Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1736

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
14-10-2013
Zaaknummer
200.014.018-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9635. Dexia is niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de echtgenote van de contractuele wederpartij met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij deze buitengerechtelijk heeft vernietigd. Tussenarrest in verband met de vaststelling van de hoogte van de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.014.018/01

zaak-/rolnummer rechtbank: 892275 DX EXPL 07-1447

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juni 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen: DEXIA BANK NEDERLAND N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. B.J.H. Crans te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Voor het procesverloop tot 12 juni 2012 verwijst het hof naar het op die datum uitgesproken tussenarrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft op 2 oktober 2012 een getuigenverhoor plaatsgevonden aan de zijde van Dexia. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal behoort tot de processtukken.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie na enquête, met een productie;

  • -

    antwoordmemorie na enquête, met producties.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

3 De verdere beoordeling

3.1

Bij het tussenarrest is Dexia opgedragen te bewijzen dat [Y] met het bestaan van de in r.o. 3.18 van het tussenarrest genoemde zeven leaseovereenkomsten bekend is geworden, meer dan drie jaar voordat zij deze bij brief van 15 februari 2003 de nietigheid daarvan heeft ingeroepen. Dexia heeft [geïntimeerde] en[X] als getuigen doen horen. [geïntimeerde] heeft afgezien van het recht getuigen in tegenverhoor te doen horen.

3.2

[geïntimeerde] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard.
[Y] en [geïntimeerde] waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. De aan Dexia verschuldigde maandbedragen werden betaald vanaf zijn persoonlijke rekening, waarop ook zijn inkomen werd gestort. Eerst was dat zijn inkomen als zelfstandige en later dat uit zijn praktijk-B.V. Vanaf die bankrekening maakte [geïntimeerde] automatisch geld over naar de gezamenlijke rekening van hem en [Y]. [Y] had ook een eigen inkomen en een eigen rekening. [Y] was niet geïnteresseerd in de rekening van [geïntimeerde]. Dat was ook een kwestie van luxe, het geld was er gewoon. [Y] bekeek de rekeningafschriften van de bankrekening van [geïntimeerde] niet, hij bekeek ze zelf niet eens.

[geïntimeerde] heeft verklaard nog heel precies te weten hoe het kwam dat hij zijn echtgenote vertelde over de aandelenleaseovereenkomsten die hij heeft gesloten. Dat was naar aanleiding van een krantenartikel over Legiolease. Toen heeft hij zijn echtgenote voor het eerst verteld dat hij ook van die producten had. [geïntimeerde] heeft verklaard niet meer precies te weten wanneer dat was. Kort daarop werden twee stichtingen actief, Leaseverlies en Eegalease en daarvan is toen door [geïntimeerde] en[Y] gebruik gemaakt. Het krantenbericht dat voor [geïntimeerde] aanleiding was om zijn echtgenote over de overeenkomsten te vertellen, moet volgens hem rond 2001, 2002 zijn gepubliceerd.

De post werd zowel door [Y], hemzelf en de kinderen uit de brievenbus gehaald. Het kan zijn dat [Y] haar eigen post daaruit haalde, maar het kwam ook voor dat [geïntimeerde] zelf de post sorteerde.

De jaarlijkse overzichten van de leaseovereenkomsten zaten in één envelop. [Y] stelde nooit vragen over de post van Dexia. Überhaupt stelde ze geen vragen over de post.

[geïntimeerde] weet niet of [Y] ooit de telefoon heeft opgenomen als Dexia belde. Ze heeft daar volgens hem nooit over gesproken. De advocaat van Dexia heeft tijdens het getuigenverhoor gezegd dat Dexia in november 1998 driemaal naar het huis van [geïntimeerde] heeft gebeld en [Y] te spreken heeft gekregen. Van deze gesprekken bestaan telefoonnotities en [Y] zou in één van die gesprekken hebben gezegd dat [geïntimeerde] graag met Dexia wilde spreken. [geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij het vreemd vindt dat dit tijdens het getuigenverhoor opeens zo uit de lucht komt vallen. Hij kan zich daarover niets herinneren. Sterker nog, hij kan zich zelfs niet herinneren dat hij en [Y] het daar nooit over hebben gehad.

