dat de betreffende gedraging plaatsvindt bij de vervulling van de vennootschappelijke werkzaamheden waarop de vennootschap in concreto gericht is en in het maatschappelijk verkeer als gedraging van die vennootschap heeft te gelden.

2.5.

Gesteld noch gebleken is dat een ondergeschikte van [geïntimeerde] de diefstal samen met [X] heeft gepleegd. De losse opmerking dat werknemers bakken, genummerd 68, met slachtafval prepareerden is daartoe onvoldoende. Evenmin is gesteld of gebleken dat [X] een niet ondergeschikte is, die in opdracht van [geïntimeerde] werkzaamheden ter uitoefening van dier bedrijf verricht. Nodig is mitsdien dat gedragingen van [A] of [B] dan wel hun beider gedragingen, die kunnen worden gekwalificeerd als (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval, kunnen worden toegerekend aan de vennootschap.

2.6.

Aangezien gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] , naast beide hiervoor genoemde vennoten nog andere vennoten had, is het hof van oordeel dat, wanneer beide vennoten zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval, of daarvan kennis droegen, hun gedragingen aan [geïntimeerde] kunnen worden toegerekend. Kort gezegd komt het er dan immers op neer dat beide samenwerkende vennoten vanuit de bedrijfsruime van [geïntimeerde] zich ten detrimente van Ameco, VCB en [appellante sub 4] tot en met 6 december 2006 bezig hebben gehouden met illegale vleeshandel. Indien slechts één van beide vennoten zich, zonder medeweten van de ander, schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van runderslachtafval is niet zonder meer gegeven dat diens gedragingen moeten worden toegerekend aan [geïntimeerde] .

2.7.

Partijen hebben in hetgeen bij tussenarrest werd overwogen kennelijk geen aanleiding gezien zich op dit punt uit te laten. Daartoe zal het hof de zaken wederom naar de rol verwijzen voor nadere memorie, eerst aan de zijde van Abattoir c.s. en nadien voor antwoord memorie aan de zijde van [geïntimeerde] .

2.8

Het hof geeft partijen overigens reeds nu in overweging dat, afhankelijk van de nadere memories, waarschijnlijk nog nadere (getuigen)bewijslevering van de kant van Abattoir c.s. zal moeten plaatsvinden en mogelijk een onderzoek naar de authenticiteit van bepaalde schriftelijke stukken nodig is. Voorshands is het hof namelijk, net als de rechtbank, van oordeel dat het bewijs van het (mede)plegen van diefstal door één of beide heren [geïntimeerde] mager is. De aanvullende verklaring van Verbij van 12 september 2009, die klaarblijkelijk mede wordt ingegeven door diens ergernis over het feit dat hij als enige (heler) moet opdraaien voor de schade van Ameco en de omstandigheid dat [geïntimeerde] nog geen regeling heeft getroffen met haar, levert nog geen bewijs van (mede)plegen op, nu Verbij verklaart gestolen product van [X] te hebben gekocht. Partijen mogen zich hieromtrent eveneens bij nadere memorie na tussenarrest uitlaten.

Dat een factuur van 27 april 2008 van Hiemstra met betrekking tot runderslachtafval is vervalst door de datum onleesbaar te maken en het tijdvak waarop de factuur betrekking heeft te ondersteunen met een (door Hiemstra) vervalste want geantedateerde orderbon, wordt door [geïntimeerde] ontkend en kan voorshands dus niet tot af- respectievelijk toewijzing van de vorderingen van leiden.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaken naar de rol van 23 juli 2013 voor nadere memorie na tussenarrest zijdens Abattoir c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.