Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1808

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
11-00606
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugwijzing rechtbank houdt in hoger beroep geen stand. De inspecteur heeft de in redelijkheid van hem te vergen onderzoeksinspanning verricht en niet gezegd kan worden dat hij onzorgvuldig is geweest in de voorbereiding van zijn uitspraak op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2483
FutD 2013-2816
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00606

13 juni 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam, de inspecteur.

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/5803 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur

en

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam (Van Dam & Kruidenier Advocaten).

1 Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 27 mei 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.533.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 15 oktober 2009, de aanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 27 juni 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 29 juli 2011, aangevuld bij brief van 12 augustus 2011. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Op 10 april 2013 zijn van de inspecteur nadere stukken ingekomen. Van deze stukken is een afschrift aan de gemachtigde gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

"2.1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2003 in Nederland.

2.2.

In het jaar 2003 werkte eiser in loondienst op het binnenvaartschip motorschip[A] (hierna: het schip). Heel 2005 staat eiser op de loonlijst van [B] S.A., een vennootschap naar Luxemburgs recht (hierna ook [B]). [B] maakt onderdeel uit van [C] te [plaats].

2.3.

De eigenaar van het schip is in 2003 [D] (hierna: [D]). [D] is woonachtig te [plaats] in Nederland.

2.4.

Het Nederlandse ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 22 november 2001 aan eigenaar [D] een rijnvaartverklaring voor het schip afgegeven. In de verklaring is onder meer vermeld dat het schip wordt geacht ingevolge artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte tot de Rijnvaart te behoren. Als exploitant is op de verklaring vermeld: “Scheepvaartonderneming [A] samen met [B] A.G. woonplaats/gevestigd te [plaats]”

2.5.

Het schip voer in 2003 op diverse Europese binnenwateren waaronder de Rijn."

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Het Hof voegt daaraan nog de volgende feiten toe.

2.3.1.

Tot de bijlagen bij het verweerschrift van de inspecteur in eerste aanleg behoort een afschrift van een op 24 februari 2006 door het Centrum commun de la sécurité sociale te Luxemburg aan belanghebbende afgegeven verklaring E 101 (Attestation concernant la législation applicable) onder meer inhoudende dat belanghebbende vanaf 4 januari 2006 in dienst is van '[B] SA [E]' en dat hij vanaf die datum als verzekerde onderworpen is aan de wetgeving van Luxemburg.

2.3.2.

Voorts behoort tot die bijlagen een afschrift van een op 23 februari 2006 door de Caisse de maladie des ouvriers te Luxemburg aan belanghebbende afgegeven verklaring E 104 (Attestation concernant la totalisation des périodes d'assurance, d'emploi ou de résidence) inhoudende dat belanghebbende van 1 juli 2002 tot en met 31 oktober 2005, en vanaf 4 januari 2006, verzekerd is geweest voor bepaalde risico's.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in de eerste plaats in geschil of de rechtbank de zaak terecht heeft terugverwezen naar de inspecteur teneinde opnieuw op het bezwaar te beslissen.
De inspecteur betwist deze beslissing; belanghebbende acht haar terecht.

3.2.

Indien het gelijk op het eerste geschilpunt aan de inspecteur is, is vervolgens in geschil of belanghebbende voor de volksverzekeringen verzekeringsplichtig is in Nederland, en zo ja of terecht premie van hem is geheven.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.4.

Voor het geval het Hof toekomt aan het in 3.2 vermelde geschilpunt en het gelijk daarbij aan belanghebbende is, is tussen partijen niet in geschil dat de aanslag dient te worden verminderd met het daarin begrepen bedrag aan premie volksverzekeringen. Voor het geval daarbij het gelijk aan de inspecteur is, is tussen partijen niet in geschil dat het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3.5.

Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur zich ermee akkoord verklaard dat ook voor het geval hij door het Hof in het gelijk wordt gesteld, de kostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende op onbevoegdheid van de inspecteur die de aanslag regelde respectievelijk de inspecteur die uitspraak op bezwaar deed. Met artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bedoeld iedere inspecteur landelijk bevoegd te maken (Kamerstukken II 2002/03, 28 608, nr. 3, blz. 44).
De op basis van artikel 3, tweede lid, AWR in hoofdstuk 3 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 gestelde ressorteringsregels doen daaraan naar 's Hofs oordeel niet af.

