Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1795

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.119.274/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming curatoren. Onvoldoende grond eraan te twijfelen dat de curatoren hun taak naar behoren uitoefenen. De in artikel 1:390 BW bepaalde verplichting tot bekendmaking geldt niet voor een rechterlijke uitspraak waarbij een curator is benoemd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 390
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 juni 2013

Zaaknummer: 200.119.274/01

Zaaknummer eerste aanleg: 534251 CB VERZ 11-115

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.T. Willemsen te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant wordt hierna [x] genoemd.

1.2.

[x] is op 2 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 3 oktober 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Haarlem (hierna: de kantonrechter), met kenmerk 534251 CB VERZ 11-115.

1.3.

[…] (hierna: [a]) en […] (hierna: [b]) hebben op 11 april 2013 nadere stukken ingediend.

1.4.

De zaak is op 18 april 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

  • -

    […] (hierna: [c]);

  • -

    [a] en [b].

[x], […] (hierna: [d]) en de hoofdadvocaat-generaal zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Wel zijn namens [x] verschenen mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, alsook – met goedkeuring van alle andere aanwezigen ter terechtzitting – […] (hierna: [e]).

2 De feiten

2.1.

[x] is geboren [in] 1949. [e] is een vriend van hem.

2.2.

Bij beschikking van 11 oktober 2011 van de rechtbank Haarlem is [x] onder curatele gesteld, met benoeming van [d] en [c] tot curatoren.

2.3.

Bij beschikking van 23 december 2011 van de kantonrechter is onder aanhouding van iedere beslissing op het verzoek van [d] als curator ontslagen te worden, bepaald dat de gemachtigde van [x] uiterlijk op 1 februari 2012 de kantonrechter bericht omtrent de persoon van de te benoemen (naar het hof begrijpt) tweede curator.

2.4.

De woning van [x] is eind januari 2013 verkocht en zal in augustus 2013 worden geleverd.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking zijn [d] en [c] ontslagen als curatoren over [x], zijn [a] en [b] (beiden handelend onder de naam [a] & [b] Bewindvoering) tot curatoren benoemd en is bepaald dat de ontslagen curatoren rekening en verantwoording dienen af te leggen aan de opvolgende curatoren.

3.2.

[x] verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, niet over te gaan tot benoeming van [a] en [b] tot curatoren van hem en, naar het hof begrijpt, in dat geval te bepalen dat deze uitspraak krachtens artikel 1:390 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient te worden bekend gemaakt in de Staatscourant en in de door het hof aan te geven dagbladen, alsmede de griffier te gelasten een vervolg te geven aan het bepaalde in artikel 2 van het Besluit curateleregister.

Ter zitting in hoger beroep is namens [x] verklaard dat, indien het hof de bestreden beschikking vernietigt, hij zich zal refereren aan de keuze van het hof voor wat betreft de te benoemen curator.

3.3.

[a] en [b] hebben ter zitting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hoger beroep van [x] richt zich tegen de benoeming van [a] en [b] tot zijn curatoren. Zij houden zich volgens [x] niet aan de ten aanzien van curatoren geldende wettelijke normen en de op hen rustende zorgplicht. Daardoor heeft hij zijn vertrouwen in hen verloren, aldus [x].

[a] en [b] hebben ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd.

4.2.

Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting bestaat bij [x] in de eerste plaats een aantal zorgen en bezwaren ten aanzien van de verkoop van zijn woning en zaken die daarmee verband houden, zoals een conflict met zijn buurvrouw, mevrouw [y], en het zoeken naar vervangende woonruimte voor hem die met het oog op zijn medische en financiële situatie passend is. [a] en [b] hebben dit volgens hem niet voldoende voortvarend opgepakt. Ook ten aanzien van de verkoop van zijn woning hebben [a] en [b], ondanks herhaalde aansporingen van zijn zijde, onvoldoende voortvarend gehandeld. Hierdoor is een coulanceregeling die in het verleden door de hypotheekhouder RBS is toegezegd aan [c] in zijn hoedanigheid van [x] toenmalige curator, op grond waarvan [x] tot november 2013 in zijn woning mocht blijven wonen, op losse schroeven komen te staan.

