Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1665

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
200.105.561-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Verplichting manager tot schadevergoeding wegens onregelmatigheden. Uitgaven voor privégebruik. Verplichting werkgever tot treffen pensioenvoorziening. Uitleg pensioenbeding in arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/31
AR-Updates.nl 2014-0042
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.105.561/01

zaaknummer rechtbank: 490654 CV EXPL 10-9313 (Haarlem)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 juni 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. M. Gerritsen te Utrecht,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. D.P. Kant te Almelo.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 10 april 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, hierna ‘de kantonrechter’, van 12 januari 2012 – dat is hersteld bij vonnis van 1 maart 2012 –, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven (in het principaal beroep), met producties;

  • -

    memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel beroep;

  • -

    memorie van antwoord in het incidenteel beroep.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen, zowel in conventie als in reconventie, en alsnog de in de memorie van grieven in het principaal beroep aangeduide vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – de in diezelfde memorie aangeduide vordering van [appellant] (geheel) zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het door hem ingestelde hoger beroep, althans tot verwerping van dat beroep, tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie, en tot alsnog afwijzing van de in de memorie van grieven in het incidenteel beroep aangeduide vordering van [appellant] en – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van de in diezelfde memorie aangeduide vordering van [geïntimeerde], met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van een of meer van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 15 september 2011 onder het kopje ‘De feiten’, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

Op 1 juni 2007 is [appellant] als ‘plant manager’ in dienst getreden van [geïntimeerde]. Partijen zijn hiertoe een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd. Deze overeenkomst bevat onder het kopje ‘Pensioen’ een bepaling luidend: ‘Nog nader overeen te komen.’ De overeenkomst bepaalt verder, onder andere, dat [appellant] in zijn genoemde functie verantwoording diende af te leggen aan [X], directeur van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] dreef een onderneming die zich bezighield met het be- en verwerken van en de groothandel in oliehoudende zaden, pitten, noten en aanverwante zaken. Als ‘plant manager’ had [appellant] de directe leiding over de activiteiten van die onderneming. Bij de uitoefening van zijn functie had hij een grote mate van vrijheid.

3.2.

Op 23 maart 2010 heeft [geïntimeerde] de hierboven bedoelde arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang mondeling opgezegd wegens de aanwezigheid van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:677, eerste lid, BW. Met betrekking tot die reden heeft [geïntimeerde] zich beroepen op ‘onregelmatigheden’ in de gedragingen van [appellant] als ‘plant manager’, in het bijzonder erin bestaande dat hij zonder verkregen toestemming bepaalde privéuitgaven voor rekening van [geïntimeerde] had doen komen. Partijen zijn vervolgens, nog steeds op 23 maart 2010, een schriftelijke overeenkomst aangegaan waarbij [appellant] met zijn ontslag per gelijke datum heeft ingestemd. In die overeenkomst is voorts een verplichting van [appellant] tot terugbetaling neergelegd.

3.3.

Met uitzondering van de gegrondheid en de omvang van de aan [appellant] verweten ‘onregelmatigheden’ staan de hierboven weergegeven feiten tussen partijen vast. Onder verwijzing naar die feiten hebben partijen over en weer rechtsvorderingen ingesteld. [geïntimeerde] vordert, kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, de terugbetaling van door [appellant] ten laste van [geïntimeerde] gedane privéuitgaven en de vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van een afspraak die [appellant] met een leverancier van grondstoffen voor de onderneming van [geïntimeerde] heeft gemaakt over de door [geïntimeerde] te betalen prijs voor die grondstoffen. [appellant] vordert, opnieuw kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, de betaling van een volgens hem nog door [geïntimeerde] verschuldigde bijdrage voor een pensioenvoorziening zijnerzijds.

3.4.