4.2.

De inspecteur heeft zich reeds in eerste aanleg op het standpunt gesteld, kort weergegeven, dat de vraag waar belanghebbende sociaal verzekerd is wordt beheerst door het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van de Rijnvarenden, Trb. 1981, 43 (hierna: het Rijnvarendenverdrag), en dat belanghebbende in Nederland verzekeringsplichtig is omdat het schip waarop belanghebbende als rijnvarende werkzaam is - het mts. [A], hierna het schip - behoort tot een in Nederland gevestigde onderneming. Hij heeft dat standpunt in hoger beroep herhaald en heeft nader bewijs bijgebracht.

4.3.

Belanghebbende heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat het Rijnvarendenverdrag niet van toepassing is en dat belanghebbende op grond van de aan hem verstrekte verklaringen E 101 en E 104 uitsluitend in Luxemburg verzekerd is. Voor het geval het Rijnvarendenverdrag op belanghebbende van toepassing zou zijn heeft belanghebbende subsidiair verdedigd dat de onderneming waartoe het schip behoort in Luxemburg is gevestigd. Meer subsidiair - voor het geval het Rijnvarendenverdrag van toepassing zou zijn en de onderneming waartoe het schip behoort in Nederland is gevestigd - , heeft belanghebbende aangevoerd dat de inspecteur op grond van het gelijkheidsbeginsel van premieheffing dient af te zien, nu een groot aantal met belanghebbende vergelijkbare gevallen door de Sociale Verzekeringsbank zijn 'geregulariseerd'. Belanghebbende heeft in eerste aanleg verzocht de Sociale Verzekeringsbank in de gelegenheid te stellen op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht aan het geding deel te nemen.

4.4.

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen:

"4.1. Eiser heeft verzocht de Sociale Verzekeringsbank op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als belanghebbende in de gelegenheid te stellen aan het geding deel te nemen. Hij heeft erop gewezen dat de Sociale Verzekeringsbank (een van) de bevoegde Nederlandse autoriteit(en) is onder het Verdrag rijnvarenden en voor andere premieplichtigen regularisatieregelingen met de bevoegde Luxemburgse autoriteit heeft getroffen. Ter zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat de premies aan de Sociale Verzekeringsbank ten goede komen.

4.2.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In het tweede lid is daaromtrent bepaald dat ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen worden beschouwd. Het feit dat de geheven premies betrekking hebben op sociale wetgeving op grond waarvan de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen verstrekt, maakt de Sociale Verzekeringsbank nog niet tot rechtstreeks belanghebbende bij de belastingaanslag. Hetzelfde geldt voor het feit dat de Sociale Verzekeringsbank de bevoegde autoriteit is. De Sociale Verzekeringsbank is daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb en daarom ook geen belanghebbende in de zin van artikel 8:26 Awb. Overigens komt de Sociale Verzekeringsbank ook geen beroepsrecht toe gelet op artikel 26a, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat hij ook om die reden geen belanghebbende is. De rechtbank wijst daarom het verzoek van eiser af om de Sociale Verzekeringsbank in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.

4.3.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, Verordening (EEG) 1407/71, dat ziet op internationale bepalingen welke de Verordening onverlet laat en dat in 2003 gold, blijft het Verdrag rijnvarenden van toepassing. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, van het Verdrag rijnvarenden wordt - voor zover hier van belang - onder “rijnvarende” voor de toepassing van het verdrag verstaan een werknemer die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht alsmede de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Verdrag rijnvarenden is slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing.

4.4.

Vaststaat – zulks vloeit voort uit de vaststaande feiten en is overigens niet in geschil - dat het schip met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en dat eiser in 2003 als werknemer behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van het schip. Voorts is niet in geschil dat de onder 2.4 bedoelde rijnvaartverklaring een certificaat is als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte. Eiser is daarom een rijnvarende in de zin van het Verdrag rijnvarenden. Dat het schip in 2003 ook over andere waterwegen voer dan de Rijn, zoals bedoeld in het Verdrag rijnvarenden, en, zoals eiser stelt, dat hij niet steeds werkzaam was op het schip als het op de Rijn voer, doet daar niet aan af. De tekst van artikel 1, aanhef en onder m, van het Verdrag rijnvarenden stelt voor toepasselijkheid van het verdrag niet de eis dat de werknemer uitsluitend op de Rijn werkzaam is. Uit het samenstel van regelingen die betrekking hebben op de rijnvaart, waaronder de Rijnvaart-akte en het Verdrag rijnvarenden, volgt bovendien dat de strekking van de regelingen niet is het verdrag uitsluitend van toepassing te laten zijn op schepen die uitsluitend over de Rijn en zijn zijrivieren varen en niet van toepassing is als dergelijke schepen mede op andere wateren varen.

