Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1468

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
200.105.718-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Toestemming echtgenoot. Vernietigingsverklaring. Verjaring. De kantonrechter heeft terecht de contractanten toegelaten tot tegenbewijs tegen de stelling van Dexia dat toen de vernietigingsverklaring werd uitgebracht, de echtgenoot reeds sedert meer dan drie jaren bekend was met de leaseovereenkomsten. Met de getuigenverklaringen zijn de aanwijzingen die de stelling van Dexia ondersteunen, ontzenuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.105.718/01

rol-/zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1110246 DX EXPL 09-639

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 mei 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

De partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

Dexia is bij dagvaarding van 13 april 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van

7 maart 2012, in deze zaak onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen

[geïntimeerde] als eiser en Dexia als gedaagde.

1.3

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven, met producties;

  • -

    memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest op de stukken gevraagd.

1.4

Dexia heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot terugbetaling van het ter uitvoering van het bestreden vonnis door Dexia aan hem betaalde bedrag van € 18.528,55, met rente, en met zijn veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties, met rente en nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, naar het hof verstaat, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en Dexia zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

1.5

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

2 Beoordeling

2.1

De rechtbank heeft in het in deze zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis van 11 augustus 2010 onder rov. 2.1 tot en met 2.5 en in het bestreden vonnis van

7 maart 2012 onder rov. 1.2 een aantal feiten vastgesteld. Die feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

2.2

Tussen partijen staat het volgende vast.

a. [geïntimeerde] heeft op 27 maart 1998 twee leaseovereenkomsten getiteld "Spaarleasen" ondertekend als lessee, met als wederpartij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Legio Lease B.V., van welke vennootschap Dexia rechtsopvolgster onder algemene titel is (onder de aanduiding Dexia zullen hierna mede haar rechtsvoorgangsters begrepen worden). De ene overeenkomst vermeldt als contractnummer 36010290, als looptijd 180 maanden en als maandtermijn f 100,86 (het equivalent van € 45,77), met de vermelding dat de lease-som het totaal van de

180 maandtermijnen bedraagt. De andere overeenkomst vermeldt als contractnummer 36010324, als looptijd 180 maanden en als maandtermijn f 151,29 (het equivalent van € 68,65), eveneens met de vermelding dat de lease-som het totaal van de

180 maandtermijnen bedraagt.

b. Ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten was [geïntimeerde] gehuwd met [X] (hierna:[X]) (en ook thans nog is hij met haar gehuwd). Zij heeft geen toestemming verleend voor het aangaan van de leaseovereenkomsten. Bij brief van 7 juni 2006 heeft zij met een beroep op artikel 1:89 BW een vernietigingsverklaring met betrekking tot de leaseovereenkomsten uitgebracht.

c. Met betrekking tot leaseovereenkomst 36010290, die is verlengd, heeft Dexia een eindafrekening d.d. 16 juli 2010 opgesteld, met als resultaat dat [geïntimeerde] in totaal € 22,01 dient te betalen, welk bedrag hij heeft betaald. Met betrekking tot leaseovereenkomst 36010324 heeft Dexia een eindafrekening

d.d. 25 mei 2006 opgesteld, met als resultaat dat [geïntimeerde] in totaal € 92,64 dient te ontvangen, welk bedrag hij heeft ontvangen.

2.3

In dit geding heeft [geïntimeerde] primair gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechter voor recht verklaart dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerde] in het kader van die overeenkomsten heeft betaald, met rente, en, voor het geval Dexia met betrekking tot [geïntimeerde] een A-codering aan de Stichting BKR heeft doorgegeven, Dexia beveelt om te bewerkstelligen dat de registratie wordt doorgehaald en de daaraan gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van de verbeurte van dwangsommen. Subsidiair heeft hij gevorderd, zakelijk weergegeven, dat de rechter Dexia veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerde] in het kader van die overeenkomsten heeft betaald, met rente, wegens niet-nakoming van de zorgplicht van Dexia, met hetzelfde bevel als primair gevorderd.