Het principaal beroep en het incidenteel beroep zijn gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter ter zake van een of meer van de hierboven bedoelde vorderingen en tegen de overwegingen waarop die beslissingen berusten. Andere door partijen ingestelde vorderingen – vooral betreffende de afwikkeling van de onder 3.1 genoemde arbeidsovereenkomst en de onder 3.2 genoemde beëindigingsovereenkomst – zijn niet in het hoger beroep betrokken, zodat hetgeen de kantonrechter ten aanzien daarvan heeft overwogen en beslist hierna buiten beschouwing zal blijven. Buiten beschouwing blijft voorts de vraag of [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, aangezien niet in geschil is dat die overeenkomst op 23 maart 2010 is geëindigd.

3.5.

[geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord in het principaal beroep (onder 2.7 en 2.8) betoogd dat [appellant] zowel in zijn memorie van grieven als in de dagvaarding waarmee het principaal beroep is ingeleid, heeft nagelaten een voldoende duidelijke eis in hoger beroep in te stellen en dat hij daarom in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betoog wordt verworpen: uit de bedoelde dagvaarding en memorie van grieven blijkt voldoende duidelijk dat [appellant] de vernietiging nastreeft van de daarbij aangeduide beslissingen van de kantonrechter en, in plaats daarvan, de afwijzing wil bereiken van de onder 3.3 genoemde vorderingen van [geïntimeerde] en de toewijzing – tot een hoger bedrag dan in eerste aanleg toegekend – van zijn eigen onder 3.3 genoemde vordering, op welke vorderingen de aangevallen beslissingen betrekking hebben. [geïntimeerde] heeft de eis van [appellant] in hoger beroep in deze zin kunnen en moeten verstaan en, naar blijkt uit haar antwoord in het principaal beroep, heeft zij dit ook gedaan. Dan is er voor niet-ontvankelijkverklaring zoals door [geïntimeerde] gevorderd geen grond.

3.6.

Met grief I in het principaal beroep bestrijdt [appellant] zijn veroordeling tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 6.640,- exclusief btw wegens ‘dakreparaties inclusief materiaal’ die ten laste van [geïntimeerde] zijn gekomen en die volgens [geïntimeerde], hierin door de kantonrechter gevolgd, betrekking hebben gehad op de privéwoning van [appellant].

3.7.

Het genoemde bedrag is aan [geïntimeerde] in rekening gebracht door degene die de betrokken werkzaamheden heeft uitgevoerd, [Y], bij factuur van
3 mei 2009. Deze factuur noemt noch de zaak waaraan, noch de datum of data waarop, de in rekening gebrachte werkzaamheden zijn uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft haar stelling dat die werkzaamheden betrekking hebben gehad op de privéwoning van [appellant] (en niet op de fabriek van [geïntimeerde]), met twee aan [geïntimeerde] gerichte facturen van [Y] gedateerd 19 november 2009 en 16 december 2009 – in eerste aanleg overgelegd bij brief van 5 oktober 2011 van mr. Kant – onderbouwd, welke facturen wél de data van de daarbij in rekening gebrachte werkzaamheden vermelden, respectievelijk 3 november 2009 en 15 december 2009, en welke facturen volgens [geïntimeerde] wél betrekking hebben op aan haar fabriek uitgevoerde, in de desbetreffende facturen nader omschreven, werkzaamheden. Zij heeft voorts gesteld – in de conclusie van repliek in conventie onder 5.3 – dat de door [Y] aan haar fabriek verrichte werkzaamheden niet voor of omstreeks 3 mei 2009 hebben plaatsgevonden.

3.8.