Het hof ziet in het voorgaande onvoldoende grond voor toewijzing van het verzoek van [x]. Vaststaat dat de woning van [x] eind januari 2013, derhalve nog geen vier maanden na de benoeming van [a] en [b] tot curatoren, is verkocht. Kennelijk heeft het burenconflict met mevrouw [y] aan de verkoop niet in de weg gestaan, zodat het bezwaar van [x] dienaangaande bij gebrek aan belang niet verder behoeft te worden besproken. Onvoldoende aannemelijk is voorts geworden dat in voornoemd kort tijdsbestek de coulanceregeling van RBS als gevolg van de handelwijze van [a] en [b] daadwerkelijk in gevaar is gekomen. Voor zover de brief van RBS van 17 december 2012 (productie 8 bij het beroepschrift) doet vermoeden dat dit wel het geval was, wordt dit afdoende weerlegd door het e-mail bericht van RBS aan [a] dat als productie 11 bij het beroepschrift is overgelegd en waaruit blijkt dat RBS nog steeds achter de coulanceregeling staat. Het door [x] tegen de curatoren gevoerde kort geding doet aan dit resultaat niet af.

Vast staat dat de woning van [x] in augustus 2013 wordt geleverd en dat hij tot het tijdstip van levering zo nodig in de woning zal kunnen blijven wonen. Gelet op het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat [a] en [b] voldoende actie ondernemen teneinde te bewerkstelligen dat [x] na de levering over een passende woonruimte zal beschikken.

Voorts is namens [x] betoogd dat [a] en [b] hebben nagelaten verscheidene rekeningen van hem die betrekking hebben op zijn kosten van dagelijks leven te betalen. Ter zitting is evenwel duidelijk geworden dat er nog steeds rekeningen voor [x] bij [c] terecht komen. Volgens [a] en [b] zijn zij hierdoor enkele malen in een laat stadium op de hoogte geraakt van schulden van [x] en (dreiging met) executiemaatregelen naar aanleiding daarvan. [b] heeft ter zitting haar ongenoegen erover uitgesproken dat het maar niet wil lukken de beschikking te krijgen over alle contracten van leveranciers van [x] en de gegevens over zijn schulden. Hierdoor worden [a] en [b] onvoldoende in staat gesteld daarvan een volledig overzicht te krijgen, zodat zij niet in staat zijn de betalingen altijd goed te regelen. Daarnaast heeft [b] ter zitting in hoger beroep verklaard dat [x] vorige curatoren zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 hebben verzorgd. De opgevraagde gegevens die nodig zijn voor het aanvragen van een IB60-verklaring ten behoeve van [x], zijn volgens [b] pas zojuist binnengekomen. Het hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat hiervan door [a] en [b] tijdig werk zal worden gemaakt. Ook overigens hebben [a] en [b] de door [x] geuite bezwaren ter zitting afdoende weerlegd. Namens [x] is nog naar voren gebracht dat hij in maart 2013 gedurende twee weken geen leefgeld heeft ontvangen van [a] en [b]. Op grond van het verhandelde ter zitting in hoger beroep is evenwel voldoende aannemelijk geworden dat dit het gevolg was van een misverstand dat niet in overwegende mate door toedoen van [a] en [b] is ontstaan.

4.3.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof in de door [x] genoemde bezwaren en zorgen ten aanzien van de uitvoering van de curatele door [a] en [b], onvoldoende grond ziet eraan te twijfelen dat zij hun taak op correcte wijze uitoefenen. Het door [x] in hoger beroep verzochte is derhalve niet toewijsbaar. Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat, anders dan het verzoek tot uitgangspunt lijkt te nemen, de in artikel 1:390 BW bepaalde verplichting tot bekendmaking niet geldt voor een rechterlijke uitspraak waarbij een curator is benoemd.

4.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A. van Haeringen en mr. B.F.P. Lhoëst in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2013.