2.4

Dexia heeft het verweer gevoerd dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. Zij heeft daartoe gesteld dat op 7 juni 2006, toen de vernietigingsverklaring werd uitgebracht, reeds meer dan drie jaren waren verstreken sinds de dag waarop

[X] bekend raakte met de leaseovereenkomsten.

2.5

[geïntimeerde] heeft betwist dat [X] meer dan drie jaar vóór de dag waarop de vernietigingsverklaring werd uitgebracht, bekend is geraakt met de leaseovereenkomsten. [geïntimeerde] heeft in dat verband schriftelijke verklaringen in het geding gebracht.

2.5.1

Een schriftelijke verklaring, op 13 juli 2009 ondertekend door [geïntimeerde] en

[X], vermeldt onder meer:

"Contractant [d.i. [geïntimeerde], opm. hof] heeft echtgenote [d.i. [X], opm. hof] aanvankelijk niet verteld dat hij een contract met Dexia (of de rechtsvoorganger van Dexia) had afgesloten en zij was daarvan ook niet op de hoogte. De betalingen werden gedaan vanaf de zakelijke bankrekening van contractant. Echtgenote had geen zicht op de bankafschriften van deze rekening. (...)

Berichten in de media waren voor eiser [d.i. [geïntimeerde], opm. hof] aanleiding om echtgenote te informeren over de contracten die hij was aangegaan met Dexia. Op 31 augustus 2005 heeft contractant een intakegesprek gehad met Leaseproces. Op dit moment was echtgenote nog maar recent op de hoogte gesteld door contractant. De exacte maand weten contractant en echtgenote niet meer. Zeker is wel dat contractant echtgenote niet eerder dan 2005 heeft ingelicht. (...)".

2.5.2

Een aanvullende schriftelijke verklaring, op 23 maart 2010 ondertekend door

[geïntimeerde] en [X], vermeldt onder meer:

"In het eerste half jaar van 2005 had contractant een gesprek met kennissen, die niet op de hoogte waren dat contractant ook contracten had bij Dexia, waarin ze hem vertelden dat ze het schip in waren gegaan met Dexia-contracten. Dit was voor contractant aanleiding om de berichtgeving over de aandelenlease-affaire te gaan volgen. Tot dit moment was contractant geen negatieve berichten over Dexia in de media opgevallen, in ieder geval niet op een wijze waarbij contractant begreep dat het bij deze berichtgeving ook de contracten betrof die hij bij Dexia had afgesloten. Contractant keek bovendien zelden naar uitzendingen van Tros Radar.

Door het volgen van de berichtgeving omtrent de aandelenlease-affaire besefte contractant dat ook hij een gedupeerde was van deze affaire en heeft toen meteen zijn echtgenote ingelicht over de contracten. Door middel van een advertentie in een krant werd contractant geattendeerd op Leaseproces en heeft hij zich vervolgens hierbij aangemeld. Op dit moment was echtgenote nog maar recent op de hoogte van de onderhavige contracten. Zodoende is echtgenote niet eerder dan in het eerste halfjaar van 2005 op de hoogte geraakt van de Dexia-contracten."

2.6

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 11 augustus 2010 voorshands bewezen geacht dat [X] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomsten en heeft [geïntimeerde] toegelaten tot tegenbewijs.

2.7

[geïntimeerde] heeft op 20 juli 2011 [X] en zichzelf als getuigen doen horen ten overstaan van de kantonrechter.

