Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
09-09-2013
Zaaknummer
200.115.763-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Vordering tot woningontruiming toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.115.763/01 KG

zaaknummer/rolnummer rechtbank Haarlem : 194433 / KG ZA 12-370

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 juni 2013

inzake

de stichting

STICHTING YMERE,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. H.M.G. Brunklaus te Amsterdam,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

volgens eigen opgaaf wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. G.L. Breunesse te Leusden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Ymere en [geïntimeerde] genoemd.

Ymere is bij dagvaarding van 19 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem van 25 september 2012, in kort geding onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen Ymere als eiseres en onder anderen [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Ymere heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog [geïntimeerde] zal veroordelen tot ontruiming van de woning aan [adres], met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 april 2013 doen bepleiten, ieder door hun hiervoor genoemde advocaat, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben bij die gelegenheid nog producties overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1

Op 10 juli 2006 hebben (de rechtsvoorgangster van) Ymere en [geïntimeerde] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op de huurovereenkomst zijn Algemene Huurvoorwaarden van toepassing. Deze bepalen onder meer en kort weergegeven, dat de huurder het gehuurde zelf zal bewonen en er daadwerkelijk zijn hoofdverblijf zal hebben. Het is huurder verder niet toegestaan het gehuurde zonder toestemming aan een of meer derden in gebruik te geven.

2.2

Op 17 oktober 2011 hebben twee medewerkers van Ymere, [medewerker 1]en [medewerker 2] een bezoek aan de woning gebracht. Zij hebben daarvan schriftelijk verslag gedaan. Samengevat relateren beide medewerkers dat de woning wordt gebruikt door vader en zoon [X] en hun hond. De vader was ten tijde van het bezoek aan het koken en de woning oogde rommelig. Een derde kamer in de woning werd niet door de vader en zoon gebruikt. Daarin stonden een bed en een half lege kast. De kamer maakte op de medewerkers een onbewoonde indruk.

De buren op nummers 28, 30 en 38 weten niet beter dan dat ter plaatse een Hongaars althans buitenlands gezin woont.

Beide heren [X] hebben vanaf 20 mei 2008 op het adres van de woning ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie.

Op 5 december 2011 hebben de medewerkers nogmaals een bezoek aan de woning gebracht. Die zag er toen heel anders uit met een totaal andere inrichting en maakte een opgeruimde indruk.

2.3

Op 27 april 2012 heeft [medewerker 1]een gesprek gehad met zoon [X] die hem volgens [medewerker 1]heeft verklaard dat zijn vader en hij in december (2011; hof) uit de woning zijn vertrokken. Zij hadden voorheen wel eens contact met [geïntimeerde], maar hij was bijna nooit in de woning en zou ergens in Amsterdam of Almere wonen.

2.4 [

geïntimeerde] is vader van twee, binnenkort drie, kinderen. De moeder van de kinderen is [Y]. [Y] spreekt geen of slecht Nederlands. Zij woont in [woonplaats].

2.5

De eerder genoemde medewerkers van Ymere hebben op 7 september 2012 ook onderzoek gedaan in Almere. Daarbij hebben zij gesproken met de bewoners van [adres] (de onderburen van [Y]). Zij vertelden volgens het van het onderzoek opgemaakte verslag dat een man, een vrouw en twee kinderen in de woning aan [adres] wonen.

De buren op nummers 55 en 57 verklaren ook dat op nummer 69 een man, een vrouw en twee kinderen wonen.

De onderburen kennen de man als [geïntimeerde]. Zijn bedrijfsauto staat altijd op dezelfde plek geparkeerd. Bijna dagelijks zien zij de auto staan, ook in de avonduren en ’s nachts. Eerst had hij een zwarte Volkswagen Caddy met bedrijfsnaam. Die is later vervangen door een Volkswagen stationwagen, met bedrijfsnaam en nu heeft hij een zwarte Skoda Octavia, weer met bedrijfsnaam [I]. ’s Morgens gaat [geïntimeerde] altijd vroeg weg, rond een uur of zes, half zeven in de ochtend. Het gezin veroorzaakt (geluids)overlast. In verband daarmee is buurtbemiddeling ingeschakeld. De uitnodiging voor het bemiddelingsgesprek is aan [geïntimeerde] gestuurd. [geïntimeerde] heeft aan de bemiddeling meegedaan en het woord gevoerd. [geïntimeerde] had vroeger een stepapparaat maar heeft dat in verband met door de onderburen ondervonden geluidsoverlast weggedaan en is gaan sporten bij Actifit, een fitnesscentrum aan [adres], ongeveer 200 meter van de woning van [Y]. De benedenburen in [woonplaats] zien [geïntimeerde] volgens hun schriftelijke verklaring van 9 september 2012 een aantal malen per week in sportkleding met een handdoek naar de sportschool gaan.

2.6 [

medewerker 1], die in de buurt van [adres] woonachtig is, heeft van 22 juni tot 30 oktober 2012 een lijst bijgehouden van data en tijdstippen waarop hij de auto van [geïntimeerde] in of in de buurt van [adres] geparkeerd heeft zien staan of heeft zien rondrijden. Dat blijkt op doordeweekse dagen vaak ’s avonds te zijn en in het weekend regelmatig midden op de dag.

2.7

Volgens een op 18 maart 2013 opgesteld verslag van een bezoek op 15 maart van dat jaar door de genoemde medewerkers van Ymere aan de onderburen van [Y], is de situatie niet veranderd.

