Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1802

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
05-08-2013
Zaaknummer
200.111.645/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid; eerste vaststelling kinderalimentatie; vaststelling behoefte ingeval de ouders nimmer hebben samengewoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 januari 2013

Zaaknummer: 200.111.645/01

Zaaknummer eerste aanleg: 495124/FA RK 11-5769 (FH/FW)

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. U.J. van der Veldt te Amsterdam Zuidoost,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.V.H. Jonker te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 16 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 495124/FA RK 11-5769 (FH/FW).

1.3.

De vrouw heeft op 10 september 2012 nadere stukken ingediend.

1.4.

De man heeft op 28 september 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De vrouw heeft op 7 november 2012 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep van de man.

1.6.

De man heeft op 8 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.7.

De vrouw heeft op 9 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.8.

De zaak is op 22 november 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.9.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren[naam] (hierna: [minderjarige]) [in] 2002. De man heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2.

Bij besluit van 22 november 2002 van de Sociale Dienst Amsterdam (thans DWI) is ten laste van de man een verhaalsbijdrage vastgesteld van € 285,47 per maand in verband met bijstandverlening aan de vrouw, mede ten behoeve van [minderjarige]. De verhaalsbijdrage is per 21 maart 2006 beëindigd. Sedertdien betaalt de man dit bedrag rechtstreeks aan de vrouw.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren[in] 1951. Hij is alleenstaand.

Hij heeft een eenmanszaak,[de onderneming]. Het resultaat van die eenmanszaak bedroeg in 2009, 2010 en 2011 respectievelijk € 15.301,- negatief, € 14.312,- negatief, en € 4.086,- negatief.

Zoals blijkt uit zijn IB aangifte over 2011 ontving hij in dat jaar een WAZ-uitkering van het UWV van € 10.127,- en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 10.210,-.

Blijkens zijn IB aangifte over 2011 bedroeg de grondslag voordeel sparen en beleggen in dat jaar € 435.329,-. (het forfaitaire voordeel uit sparen en beleggen bedroeg € 17.413,-).

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 609,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is in 2011 vastgesteld op € 460.000,-. Het eigenwoningforfait bedroeg in 2011 € 2.794,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 202,- per maand.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren[in] 1965. Zij vormt samen met [minderjarige] een eenoudergezin.

Zij ontving in 2011 een WW-uitkering. Volgens de jaaropgave over 2011 bedroeg haar fiscaal loon op basis van deze uitkering € 8.396,-. Zoals blijkt uit de betaalspecificatie WW ontving zij in augustus 2012 een WW-uitkering van € 969,- netto per vier weken.

Aan kindgebonden budget ontvangt zij € 82,- per maand.

Zij betaalt een bedrag van € 363,- aan huur inclusief servicekosten per maand. De huurtoeslag bedraagt € 82,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 156,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 40,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man met ingang van 12 juli 2011 € 355,- per maand aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige], bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen van € 750,- per maand met ingang van maart 2011.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, – naar het hof begrijpt – een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen als het hof juist acht.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man – naar het hof begrijpt – primair de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, subsidiair een bijdrage niet eerder vast te stellen dan 23 mei 2012 op het oorspronkelijk vastgestelde en overeengekomen bedrag van € 285,47, te indexeren voor het eerst per 1 januari 2013.

3.4.

De vrouw verzoekt in het incidenteel hoger beroep de grieven van de man ongegrond te verklaren.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het hof zal eerst de grief van de man in incidenteel beroep met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vrouw in het hoger beroep behandelen. Het hof stelt vast dat de rechter in het onderhavige geval niet eerder een kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige] heeft vastgesteld. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat partijen een dergelijke bijdrage voor [minderjarige] zijn overeengekomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw een eerste vaststelling van een kinderbijdrage inhoudt, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep.

4.2.

De overige grieven in principaal en incidenteel hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep door partijen naar voren is gebracht, begrijpt het hof dat de vrouw het niet eens is met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [minderjarige], nu deze volgens de vrouw niet tot stand is gekomen op basis van de volledige inkomensgegevens van de man. Het hof volgt de vrouw hierin en zal opnieuw de behoefte van [minderjarige] vaststellen. Partijen zijn voorts verdeeld over de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw, de wijze waarop de kosten van [minderjarige] over hen moeten worden verdeeld, alsmede de ingangsdatum van een eventuele betalingsverplichting van de man.

4.3.