De opbrengst uit de winstgevende contracten heeft [geïntimeerde] op de hiervoor eerder genoemde rekening gezet. Eén keer is hij voor de verleiding gezwicht om daarmee een nieuw contract aan te gaan. Over die opbrengsten heeft hij niet met zijn echtgenote gesproken. Het ging niet over zodanig hoge bedragen dat daar reden voor was.

De gehele aangifte van [geïntimeerde] werd verzorgd door zijn accountant. [geïntimeerde] bracht de spullen naar hem toe en wachtte op een afspraak. Tijdens die afspraak werd de aangifte op het kantoor van de accountant getekend. De aangifte was dan kant-en-klaar. Na afloop kreeg [geïntimeerde] het T-biljet mee voor zijn echtgenote. [geïntimeerde] nam de kopieën van zijn aangifte en de originele bewijsstukken weer mee terug naar huis. Zijn echtgenote was nooit bij die afspraken aanwezig. [geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat [Y] ooit heeft getekend voor gezamenlijke verzoeken in de aangifte. Hoewel in de belastingaangifte van [geïntimeerde] over 1999 een gezamenlijk verzoek met betrekking tot lijfrentepremie voorkomt dat door beide echtgenoten moet worden ondertekend, heeft [geïntimeerde] verklaard niet te weten of zijn echtgenote heeft getekend. Hij en zijn echtgenote deden afzonderlijk aangifte.

3.3

[X] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard.
Het accountantskantoor waarvoor [X] werkzaam is, verzorgt al jaren de aangiften VPB en IB/VB, de jaarrekening en de publicatiestukken van de vennootschap van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] levert één keer per jaar de gegevens aan, een assistent maakt de stukken in concept op en de accountant spreekt die door met de klant. In het geval van [geïntimeerde] was [X] dat zelf. In dat gesprek worden de verschillende stukken ook ondertekend. Daarna werden die door het secretariaat verzonden.

[X] heeft [Y] privé ontmoet op de tennisclub. Zij woonden in dezelfde wijk. [Y] is echter nooit bij [X] op kantoor geweest. Hij heeft ook nooit met haar over belastingzaken of andere financiële kwesties gesproken. Het kantoor van [X] heeft voor haar de aangiften IB opgemaakt. Dat waren hele eenvoudige, die door de assistent werden opgesteld en afgehandeld. Bij de stukken die door [geïntimeerde] werden aangeleverd, zat ook de loonopgave van [Y]. Op basis daarvan werd haar aangifte vervaardigd. Die aangifte werd door [geïntimeerde] mee terug naar huis genomen, evenals andere stukken als die ook door [Y] moesten worden ondertekend.

[X] weet niet of het gezamenlijk verzoek met betrekking tot lijfrente in de aangifte IB van [geïntimeerde] over het jaar 1999 is ondertekend door [Y]. [X] weet ook niet of dat in dit geval ook nodig was. Het zou volgens hem ook standaard uit het programma gerold kunnen zijn.

[X] heeft als getuige naar aanleiding van de aangifte IB over het jaar 1997 verklaard dat het hem getoonde stuk niet de aangifte is zoals zijn kantoor die heeft verzonden. Volgens hem diende de vraag in het formulier aldus te worden beantwoord dat [Y] zelf aangifte zou doen. Zij had een eigen inkomen en de beide echtgenoten deden dus allebei aangifte.

[X] heeft verklaard dat hij de brief kent die zijn kantoorgenoot[Q] op 10 november 2011 heeft geschreven over de gang van zaken op zijn kantoor (productie 26 bij pleidooi). De inhoud van die brief is volgens [X] juist.