Niet in geschil is dat [appellant], als ‘plant manager’ die de directe leiding had over de onderneming van [geïntimeerde], feitelijk opdracht heeft gegeven of heeft doen geven aan [Y] voor de door laatstgenoemde bij de factuur van 3 mei 2009 in rekening gebrachte werkzaamheden. Gelet hierop had het op de weg van [appellant] gelegen om, ter onderbouwing van zijn betwisting van de hierboven bedoelde stelling van [geïntimeerde], aan te geven op welke concrete ‘dakreparaties inclusief materiaal’ die factuur betrekking heeft als het daarbij níet om zijn privéwoning is gegaan, in aanmerking genomen dat de factuur van 3 mei 2009 – anders dan de latere facturen – daarover niets naders vermeldt. In zijn toelichting op de grief heeft [appellant] uitsluitend in algemene bewoordingen aangevoerd dat er vanaf januari 2009 werkzaamheden zijn verricht aan het dak van de fabriek van [geïntimeerde] alsmede – ondersteund door een verklaring van een derde (niet: [Y]) gedateerd 8 juni 2012 – dat er geen bouwkundige aanpassingen hebben plaatsgevonden op de zolderverdieping van zijn privéwoning. Noch het een, noch het ander, geeft concreet aan op welke ‘dakreparaties inclusief materiaal’ de factuur van 3 mei 2009 ziet, waarbij nog komt dat de door [appellant] overgelegde verklaring in het geheel niet rept over een dak. Dit brengt mee dat [appellant] de stelling dat de bij de factuur van 3 mei 2009 in rekening gebrachte werkzaamheden betrekking hebben gehad op zijn privéwoning (en niet op de fabriek van [geïntimeerde]) onvoldoende heeft betwist, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. De grief faalt dus.

3.9.

Met grief II in het principaal beroep bestrijdt [appellant] zijn veroordeling tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 5.423,97 wegens door hem voor rekening van [geïntimeerde] bij winkelbedrijf Makro gekochte zaken, die volgens [geïntimeerde] voor privégebruik door [appellant] waren bestemd.

3.10.

In zijn toelichting op de grief wijst [appellant] er allereerst op dat – naar [geïntimeerde] in de conclusie van dupliek in reconventie onder 6 heeft erkend – niet alleen hij, maar ook een andere werknemer van [geïntimeerde], [Z], met gebruikmaking van een daartoe geëigende pas voor rekening van [geïntimeerde] aankopen deed bij Makro. Hij wijst er voorts op dat een door hem nader omschreven deel van de zaken waarop het hierboven genoemde bedrag betrekking heeft, naar zijn aard geschikter is voor gebruik in een bedrijfskantine, respectievelijk in een onderneming, dan voor gebruik in een particulier huishouden. Ten slotte voert [appellant] aan dat voor zover er wel zaken zijn aangeschaft die duiden op privégebruik, deze – door hem nader omschreven – zaken niet overeenstemmen met de inrichting en behoeften van zijn particuliere huishouden.

3.11.

Met het bovenstaande heeft [appellant] voldoende betwist dat hij bij Makro tot een bedrag van € 5.423,97 voor rekening van [geïntimeerde] zaken heeft gekocht die waren bestemd voor privégebruik zijnerzijds. Het had daarom op de weg van [geïntimeerde], die stelt dat [appellant] de desbetreffende aankopen heeft gedaan en die op grond daarvan een vordering tegen hem geldend wil maken, gelegen om met concrete feiten te onderbouwen dat [appellant] ten laste van [geïntimeerde] zaken voor privégebruik heeft gekocht tot het genoemde bedrag. Zulke feiten heeft [geïntimeerde] noch in de memorie van antwoord in het principaal beroep, noch in haar gedingstukken in eerste aanleg, in voldoende mate gesteld. Zij heeft voornamelijk volstaan met het noemen van mogelijkheden en aannemelijkheden en met een verwijt aan [appellant] dat de administratie van [geïntimeerde] op het punt van de aankopen bij Makro tekortschiet. Daarmee heeft [geïntimeerde] tegenover de betwisting door [appellant] onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat [appellant] daadwerkelijk voor haar rekening aankopen voor privégebruik heeft gedaan tot het genoemde bedrag, zodat de vordering tot terugbetaling niet toewijsbaar is en alsnog zal worden afgewezen. De grief slaagt dus.

3.12.