Ten aanzien van de behoefte van [minderjarige] overweegt het hof als volgt. Nu partijen nimmer hebben samengewoond dient de behoefte van [minderjarige] aldus te worden bepaald, dat het gemiddelde wordt berekend van zijn behoefte op basis van het inkomen van de man alsmede de behoefte op basis van het inkomen van de vrouw. Het hof gaat bij de netto inkomens van partijen uit van de gegevens over 2011 zoals weergegeven onder 2.3 en 2.4, behoudens voor zover hiervan in het navolgende wordt afgeweken.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man desgevraagd verklaard dat zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van september 2011 is komen te vervallen. Daarnaast heeft hij meegedeeld dat hij huurinkomsten heeft van in ieder geval € 60.000 per jaar uit het bedrijfspand, waarin zijn eenmanszaak is gevestigd en dat hij in eigendom heeft. Bovendien is de man eigenaar van drie flats. De hiermee samenhangende kosten en baten heffen elkaar – aldus de man – op. De man heeft nagelaten stukken in het geding te brengen, waaruit valt af te leiden hoe hoog de door hem te dragen kosten zijn in verband met de aan hem in eigendom behorende onroerend zaken. Ook anderszins is hieromtrent niets gebleken. Het hof ziet verder geen aanleiding om bij het inkomen van de man rekening te houden met het (zeer beperkte) negatieve resultaat van zijn eenmanszaak over 2011, nu de man ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat hij zijn eenmanszaak ondanks het negatieve resultaat over de afgelopen jaren blijft voortzetten met het oog op een toekomstige onteigeningsprocedure en de als gevolg daarvan aan hem toekomende schadeloosstelling. Op grond van het voorgaande alsmede hetgeen hiervoor onder 2.3 uiteen gezet is ten aanzien van de (overige) inkomsten van de man, houdt het hof het ervoor dat de man in 2011 een netto maandinkomen had van € 5000,- of meer, hetgeen volgens de gebruikelijke tabellen een behoefte van [minderjarige] oplevert van € 780,- per maand.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij van januari 2011 tot juli 2011 bij [bedrijf] heeft gewerkt, in welke periode haar salaris ongeveer € 1.500,- bruto per maand bedroeg, exclusief vakantiegeld. Nu de man deze verklaring van de vrouw niet heeft weersproken gaat het hof bij het inkomen van de vrouw in 2011 uit van het door haar ontvangen salaris en de door haar ontvangen WW-uitkering, hetgeen neerkomt op een gemiddeld inkomen van € 1040,- netto per maand. Dit inkomen levert volgens de gebruikelijke tabellen een behoefte van [minderjarige] op van € 140,-

Het hof komt op basis van het voorgaande uit op een gemiddelde behoefte van [minderjarige] van € 460,- per maand.

4.4.

Door de vrouw is voorts de draagkracht van de man aan de orde gesteld. De man heeft in incidenteel appel de draagkracht van de vrouw aan de orde gesteld. Nu beide partijen zijn gehouden bij te dragen in de kosten van [minderjarige], volgt het hof de man in zijn stelling dat de behoefte van [minderjarige] in beginsel naar rato van draagkracht over hen moet worden verdeeld. Op basis van het onder 2.4 weergegeven netto maandinkomen van de vrouw alsmede haar aldaar genoemde lasten, moet naar het oordeel van het hof echter ervan worden uitgegaan dat zij niet in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Bij de berekening van de draagkracht van de man wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.3 en 4.3 weergegeven. Nu het in het onderhavige geval een kinderbijdrage betreft, zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening houden met de alleenstaande norm en een draagkrachtpercentage van 70 hanteren.

4.5.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een met ingang van 12 juli 2011 door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 460,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het hof overweegt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man weliswaar [in] 2011 is geëindigd, nu de man op die datum 60 is geworden, doch dat de man - gelet op zijn vermogen, zoals dat blijkt uit de aangifte IB over 2011 en de door de man opgegeven huurinkomsten uit het bedrijfspand en de drie flats – , ook na het wegvallen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in staat moet worden geacht zijn financiële middelen zo te verdelen dat hij ruimschoots in staat is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen.

4.6.

De man heeft betoogd dat, nu de rechtbank de bijdrage die de man dient te voldoen aanzienlijk heeft verhoogd, de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum met terugwerkende kracht heeft bepaald op 12 juli 2011 in plaats van op 23 mei 2012, zijnde de datum van de bestreden beschikking. De vrouw heeft de stelling de man betwist.

Het hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om van de gebruikelijke ingangsdatum af te wijken, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift door de vrouw. Vanaf die datum kon de man immers rekening houden met een eventuele vaststelling door de rechter van een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige].

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt een door de man met ingang van 12 juli 2011 bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 460,- (VIERHONDERDZESTIG EURO) per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, M. Wigleven en J.J.M. Bruinsma in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.