4.5.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Verdrag rijnvarenden is - voor zover hier van belang - van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub m) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. Als onderneming waartoe het schip behoort, heeft te gelden de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip (vgl. Besluiten 5, van 27 maart 1990, en 7, van 26 juni 2007, van het Administratief Centrum voor de Sociale Zekerheid van de Rijnvarenden, gegeven op grond van artikel 72 van het Verdrag rijnvarenden). De strekking van het Verdrag rijnvarenden is gelet op artikel 11, eerste lid, om slechts de sociale verzekeringswetgeving van één Verdragsluitende Staat als toepasselijke wetgeving aan te wijzen. Uit die strekking vloeit voort dat er voor toepassing van dit verdrag slechts een in één van de Verdragsluitende Staten gevestigde exploitant als “onderneming waartoe het schip behoort”, kan worden aangewezen in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag rijnvarenden. De eigendom van het schip en het werkgeverschap ten aanzien van de werknemers aan boord zijn voor de vraag of sprake is van een “onderneming waartoe het schip behoort” (hierna aangeduid als de exploitant), op zichzelf niet doorslaggevend. De vermelding van de exploitant op de rijnvaartverklaring vormt een belangrijke aanwijzing voor het antwoord op de vraag wie exploitant is, maar de feitelijke situatie is voor de uiteindelijke vaststelling van de toepasselijke wetgeving beslissend.

4.6.

Verweerder stelt dat [D] handelend onder de naam Scheepvaartonderneming[A] exploitant van het schip is in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag rijnvarenden. De rechtbank acht de vermelding van [D] zowel als exploitant als als eigenaar een aanwijzing dat [D] als exploitant in de zin van artikel 11 van het Verdrag rijnvarenden moet worden aangewezen, maar tegenover de betwisting van eiser niet voldoende overtuigend bewijs, te meer daar ook [B] als exploitant op de rijnvaartverklaring staat vermeld. Ander bewijs heeft verweerder niet bijgebracht. Dat, zoals verweerder ter zitting (subsidiair) nog heeft aangevoerd, [B] gevestigd is in Nederland omdat het concern waartoe [B] behoort in Nederland is gevestigd, en dat ook daarom de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is, heeft hij met de enkele verwijzing naar websites van [C] ook niet aannemelijk gemaakt.

4.7.

Eiser stelt dat [B] de exploitant is en niet [D]. Eiser stelt dat de [C] het schip destijds aan [D] heeft verkocht, daartoe geld heeft geleend aan [D] en dat daarom de exploitatie is gevoerd door de tot haar concern behorende [B]. [B] pleegde onderhoud, hield veiligheidstoezicht en verschafte technisch management en crewmanagement. [B] heeft een bevrachtingsovereenkomst gesloten met [F]GmbH, die geen relatie is van [D]. [B] deed het commercieel management. Ook eiser heeft zijn stellingen over het exploitantschap van [B] niet met nader bewijs onderbouwd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft hij die stellingen dan ook nog niet aannemelijk gemaakt.

4.8.

Dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving niet van toepassing is, volgt ook niet uit de door eiser overgelegde E-101 en E-104 verklaring. Het betreft verklaringen die gebaseerd zijn op Verordening (EEG) 1408/71. Nu die Verordening toepassing mist, komt aan die verklaring, wat daar overigens ook van zij en nog daargelaten dat beide verklaringen zijn afgegeven na afloop van het jaar waarop onderhavige aanslag ziet, geen waarde voor de onderhavige beoordeling toe. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan het geschil ook niet beslissen. Voor zover eiser in het beroepschrift heeft verwezen naar werknemers op andere schepen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat voor onderhavige beoordeling sprake is van gelijke gevallen. Voor zover hij in dit verband een beroep doet op “regularisatie”, omdat de Sociale Verzekeringsbank over die werknemers alsnog akkoorden heeft gesloten met de Luxemburgse bevoegde autoriteit, gaat het beroep op gelijkheid of vertrouwen niet op. Enerzijds omdat verweerder in onderhavige beoordeling geen optreden van een andere autoriteit kan worden tegengeworpen, anderzijds omdat het enkele feit dat regularisatie mogelijk is nog niet betekent dat daarmee bij de onderhavige aanslagoplegging al rekening moet worden gehouden.