De gang van zaken rond het opstellen van de aangifte en de jaarstukken was als volgt. De benodigde stukken werden door [geïntimeerde] zelf gebracht. Dat ging ieder jaar op dezelfde manier. Hij deed dat dan naar aanleiding van een verzoek van het secretariaat. De aangiften en de jaarstukken werden in concept opgesteld door de assistent en als [X] die had geaccordeerd maakte het secretariaat die klaar, tezamen met een standaardbriefje. Vervolgens kwam [geïntimeerde] op kantoor om de jaarrekening en de aangiften door te nemen en te ondertekenen. [X] denkt dat in die jaren (rond 1998) het voorblad van de aangiften moest worden ondertekend en daar werden dan de geprinte vellen ingelegd. Alle relevante stukken werden met [geïntimeerde] besproken en na afloop werden de aangiften door het secretariaat ingezonden. Na afloop van het gesprek nam [geïntimeerde] wat van hem was terug naar huis en daar zat dan ook het standaardbriefje van het secretariaat bij, alsmede de aangifte van[Y]. Als zij geen eigen aangiftebiljet had ontvangen, was er een
T-formulier en anders een door de assistent opgestelde aangifte. Als [Y] iets moest tekenen, nam [geïntimeerde] dat mee en bracht hij het ondertekend weer terug. De aangiften van [Y] werden niet met haar zelf besproken. Dat is in een dergelijke situatie niet ongebruikelijk. De gedragsregels schrijven dat ook niet voor. [X] weet niet of [Y] de aangiften van [geïntimeerde] heeft meeondertekend.

3.4

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de betalingen aan Dexia hebben plaatsgevonden vanaf een bankrekening waarvan alleen [geïntimeerde] de rekeninghouder is. Dat [Y] op enige wijze toegang had tot die rekening en de daarop betrekking hebbende bankafschriften en daadwerkelijk van de inhoud daarvan heeft kennisgenomen, kan op grond van het over en weer gestelde en de getuigenverklaringen niet worden aangenomen.

3.5

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat uit de omstandigheid van [Y]één van de leaseovereenkomsten heeft meeondertekend niet kan worden afgeleid dat zij met het bestaan van de andere leaseovereenkomsten bekend was. De getuigenverklaringen en hetgeen Dexia bij haar memorie na enquête heeft aangevoerd geven geen aanleiding daarover anders te oordelen. Dit brengt mee dat het hof blijft bij het op dit punt in het tussenarrest gegeven oordeel.

3.6

De beide getuigen hebben gelijkluidend verklaard over de wijze waarop de aangifte en jaarstukken van [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen. De beide verklaringen zijn in lijn met hetgeen[Q] in zijn hiervoor genoemde brief heeft verklaard. [geïntimeerde] en [X] hebben verklaard niet te weten of [Y] de aangiften van [geïntimeerde] heeft meeondertekend. Anders dan Dexia stelt, kan uit de omstandigheid dat in enkele aangiften om de handtekening van de echtgenote wordt gevraagd niet als vaststaand worden aangenomen dat [Y] deze aangiften ook daadwerkelijk heeft ondertekend. Of zij de aangiften heeft ondertekend, kan ook verder in het midden blijven. Het hof heeft in het tussenarrest al overwogen dat in verband met de voorliggende verjaringsvraag moet vast komen te staan dat [Y] door de belastingaangiften te lezen daadwerkelijk met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden. Die vereiste bekendheid kan niet worden aangenomen op grond van de enkele ondertekening van de aangiften door[Y]. Daarvan uitgaande is er geen reden in het nadeel van [geïntimeerde] te laten meewegen – zoals Dexia kennelijk wil betogen – dat [geïntimeerde] de getekende belastingaangiften niet in kopie in het geding heeft gebracht. Op grond van het over en weer gestelde en de getuigenverklaringen kan niet worden aangenomen dat [Y] daadwerkelijk van de inhoud van de aangiften en jaarstukken kennis heeft genomen.