2.7.1

[X] heeft als getuige ten overstaan van de kantonrechter onder meer het volgende verklaard:

"Ik ben toen ik 22 jaar was begonnen in de bloemenwinkel samen met mijn man. Hij deed de inkoop en ik stond in de winkel. (...) Ik heb mij vanaf het begin van de zaak niet met de financiën beziggehouden. (...) Volgens mij was er in die tijd een rekening waarvan alle zakelijke dingen gebeurden. (...) De zaken zijn gestopt in dacht ik 2003, 2004. In 2001 ben ik zelf bij een modezaak aan het werk gegaan (...). De betalingen voor de zaak werden gedaan door mijn man. (...) Degene die de post haalde, legde hem ook in het bureau. De post wordt niet geopend. (...) Eigenlijk laat ik alles heel gemakzuchtig aan mijn man over. Ik heb nooit mappen van Dexia of Labouchere gezien. (...) In de tijd van de winkel kreeg ik per week een bepaald bedrag aan huishoudgeld contant. (...) Ik heb nooit een creditcard of bankpas gehad van de zakelijke rekening. (...) Ik heb nooit rekeningafschriften van de zaak bekeken. (...) Ik zal de belastingaangifte wel getekend hebben, maar las hem niet door. (...) Ik weet niet meer wanneer ik precies voor het eerst hoorde van de overeenkomst. In de krant stond iets over Leaseproces en mijn man zei dat wij ook zoiets hadden en dat wij maar eens contact moesten opnemen met die club. Ik denk dat we in het weekend met de krant aan tafel zaten en toen kwam daar Leaseproces naar voren. Ik weet niet of ik toen nog doorgevraagd heb. Ik weet niet of ik heb gevraagd hoeveel overeenkomsten er waren. Het gesprek was in de trant van: die hebben wij ook, maar het gesprek had geen alarmerend karakter. (...) Wij hebben wel eens besproken of [de kinderen] zouden gaan studeren, maar we hoefden ons daarover geen zorgen te maken, want de zaken gingen toen heel goed. (...)

Het moment dat ik hoorde van de overeenkomst zagen we in de krant iets over Leaseproces en mijn man zei dat wij daar ook iets van hadden. Als mij mijn aanvullende verklaring van 29 maart 2010 wordt voorgehouden waarin is vermeld dat in het eerste halfjaar van 2005 een gesprek met kennissen heeft plaatsgevonden, dan zeg ik u dat ik mij daar niets van kan herinneren. Het is wel mijn handtekening onder de aanvullende verklaring. Ik kan mij niet herinneren dat ik deze verklaring met mijn man heb opgesteld. (...)

De namen Legiolease en Dexia heb ik weleens horen vallen, maar dat is in deze periode."

2.7.2

[geïntimeerde] heeft als getuigen ten overstaan van de kantonrechter onder meer het volgende verklaard:

"De bloemenwinkel zijn wij in 1988 begonnen. (...) Mijn vrouw stond in de winkel en ik zorgde voor de inkoop. (...) Er was een bankrekening en die beheerde ik alleen. De bankafschriften met de bijbehorende facturen werden door mij afgehandeld en doorgestuurd naar de boekhouder. De rekeningen en de bankafschriften lagen ongeopend op een stapel. Na een tijdje zorgde ik voor de afhandeling daarvan. (...) Wij hadden een rekening voor de zaak en later toen mijn vrouw is gaan werken is er een rekening voor haar bij gekomen. (...) [Het huishoudgeld] was alleen in cashgeld. (...) Ook over verzekeringen spraken wij niet, die regelde ik. Hetzelfde geldt voor de oudedagvoorziening. Mijn vrouw heeft daar geen interesse in. Ik weet niet meer precies hoe de overeenkomsten met Legiolease tot stand zijn gekomen. Ik heb dat niet met mijn vrouw besproken. (...) Ik heb twee mappen van Legiolease in huis gekregen en die zijn in de la gegaan. Iedereen heeft toegang tot die la, (...) maar ik ben de enige die van die la gebruik maakt. Ik heb nooit een overzicht dat ik heb ontvangen van Legiolease met mijn vrouw besproken. Zij heeft ook nooit vragen over afschriften gesteld. Ik deed de financiële kant en mijn vrouw deed de andere kant van de winkel. In februari 2005 zijn wij verhuisd naar ons nieuwe huis. (...) Ik weet niet precies de exacte omstandigheden waaronder ik aan mijn vrouw verteld heb dat wij een overeenkomst hadden, maar ik weet wel dat dit in ons nieuwe huis was. Ik weet dat Leaseproces een advertentie in de krant had gezet en ik kan mij herinneren dat ik toen zei dat ik eens ging informeren of dat ook voor ons van toepassing kon zijn. Een collega van mij had ook zo een contract. (...) Hij zei mij dat het best wel gevaarlijke polissen waren. Toen kwam daar vervolgens de advertentie van Leaseproces overheen en is er een afspraak met Leaseproces gekomen. Als u aan mij [de] aanvullende verklaring van 29 maart 2010 voorhoudt, waarin vermeld staat dat ik met een kennis heb gesproken, zeg ik u dat dit de collega was waarover ik net sprak. Deze verklaring is door een medewerker van Leaseproces opgesteld naar aanleiding van mijn verklaring. Ik heb die verklaring doorgelezen en vervolgens getekend. Ik weet niet meer of mijn vrouw daarbij betrokken is geweest, maar als ik haar om een handtekening heb gevraagd, dan zal zij die gezet hebben. (...)