4.9.

Uit het vorenoverwogene volgt dat geen van partijen zijn stellingen die relevant zijn voor beantwoording van de vraag of de Nederlandse wetgeving al of niet van toepassing is, aannemelijk heeft gemaakt en dat de overigens opgeworpen beroepsgronden het geschil ook niet kunnen beslissen. Het geschil kan ook niet door verdeling van het bewijsrisico worden opgelost, omdat geen van partijen geslaagd is in het bewijs van de door hem ingenomen stellingen over het exploitantschap. Nu geen van partijen nader bewijs heeft aangeboden of andere handvatten voor nader onderzoek in beroep heeft aangeboden, is de rechtbank niet in staat zelf de voor de beslissing relevante feiten te verzamelen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, zodat aan verweerder moet worden opgedragen nader onderzoek te doen en opnieuw op het bezwaar te beslissen (vgl. Hoge Raad 28 januari 2011, nr. 10/00648, LJN: BP2132).

4.10.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard."

4.5.

Tegen de beslissingen van de rechtbank dat, kort gezegd, de Sociale Verzekeringsbank niet aan het geding mag deelnemen (rechtsoverweging 4.2), dat het Rijnvarendenverdrag op belanghebbende van toepassing is (rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4), dat uit de verklaringen E 101 en E 104 niet volgt dat de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving niet van toepassing is (rechtsoverweging 4.8, eerste twee volzinnen) en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt (rechtsoverweging 4.8, vanaf de derde volzin) is belanghebbende in hoger beroep niet opgekomen. Die beslissingen staan daarmee vast en het Hof neemt die beslissingen tot uitgangspunt voor zijn verdere beoordeling. Voorts overweegt het Hof dat het in de gedingstukken en het ter zitting verhandelde geen aanleiding heeft gevonden aan de inhoudelijke juistheid van die beslissingen te twijfelen.

4.6.

Ter beoordeling van het Hof staat dus nog slechts of de onderneming waartoe het schip behoort al dan niet in Nederland is gevestigd en of de rechtbank terecht aan de inspecteur heeft opgedragen nader onderzoek naar die vraag te doen en opnieuw op het bezwaar te beslissen.

4.7.1.

Na in haar rechtsoverweging 4.5 het - juiste - toetsingskader te hebben geformuleerd, heeft de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 de in dat kader relevante stellingen van partijen weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat geen van beide partijen zijn stelling aannemelijk heeft gemaakt, dat het geschil niet door verdeling van het bewijsrisico kan worden opgelost en dat de inspecteur het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid (rechtsoverweging 4.9 van de rechtbank). De rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat aan de inspecteur moet worden opgedragen nader onderzoek te doen.


4.7.2. Naar 's Hofs oordeel is voor die conclusie slechts dan plaats indien het oordeel dat de inspecteur het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, juist is. Indien dit - door de inspecteur betwiste - oordeel evenwel onjuist is, dient het geschil naar 's Hofs oordeel door de rechter te worden beslist op basis van het door partijen geleverde of nader te leveren bewijs.


4.7.3. De inspecteur heeft betwist dat hij de uitspraak op bezwaar onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Belanghebbende is het eens met het oordeel van de rechtbank.


4.7.4. De inspecteur heeft in dit verband aangevoerd dat hij van belanghebbende geen relevante informatie over de exploitatie van het schip heeft verkregen en dat hij bij herhaling vragenbrieven aan [D] heeft gezonden waarop niet dan wel ontwijkend is geantwoord. Belanghebbende heeft deze stellingen niet gemotiveerd betwist. Hij heeft ermee volstaan aan te voeren dat hijzelf slechts opvarende is en dat het niet beantwoorden van brieven door [D] niet aan hem kan worden tegengeworpen.