Bij e-mail van 13 april 2013 bevestigen de onderburen nogmaals dat naar hun overtuiging [geïntimeerde] aan [adres] woont.

3 Beoordeling

3.1

De voorzieningenrechter heeft de vordering tot ontruiming afgewezen, kort gezegd omdat op basis van de door partijen overgelegde bewijsstukken onvoldoende zeker is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Tegen dat oordeel komt Ymere in hoger beroep. Ymere heeft erop gewezen dat [geïntimeerde] de woning ook niet geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik mag geven (grief 1). Ymere meent voorts voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat [geïntimeerde] niet steeds zijn hoofdverblijf in de woning had (grief 2).

3.2

Het hoger beroep slaagt. Het hof stelt allereerst vast dat de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.2 van het vonnis terecht heeft geoordeeld dat Ymere voldoende spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Het hof maakt dat oordeel en de motivering daarvan tot de zijne.

3.3

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter voor het overige geoordeeld zoals hierboven is samengevat. Ymere heeft met de overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] de woning destijds in overwegende mate aan derden in gebruik heeft gegeven en daar toen niet woonde en thans niet woont. Daartoe is redengevend hetgeen hierboven onder 2.2 tot en met 2.7 aan feiten is vastgesteld. Het hof heeft geen reden aan te nemen dat de medewerkers van Ymere de door hen opgenomen verklaringen onjuist hebben genoteerd of over hun waarnemingen onjuiste mededelingen hebben gedaan. Evenmin is aannemelijk geworden dat de onderburen van [Y] in [woonplaats] onjuiste verklaringen hebben afgelegd.

3.4 [

geïntimeerde] heeft daartegenover te weinig concreet onderbouwd verweer gevoerd. Hij geeft toe dat de heren [X] van de woning gebruik hebben gemaakt. Voor het feit dat de enige niet door hen gebruikte kamer onbewoond oogde heeft [geïntimeerde] geen bevredigende verklaring gegeven. Dat hij erg netjes is verklaart niet dat de kamer een op de medewerkers van Ymere onbewoonde indruk maakte en doet er overigens niet aan af dat [geïntimeerde] kennelijk de woning in hoofdzaak tot december 2011 aan vader en zoon [X] in gebruik had gegeven. Op grond van de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s van enkel het interieur kan het hof evenmin tot de conclusie komen dat [geïntimeerde] in woning woonde of zelfs nu woont. De foto’s sporen niet met het beeld van een daadwerkelijk bewoonde woning. De foto’s zijn klaarblijkelijk alleen met het oog op deze procedure gemaakt. [geïntimeerde] staat ook niet op enige foto afgebeeld, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een in de woning gevierd feest of andere bijeenkomst.

De door [geïntimeerde] in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde verklaringen leggen weinig tot geen gewicht in de schaal. De verklaringen van [getuige 1, getuige 2, [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] zijn uitermate kort. De door hen getrokken conclusie dat [geïntimeerde] in de woning woont, wordt in de verklaringen niet onderbouwd door een uiteenzetting van feiten en omstandigheden waarop die conclusie berust. De omstandigheid – kort gezegd – dat [geïntimeerde] ter plaatse door hen regelmatig werd gezien, is in het licht van de verklaringen van de medewerkers van Ymere en hun hierboven geparafraseerde verslagen onvoldoende concreet om de conclusie te dragen dat [geïntimeerde] in de woning woont. In zijn schriftelijke verklaring van 31 juli 2012 maakt [X] (de zoon) evenmin duidelijk waarop zijn conclusie dat [geïntimeerde] in de woning woonde, die afwijkt van hetgeen hij tegenover de medewerker van Ymere heeft verklaard, is gebaseerd. Volgens zijn verklaring sliep hij meesttijds als [geïntimeerde] ‘thuis’ zou zijn gekomen en heeft hij hem dus kennelijk niet gezien en was [geïntimeerde] overigens vaak bij diens vriendin, kennelijk in [woonplaats], althans elders.

De door [geïntimeerde] overgelegde facturen met betrekking tot het waterverbruik in de periode mei 2010-mei 2011, de jaarafrekening van Nuon van december 2010 en 2011, gemeentelijke belastingaanslagen voor 2012, een nota voor een inboedelverzekering van 1 februari 2011 en een kennisgeving van deelname aan een bedrijfspensioenfonds van december 2011 overtuigen evenmin nu de tenaamstelling van de nota’s geen bewijs van bewoning door [geïntimeerde] is en daaraan ook niet kan bijdragen. De afrekeningen van de nutsbedrijven zien overigens alle op de periode waarin vader en zoon [X] in de woning verbleven.

Ten slotte is het betoog van [geïntimeerde], dat hij in verband met zijn werk vaak bij kennissen en vrienden ver van zijn woning overnachtte niet onderbouwd met verklaringen van die kennissen en vrienden noch door adressen van dergelijke overnachtingsplaatsen.

3.5

Het hof zal het vonnis op die grond vernietigen en het gevorderde alsnog toewijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde] de proceskosten in eerste aanleg en appel van Ymere moeten vergoeden.


4.Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen nadat dit arrest hem is betekend de woning gelegen aan [adres] te ontruimen met al de zijnen en het zijne, onder afgifte van de sleutels en wat verder tot het gehuurde behoort in behoorlijke staat op te leveren en ter algehele vrije beschikking van Ymere te stellen, met machtiging van Ymere om, voor het geval [geïntimeerde] aan deze ontruiming niet zal voldoen, hetzelfde te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Ymere begroot op € 742,17 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, R.J.M. Smit en W.J. Noordhuizen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2013.