De belastingaangifte deed de boekhouder en mijn vrouw was daar niet bij. Zij las die aangifte ook niet door, helemaal niet. Zij had geen pasje van de zakelijke rekening. Ik heb de contracten gesloten om een aanvullend pensioen te krijgen. (...) Verder was het bedoeld voor de studie van de kinderen. Ik heb dit niet met mijn vrouw besproken. Dit waren initiatieven van mijzelf. (...)

Mijn vrouw en ik kunnen allebei in de financiële stukken kijken. Als zij dat gewild had, dan had zij dat ook kunnen doen maar dat is nooit aan de orde geweest."

2.8

Bij het bestreden vonnis van 7 maart 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het opgedragen tegenbewijs. Daarom heeft hij het beroep op verjaring verworpen en aangenomen dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd. Op grond daarvan heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de

leaseovereenkomsten buitengerechtelijk zijn vernietigd, Dexia veroordeeld tot betaling van € 11.357,39 met rente en Dexia bevolen om het Bureau Kredietregistratie te berichten dat [geïntimeerde] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft. Tegen deze beslissingen is het hoger beroep gericht.

2.9

Beide grieven strekken ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte de stelling van Dexia niet heeft aangenomen dat toen op 7 juni 2006 de vernietigingsverklaring werd uitgebracht, [X] reeds sedert meer dan drie jaren bekend was met de leaseovereenkomsten. De grieven falen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

2.10

De tussen partijen vaststaande omstandigheden dat de betalingen aan Dexia hebben plaatsgevonden vanaf de zakelijke rekening van de gezamenlijke onderneming van [geïntimeerde] en [X] en dat [geïntimeerde] en [X] beiden toegang hadden tot die rekening, leveren een sterke aanwijzing op voor de juistheid van de stelling van Dexia dat [X] ergens tussen 1998 en medio 2003 door raadpleging van de rekeningafschriften bekend moet zijn geraakt met het bestaan van de leaseovereenkomsten en dat zij dus op 7 juni 2006 reeds sedert meer dan drie jaren daarmee bekend was.

2.11

Daarbij komen andere omstandigheden die Dexia heeft genoemd: de doelstelling om de leaseovereenkomsten (mede) aan te wenden voor de studie van de kinderen, vormt in het algemeen een aanwijzing dat met de partner besproken is dat de overeenkomsten zijn afgesloten, aangezien de partner in het algemeen immers geïnteresseerd zal zijn in de vraag of er financiële ruimte is of gecreërd moet worden om de kinderen te laten studeren; de aandacht die, naar tussen partijen vaststaat, eerder dan in 2005 in de media aan de aandelenleaseproblematiek is geschonken, vormt in het algemeen een aanwijzing dat iemand die contracten als de onderhavige heeft gesloten, dit naar aanleiding van die media-aandacht met de partner zal hebben besproken; de omstandigheid dat over de leaseovereenkomsten stukken naar de contractant plachten te worden gestuurd met de post, vormt in het algemeen een aanwijzing dat de partner gezien zal hebben dat er post van Dexia of haar rechtsvoorgangsters in het gezin ontvangen werd; de omstandigheid dat de partner de belastingaangifte (mede) heeft ondertekend, vormt in het algemeen een aanwijzing dat de partner heeft kennisgenomen van informatie over afgesloten contracten als de onderhavige; en de gezinsverhoudingen in Nederland zijn in het algemeen zo, dat als een partner contracten als de onderhavige afsluit, de andere partner daarvan kennisneemt.