Met grief III in het principaal beroep bestrijdt [appellant] zijn veroordeling tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van € 1.502,30 wegens, wederom, het voor rekening van laatstgenoemde doen van uitgaven voor privégebruik, ditmaal met gebruikmaking van een hem door [geïntimeerde] beschikbaar gestelde creditcard – een zogeheten Mastercard – waarvan de daarmee gedane bestedingen ten laste van [geïntimeerde] zijn gekomen.

3.13.

In zijn toelichting op de grief voert [appellant] aan dat van het genoemde bedrag van € 1.502,30 een bedrag van € 94,- inderdaad een uitgave voor privégebruik betrof, maar dat hij dit bedrag van € 94,- ‘reeds lang geleden’ aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. [geïntimeerde] heeft dat niet bestreden, zodat op dit punt moet worden uitgegaan van de juistheid van het door [appellant] gestelde en de vordering van [geïntimeerde] in zoverre niet toewijsbaar is. Dit laatste geldt ook wat betreft een uitgave van € 705,80 die, volgens [appellant], verband hield met de aanschaf van een vliegticket ten behoeve van een bezoek van hem, [appellant], aan een vakbeurs te München van 16 tot en met 18 september 2009 (‘Oils + Fats 2009’). [geïntimeerde] heeft niet betwist dat die vakbeurs betrekking had op activiteiten zoals uitgeoefend door de onderneming van [geïntimeerde], niet dat [appellant] die beurs daadwerkelijk heeft bezocht en niet dat laatstgenoemde daar heeft gesproken met de leverancier van een – eerder aangeschafte – persmachine die in de onderneming van [geïntimeerde] werd gebruikt. Gelet op deze feiten heeft [geïntimeerde] haar stelling dat de aanschaf van het vliegticket voor privégebruik door [appellant] was bestemd, tegenover diens betwisting, onvoldoende onderbouwd, zodat haar vordering tot terugbetaling van de kosten van dat ticket een toereikende feitelijke grondslag mist.

3.14.

Op zijn beurt heeft [appellant] ten aanzien van een bedrag van € 677,- ter zake van de beweerde aanschaf van een dompelpomp en – naar het hof begrijpt – een zitmeubel, de stelling van [geïntimeerde] dat het hier om niet-terugbetaalde uitgaven voor privégebruik van [appellant] is gegaan, onvoldoende betwist. Hierbij is van belang dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat zij in haar administratie geen bescheiden betreffende de genoemde aankopen heeft aangetroffen en dat [appellant] zijn verklaring van die aankopen niet met bescheiden, van welke aard dan ook, heeft onderbouwd. De vordering tot terugbetaling van € 677,- is dus toewijsbaar. Dit laatste geldt ook voor de vordering tot terugbetaling van € 25,50, aangezien [appellant] in zijn toelichting op de grief de verschuldigdheid van dit bedrag heeft erkend. Het voorgaande brengt mee dat de grief gedeeltelijk slaagt en voor het overige faalt.

3.15.

Grief IV in het principaal beroep en de ongenummerde grief onder 6.2 in de memorie van grieven in het incidenteel beroep komen beide op tegen de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 9.690,- (netto) wegens, kort gezegd, de nog door [geïntimeerde] verschuldigde bijdrage voor een pensioenvoorziening van [appellant]. De desbetreffende vordering van [appellant], die een hoger bedrag – namelijk € 38.944,28 – beloopt, stoelt op hetgeen in de onder 3.1 aangehaalde arbeidsovereenkomst tussen partijen is bepaald onder het kopje ‘Pensioen’, in het bijzonder op de stelling dat [geïntimeerde] haar verplichting uit die bepaling niet is nagekomen doordat zij voor [appellant] geen pensioenvoorziening heeft getroffen.

3.16.