4.7.5. Naar 's Hofs oordeel heeft de inspecteur de in redelijkheid van hem te vergen onderzoeksinspanning verricht en kan niet gezegd worden dat hij onzorgvuldig is geweest in de voorbereiding van zijn uitspraak op bezwaar, nu die uitspraak is gebaseerd op door de inspecteur wel vastgestelde feiten waarvan hij in redelijkheid kon menen dat die de uitspraak konden dragen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur ter zitting onbetwist heeft verklaard dat hij zich bij het doen van uitspraak op bezwaar mede heeft gebaseerd op de hem destijds ter beschikking staande jaarstukken van [D].

4.7.6.

Onder deze omstandigheden was er niet voldoende reden om de inspecteur op te dragen nader onderzoek te doen en opnieuw op het bezwaar te beslissen en heeft de rechtbank in zoverre een onjuiste beslissing genomen.


4.7.7. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het geschil beslechten.

4.8.1.

Uitgaande van het door de rechtbank in haar overweging 4.5 geformuleerde toetsingskader dient te worden vastgesteld of belanghebbende sociaal verzekerd is in Nederland, zoals de inspecteur stelt, dan wel in Luxemburg, zoals belanghebbende stelt.
De inspecteur stelt zich in dit verband op het standpunt dat het schip tot de onderneming van [D] behoort; belanghebbende houdt staande dat het schip tot de onderneming van [B] behoort.


4.8.2. De inspecteur heeft bij zijn hogerberoepschrift een aangifte inkomstenbelasting, waarin gegevens uit de commerciële jaarstukken van [D] over het jaar 2005 overgelegd. Ter zitting van het Hof heeft hij verklaard dat de jaarstukken over het jaar 2003 er niet anders uit zullen zien omdat de jaarstukken van [D] al jaren door dezelfde boekhouder worden opgesteld, maar dat die jaarstukken zich niet meer in het archief van de Belastingdienst bevinden omdat ze daar na zeven jaar uit zijn verwijderd.


4.8.3. Op grond van de door de inspecteur gestelde feiten ([D] was eigenaar van het schip, op de Rijnvaartverklaring is zijn onderneming - naast [B] - vermeld als exploitant van het schip, en uit de jaarstukken van de onderneming van [D] blijkt dat hij exploitatieopbrengsten, afschrijvingen en kosten ter zake van het schip verantwoordde) is naar 's Hofs oordeel het bewijsvermoeden gerechtvaardigd dat het schip waarop belanghebbende in 2003 werkzaam was behoorde tot de – naar tussen partijen niet in geschil is – in Nederland gevestigde onderneming van [D].

4.8.4.

Belanghebbende heeft dat vermoeden niet weerlegd. Belanghebbende heeft de door de inspecteur gestelde feiten niet gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft, afgezien van de medevermelding van [B] als exploitant op de Rijnvaartverklaring, geen concreet bewijs bijgebracht voor zijn stelling dat het schip tot de onderneming van [B] behoorde.
Met name heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven voor zijn (blote) stellingen dat [B] het technische en het commerciële management over het schip voerde. Voor zijn door de inspecteur reeds in eerste aanleg betwiste en verder niet gemotiveerde stelling dat [B] ter zake van het schip een bevrachtingsovereenkomst met [F]GmbH zou hebben gesloten, heeft belanghebbende ook in hoger beroep geen bewijs bijgebracht, hoewel het op zijn weg heeft gelegen het bestaan van die overeenkomst aannemelijk te maken.


4.8.5. Op grond van het voorgaande dient ervan te worden uitgegaan dat het schip tot de onderneming van [D] behoorde.


4.8.6. Tussen partijen is, op zichzelf, niet in geschil dat de zetel van de onderneming van [D] in Nederland is gelegen.

4.9.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat op belanghebbende de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is. Het Hof merkt nog op dat de bewijslast daarbij niet onjuist is verdeeld, aangezien die conclusie wordt gedragen door de

door de inspecteur gestelde, en door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd betwiste, feiten en omstandigheden.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren..

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof zich ermee verenigd dat de kostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de proceskostenvergoeding en het griffierecht, en

  • -

    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 13 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

3. a. de naam en het adres van de indiener;

4. b. een dagtekening;

5. c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

6. d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.