2.12

Het voorgaande neemt echter niet weg dat in gevallen als de onderhavige, waarin de hiervoor in rov. 2.10 en 2.11 weergegeven omstandigheden zich voordoen, een contractant moet worden toegelaten tot tegenbewijs tegen de stelling van Dexia dat de partner van de contractant op de dag van de vernietigingsverklaring reeds sedert meer dan drie jaren bekend was met de leaseovereenkomsten waarop de vernietigingsverklaring ziet. In een concreet geval kan zich immers de situatie voordoen dat ondanks al voornoemde aanwijzingen van het tegendeel, een partner toch niet bekend was met het bestaan van de leaseovereenkomsten. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] dus terecht toegelaten tot tegenbewijs.

2.13

Met de getuigenverklaringen van [X] en [geïntimeerde] zijn de aanwijzingen die de stelling van Dexia ondersteunen, ontzenuwd, omdat de getuigenverklaringen voldoende twijfel zaaien over de juistheid van de voorshands bewezen geachte stelling. Beide verklaringen komen erop neer dat [X] niet betrokken was bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, ook al waren ze mede bedoeld voor de studie van de kinderen, dat zij niet kennisnam van afschriften van de zakelijke rekening, dat de media-aandacht die er vóór medio 2005 voor aandelenleaseproducten was, er niet toe heeft geleid dat zij kennisnam van het bestaan van de leaseovereenkomsten, dat zij binnenkomende zakelijke post niet opende, dat die post ook overigens er niet toe heeft geleid dat zij kennisnam van het bestaan van de leaseovereenkomsten en dat ook haar handtekening op belastingaangiften niet daartoe heeft geleid. Pas kort voordat [geïntimeerde] zich in 2005 tot Leaseproces wendde, heeft

[X] kennisgenomen van het bestaan van de leaseovereenkomsten, zulks naar aanleiding van een gesprek van [geïntimeerde] met een collega hierover en aandacht hiervoor in de krant, aldus de verklaringen. Het hof kan niet met voldoende mate van zekerheid aannemen dat deze getuigenverklaringen onjuist zijn.

2.14

Ook de verdere bijzonderheden die Dexia in dit geval heeft aangevoerd, moeten in de beoordeling worden betrokken, maar zij leiden niet tot een ander oordeel.

De omstandigheid dat [geïntimeerde] op 19 juli 2005 een duplicaat van de leaseovereenkomsten heeft aangevraagd, legt geen gewicht in de schaal.

De omstandigheid dat in 1998 een hypotheek is aangevraagd en dat de BKR-notering van de leaseovereenkomsten toen voor problemen met die aanvraag heeft gezorgd, legt wel gewicht in de schaal, maar onvoldoende, omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat ook van deze problemen slechts door [geïntimeerde] en niet door

[X] kennis is genomen.

Voorts betreffen de verschillen tussen de getuigenverklaring van [geïntimeerde] en die van

[X] slechts ondergeschikte punten en zijn zij niet van dien aard dat op die grond zou moeten worden aangenomen dat de getuigenverklaringen onvoldoende sterk zijn om het bewijs te ontzenuwen.

2.15

Het algemene bewijsaanbod van Dexia zal als onvoldoende specifiek worden gepasseerd.

2.16

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Dexia zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 291,00 aan verschotten en € 1.158,00 voor salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, G.C.C. Lewin en

H.O. Kerkmeester en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op

7 mei 2013.