Anders dan [geïntimeerde] meent kan noch uit de vermelding ‘Nog nader overeen te komen’ onder het kopje ‘Pensioen’, noch uit het feit dat partijen tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst geen nadere afspraak over een pensioenvoorziening voor [appellant] hebben gemaakt, worden afgeleid dat [geïntimeerde] geen bijdrage ten behoeve van een zodanige voorziening is verschuldigd. In aanmerking genomen de zin die partijen in de geven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betrokken bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, moet de bepaling getiteld ‘Pensioen’ in de arbeidsovereenkomst aldus worden verstaan, dat [geïntimeerde] gehouden was enigerlei pensioenvoorziening voor [appellant] te treffen of daaraan bij te dragen – na diens indiensttreding als ‘plant manager’ – en dat de concrete invulling van die voorziening of van de bijdrage van [geïntimeerde] daaraan, door partijen in samenspraak zou worden vastgesteld. Op de eerste plaats is hierbij van belang dat als die bepaling anders zou worden uitgelegd, haar opname in de arbeidsovereenkomst zonder betekenis zou zijn: zij zou dan immers voor geen van de partijen een recht of een verplichting scheppen. Op de tweede plaats is bij de zojuist gegeven uitleg van belang dat [appellant] volgens zijn onweersproken stelling in de conclusie van eis in reconventie onder 27, in 2009 – vóór de beëindiging van zijn dienstverband – op verzoek van [geïntimeerde] bij twee verschillende pensioenverzekeraars offertes heeft gevraagd voor een te treffen pensioenvoorziening, zowel voor hemzelf als voor andere werknemers van [geïntimeerde]. Hiervoor zou, wat de voorziening voor [appellant] betreft, geen aanleiding zijn geweest als de aangehaalde bepaling in de arbeidsovereenkomst niet in de zojuist beschreven zin zou worden verstaan.

3.17.

In hoger beroep is niet in geschil dat volgens de laagste door [appellant] gevraagde – en ontvangen – offerte het totaal van de premies voor een pensioenvoorziening voor hem gedurende zijn dienstverband bij [geïntimeerde] € 19.380,- zou hebben belopen zoals door de kantonrechter is aangenomen, als een dergelijke voorziening zou zijn getroffen. Evenmin in geschil is dat die premies in dat geval geheel ten laste van [geïntimeerde] zouden zijn gekomen: de kantonrechter heeft aldus overwogen (op bladzijde 6 van het bestreden vonnis), de incidentele grief van [geïntimeerde] bestrijdt die overweging niet en in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] evenmin iets anders aangevoerd. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat op grond van de hierboven aangehaalde bepaling – in ieder geval – een deel van de pensioenpremies ten laste van [appellant] zelf zou moeten komen. Er moet daarom van worden uitgegaan dat de betrokken premies geheel ten laste van [geïntimeerde] zouden zijn gekomen als voor [appellant] een pensioenvoorziening was getroffen. Dat [geïntimeerde] ter zake méér zou zijn verschuldigd dan de premies volgens de laagste offerte, die de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen, is door [appellant] niet, althans niet voldoende, onderbouwd: hij voert immers niet aan dat, laat staan waarom, die offerte níet en de hogere offerte wél een afdoende pensioenvoorziening voor hem behelsde. De vordering van [appellant] wegens de niet-getroffen pensioenvoorziening is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 19.380,-. Voor een halvering van dit bedrag zoals de kantonrechter heeft gedaan bestaat rechtens geen grond, voor een verhoging op grond van het bepaalde in artikel 7:625 BW – dat te dezen toepassing mist – zoals door [appellant] gevorderd evenmin. Het voorgaande brengt mee dat de grief in het principaal beroep grotendeels slaagt en dat de incidentele grief faalt.

3.18.

Met de ongenummerde grief onder 7 in de memorie van grieven in het incidenteel beroep komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing van haar vordering tot vergoeding van schade wegens een afspraak die [appellant] met een leverancier van grondstoffen voor de onderneming van [geïntimeerde] zou hebben gemaakt over de door [geïntimeerde] te betalen prijs voor die grondstoffen. De vordering beloopt een bedrag van € 6.145,05.

3.19.