3.7

Dexia stelt dat [Y] in 1998 driemaal de telefoon heeft aangenomen toen een medewerker van Dexia contact zocht met [geïntimeerde]. Dexia heeft een uitdraai overgelegd van de notities die van deze gesprekken zijn gemaakt. Daaruit blijkt het volgende. In het eerste gesprek van 12 november 1998 heeft [Y] verzocht om de volgende dag terug te bellen. Die volgende dag heeft een medewerker van Dexia teruggebeld en gesproken met [Y]. Op 16 november 1998 is voor de derde maal met [Y] gesproken. [Y] heeft toen gezegd dat [geïntimeerde] niet thuis was en dat hij Dexia ook wilde spreken. De medewerker van Dexia is verzocht woensdag terug te bellen. Uit deze telefoongesprekken leidt Dexia af dat [geïntimeerde] en [Y] reeds in 1998 met elkaar hebben gesproken over de leaseovereenkomsten. In het verlengde daarvan acht Dexia de verklaring van [geïntimeerde], dat hij zich niets over die telefoongesprekken kan herinneren, niet geloofwaardig .
Dit laatste aspect kan naar het oordeel van het hof buiten beschouwing blijven. Wat Dexia over de inhoud van de telefoongesprekken heeft gesteld beperkt zich tot het doorgeven van het verzoek Dexia terug te bellen en de mededeling dat [geïntimeerde] Dexia ook wilde spreken. Hieruit kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat tussen Dexia en [Y] en tussen [Y] en [geïntimeerde] over het bestaan en de inhoud van de leaseovereenkomsten is gesproken. Op de door Dexia gestelde telefoongesprekken kan de vereiste daadwerkelijke bekendheid van [Y] met de leaseovereenkomsten daarom niet worden gebaseerd.

3.8

Anders dan Dexia stelt, kan op grond van de door [geïntimeerde] afgelegde verklaring, dat de post ook door [Y] uit de brievenbus werd gehaald, niet worden vastgesteld dat haar moet zijn opgevallen dat daar ook post van Dexia tussen zat. Dat zij de bewuste post van Dexia uit de brievenbus heeft gehaald, blijkt immers nergens uit. Daar komt bij dat als [Y] al post van Dexia uit de brievenbus heeft gehaald, enkel op grond daarvan niet kan worden aangenomen dat zij ook daadwerkelijk met het bestaan van de leaseovereenkomsten op de hoogte is geraakt. Op grond van het over en weer gestelde en de getuigenverklaringen kan niet worden vastgesteld dat [Y] van de inhoud van de van Dexia afkomstige post kennis heeft genomen.

3.9

Bij het tussenarrest heeft het hof al overwogen dat de argumenten die Dexia ontleent aan de ‘normale Nederlandse gezinssituatie’ haar niet kunnen baten.

3.10

Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat Dexia het verlangde bewijs niet heeft geleverd. De grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep slaagt, zodat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Als onbestreden is vastgesteld dat[Y] met haar brief van 15 februari 2003 heeft beoogd de zeven leaseovereenkomsten die thans nog in de procedure aan de orde zijn te vernietigen (met contractnummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5], [nummer 6] en [nummer 7]). De conclusie is dat deze vernietiging effect heeft gesorteerd.

Bij het tussenarrest is al overwogen dat Dexia de grieven I, III en IV in principaal hoger beroep heeft ingetrokken en dat zij geen belang heeft bij grief II. Nu Dexia niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, kunnen de grieven V tot en met VIII verder buiten bespreking blijven.

3.11

Over de vraag welke betalings- en/of vergoedingsverplichtingen thans resteren, overweegt het hof eerst het volgende. [geïntimeerde] heeft in zijn memorie na enquête gesteld dat tijdens het pleidooi niet is “gesproken over voordeelverrekening van drie leaseovereenkomsten met een positief saldo, laat staan dat [geïntimeerde] ondubbelzinnig heeft ingestemd met behandeling van deze nieuwe grief. Voor zover het eerst bij pleidooi opvoeren van het argument van voordeelverrekening geen nieuwe grief inhoudt, acht [geïntimeerde] dit verweer van Dexia tardief en aldus in strijd met de goede procesorde.

3.12

Deze stellingen van [geïntimeerde] worden om de navolgende redenen door het hof gepasseerd. Dexia heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep berekeningen overgelegd waarmee zij haar standpunt heeft aangepast aan de nieuwste jurisprudentie. Het hof heeft na kennisname van deze berekeningen ondubbelzinnig tijdens het pleidooi aan de orde gesteld dat deze berekeningen op twee punten niet leken overeen te stemmen met de stellingen die partijen tot dat moment in de processtukken hadden ingenomen. Het hof heeft partijen bij het pleidooi in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

Dexia heeft allereerst in de overgelegde berekeningen voordeelverrekening toegepast in verband met het positieve resultaat van een drietal eerder beëindigde leaseovereenkomsten. Daarmee heeft Dexia feitelijk bij pleidooi in hoger beroep voor het eerst een beroep op voordeelverrekening gedaan. Daarnaast geldt dat [geïntimeerde] in de procedure heeft erkend dat zijn draagkracht toereikend was om aan de betalingsverplichtingen op grond van de leaseovereenkomsten te voldoen. De berekeningen van Dexia hebben evenwel uitgewezen dat één van de leaseovereenkomsten leidde tot een ‘onaanvaarbaar zware financiële last’ als bedoeld in rechtspraak. Dexia heeft daarmee bij haar berekeningen rekening gehouden, ondanks de genoemde erkenning van [geïntimeerde].
Tijdens het pleidooi is met zoveel woorden aan de orde gekomen dat het toevoegen van het eerstgenoemde element gunstig is voor Dexia, het tweede element gunstig is voor [geïntimeerde] en dat het bedrag ten gunste van Dexia groter is dan het genoemde voordeel voor [geïntimeerde]. Dat is uitdrukkelijk voorgehouden aan [geïntimeerde], die vervolgens heeft verklaard zich neer te leggen bij de wijze waarop Dexia de berekeningen in het licht van de nieuwe jurisprudentie heeft uitgevoerd en dat hij zich ook verder refereert aan de uitkomsten van die berekeningen. Aldus heeft [geïntimeerde] er ondubbelzinnig mee ingestemd dat de voordeelverrekening onderdeel van de rechtsstrijd is geworden, waartegenover Dexia heeft geaccepteerd dat één van de leaseovereenkomsten leidde tot een onaanvaarbaar zware financiële last. Dit alles is aldus uitgangspunt voor de verdere beoordeling. In het navolgende zal aan de orde komen dat de voordeelverrekening alleen speelt bij leaseovereenkomst [nummer 8].

3.13

[geïntimeerde] heeft blijkens de inleidende dagvaarding op verschillende grondslagen terugbetaling van Dexia gevorderd van € 48.996,55. Ter onderbouwing daarvan heeft hij als productie 7 bij de inleidende dagvaarding een overzicht overgelegd, naar hij stelt, van de door hem op grond van elf leaseovereenkomsten aan Dexia betaalde en van Dexia ontvangen bedragen dat per saldo uitkomt op dit genoemde bedrag. De kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] met betrekking tot contractnummer [nummer 8] afgewezen en vastgesteld dat de leaseovereenkomsten met de contractnummers [nummer 9], [nummer 10] en [nummer 11] rechtsgeldig zijn vernietigd. Ten aanzien van deze drie laatstgenoemde leaseovereenkomsten is Dexia veroordeeld tot terugbetaling van bedragen aan [geïntimeerde] (overigens grotendeels andere bedragen dan door [geïntimeerde] gevorderd). In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn in eerste aanleg ingestelde vordering gehandhaafd, behalve met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit leaseovereenkomst [nummer 8].

3.14

De vordering van [geïntimeerde] zoals die thans in hoger beroep voorligt, is naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar. Afgezien van het feit dat hij zijn vorderingen in hoger beroep voor het overgrote deel niet heeft aangepast aan de uitkomst van de procedure in eerste aanleg, heeft Dexia de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen gemotiveerd betwist. Uit de administratie van Dexia blijken andere rentebetalingen en een hoger bedrag aan uitgekeerde dividenden. [geïntimeerde] heeft de door hem gevorderde bedragen onvoldoende met stukken onderbouwd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] zich heeft gerefereerd aan de uitkomsten van de door Dexia bij pleidooi overgelegde berekeningen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij zich ook ermee akkoord heeft verklaard dat de cijfers die Dexia bij haar berekening heeft gebruikt ook worden gebruikt om zijn vordering uit onverschuldigde betaling vast te stellen.