In haar toelichting op de grief heeft [geïntimeerde] zowel het bestaan van de door haar gestelde, door [appellant] betwiste, afspraak als de schade die zij als gevolg van die afspraak heeft geleden, onvoldoende toegelicht. Op de eerste plaats heeft zij nagelaten toe te lichten wanneer, met betrekking tot welke aan haar geleverde grondstoffen en tegen welke prijs of prijzen, [appellant] de gestelde afspraak heeft gemaakt. Dit klemt in het bijzonder, nu [appellant] reeds in eerste aanleg – in de conclusie van dupliek in conventie onder 26 en 27 – heeft aangevoerd dat niet híj, maar de onder 3.1 genoemde directeur van [geïntimeerde], Bakker, met de betrokken leverancier, Euronuts B.V., prijsafspraken maakte. Het had daarom op de weg van [geïntimeerde] gelegen haar stelling dat [appellant] haar door het maken van een prijsafspraak heeft benadeeld, nader te onderbouwen met feiten waaruit die afspraak blijkt. Op de tweede plaats heeft [geïntimeerde] niet met feiten onderbouwd dat en zo ja, in welke mate, de met de leverancier afgesproken prijs of prijzen in voor haar nadelige zin afweken van de destijds voor de betrokken grondstoffen geldende marktprijzen, die – naar [appellant] onweersproken heeft aangevoerd – fluctueerden. Zij heeft immers alleen het bedrag van haar beweerde schade genoemd en niet toegelicht hoe de volgens haar door [appellant] afgesproken prijs of prijzen zich verhielden tot de toepasselijke marktprijzen, zodat uit haar stellingen niet blijkt dat zij schade heeft geleden als gevolg van een – voor haar nadelig – verschil tussen beide. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding, bij gebreke van een toereikende feitelijke grondslag, ook in hoger beroep niet toewijsbaar is en dat het bewijsaanbod van [geïntimeerde] – in de memorie van grieven in het incidenteel beroep onder 8.5 en 8.6 – moet worden gepasseerd, aangezien [geïntimeerde] geen voldoende concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. De grief faalt dus.

3.20.

De slotsom uit het hierboven overwogene is dat het principaal beroep gedeeltelijk slaagt en voor het overige faalt, dat het incidenteel beroep in zijn geheel faalt en dat het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen gedeeltelijk moet worden vernietigd, zowel in conventie als in reconventie, en voor het overige moet worden bekrachtigd. Ten aanzien van de vorderingen waarop de grieven II, III en IV in het principaal beroep betrekking hebben, zal opnieuw worden beslist zoals hierna te melden. Nu partijen in het principaal beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het principaal beroep tussen hen worden verrekend zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel beroep, aangezien zij daarin geheel in het ongelijk is gesteld. De bij het bestreden vonnis uitgesproken kostenveroordelingen ten aanzien van het geding in eerste aanleg, in conventie en in reconventie, zullen in stand worden gelaten, aangezien de uitkomsten van het principaal en van het incidenteel beroep geen aanleiding geven daarover anders te beslissen.

4 Beslissing

Het hof:

in het principaal beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie (uitsluitend) voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen:

‘€ 5.423,97 voor de aldus genaamde Makro-afrekening’ en

‘€ 1.502,30 voor de aldus genaamde Mastercard-afrekening’;

vernietigt het vonnis waarvan beroep in reconventie (uitsluitend) voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld aan [appellant] te betalen:

‘€ 9.690,- netto als schadevergoeding voor gemiste pensioenaanspraken’; en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] in conventie om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [geïntimeerde] te betalen een geldsom van € 702,50 ter zake van niet-terugbetaalde uitgaven met de door [geïntimeerde] aan [appellant] beschikbaar gestelde Mastercard;

veroordeelt [geïntimeerde] in reconventie om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [appellant] te betalen een geldsom van € 19.380,- ter zake van niet-betaalde pensioenpremies;

bekrachtigt het bestreden vonnis, in conventie en in reconventie, voor al het overige;

verrekent de kosten van de procedure in het principaal beroep zodanig, dat daarvan iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incidenteel beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op nihil aan verschotten en op € 579,- voor salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D.J. van der Kwaak en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2013.