3.15

Het hof acht partijen voldoende in staat om uitgaande van de vernietiging van de in r.o 3.10 genoemde leaseovereenkomsten in onderling overleg vast te stellen welke bedragen Dexia als onverschuldigd aan [geïntimeerde] dient te voldoen, onder verrekening van de reeds aan hem uitgekeerde bedragen. [geïntimeerde] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf 19 december 2004, dat is de datum waarop hij van Dexia terugbetaling heeft gevorderd in verband met de vernietiging van de leaseovereenkomsten wegens dwaling. Omdat het beroep op dwaling is afgewezen, kan van die ingangsdatum van de wettelijke rente niet worden uitgegaan. De gevorderde wettelijke rente is, zoals subsidiair gevorderd, toewijsbaar vanaf de datum van de inleidende dagvaarding. Van een eerdere door [geïntimeerde] gestelde datum waarop Dexia jegens [geïntimeerde] in verzuim verkeerde is niet gebleken.

3.16

Onder leaseovereenkomst [nummer 8] is Dexia gehouden tweederde deel van de netto inleg (de inleg na verrekening van de onder deze leaseovereenkomst uitgekeerde dividenden) te betalen, omdat deze overeenkomst leidde tot een ‘onaanvaarbaar zware financiële last’ voor [geïntimeerde]. Volgens de hiervoor genoemde berekening is Dexia gehouden € 2.054,26 te betalen als schadevergoeding. Daarnaast dient Dexia van de restschuld van € 9.675,23 aan [geïntimeerde] tweederde deel daarvan te vergoeden, dat is € 6.450,48. Het voordeel van [geïntimeerde] dat resteerde na beëindiging van eerder gesloten leaseovereenkomsten bedraagt in totaal € 4.954,40. Dat brengt mee dat na voordeelverrekening geen recht op schadevergoeding voor [geïntimeerde] uit hoofde van de door hem betaalde inleg bestaat. Het door Dexia te vergoeden bedrag ter zake van de restschuld (€ 6.450,48) moet worden verminderd met het (resterende) bedrag aan voordeel (€ 4.954,40 – € 2.054,26 is € 2.900,14). [geïntimeerde] moet aldus aan restschuld betalen € 9.675,23 – (€ 6.450,48 – € 2.900,14) is € 6.124,89.

3.17

De stand van zaken in hoger beroep brengt mee dat Dexia als grotendeels in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Daarvan uitgaande is geen grond voor een andere proceskostenveroordeling dan in eerste aanleg is uitgesproken. Zij zal ook de kosten van het geding in hoger beroep hebben te dragen, vooralsnog te begroten op € 254,00 aan verschotten en € 3.576,00 voor salaris.

3.18

Als het partijen niet lukt in onderling overleg de zaak verder op te lossen of anderszins een uitspraak van het hof wensen, kan de meest gerede partij de zaak ter verdere beslissing aan het hof voorleggen. Indien in dat geval over de aan [geïntimeerde] toekomende bedragen geen overeenstemming bestaat, zal hij bij akte gemotiveerd en zonodig met stukken onderbouwd zijn vordering dienen te specificeren en zijn eis daarop dienen aan te passen (te verminderen). Als nog voortgezet debat over de hoogte van de vordering van [geïntimeerde] blijkt nodig te zijn, is het hof voorshands van oordeel dat de proceskosten van een verdere aktewisseling voor rekening van [geïntimeerde] dienen te komen. Het lag op zijn weg in een eerder stadium van het hoger beroep zijn vordering deugdelijk te substantiëren. Bij gebreke daarvan zijn met een verdere aktewisseling nodeloos kosten gemoeid.

3.19

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen zoals hierna wordt vermeld.

3.20

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2013 voor uitlating voortzetting door beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, J.C.W. Rang en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2013.