Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1459

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
106.005.496-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarden uitzendbureau niet onredelijk bezwarend. Verschuldigd bedrag is onderdeel van het loon van de opdrachtnemer, en niet een contractuele boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 106.005.496/02

Zaak-rolnummer rechtbank: 210168 / HA ZA 06-844

Arrest d.d. 7 mei 2013

in de zaak van

B-Street B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

appellante,

hierna te noemen: Trend,

advocaat: mr. R. Stekelenburg te Houten,

tegen

Trend Uitzendburo B.V.,

gevestigd te Woerden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: B-Street,
advocaat: mr. N.J.M. Derks te Woerden.

Het geding

Bij exploot van 25 augustus 2006 is Trend in hoger beroep gekomen van het vonnis van 28 juni 2006 dat de rechtbank Utrecht tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven van

6 september 2011 heeft Trend grieven tegen het vonnis aangevoerd welke B-Street bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

1.

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. Trend exploiteert een uitzendbureau. Op 9 november 2004 heeft B-Street ([X]) haar verzocht een commerciële binnendienstmedewerker ter beschikking te stellen. Daarop heeft Trend ([Y]) gereageerd bij faxbrief van 18 november 2004, inhoudende:

“Geachte mevrouw [X],

Op de aanbiedingen zijn de Algemene Voorwaarden van de ABU van toepassing, welke u bijgaand aantreft. Na minimaal 600 gewerkte uren is het mogelijk om de kandidaat kosteloos een contract aan te bieden.”
Het faxbericht vermeldt: “aantal pagina’s inclusief het voorblad: 7”

Artikel 4 onder f van deze Algemene Voorwaarden houdt in (voor zover van belang):

“Indien de opdrachtgever (…) binnen een termijn van zes maanden na aanvang van de terbeschikkingstelling een arbeidsverhouding met de uitzendkracht aangaat voor dezelfde of een andere functie, is de opdrachtgever aan de uitzendonderneming de volgende vergoeding verschuldigd:
1. indien de arbeidsverhouding met de uitzendkracht aanvangt vóór de terbeschikkingstelling tien gewerkte weken heeft geduurd: een vergoeding ten bedrage van 20% van het laatstelijk geldende opdrachtgeverstarief voor de betrokken uitzendkracht over een periode van zes maanden; (…)”

b. Trend heeft aan B-Street als kandidate voorgesteld [Z] met wie B-Street op 23 november en 30 november 2004 gesprekken heeft gevoerd. B-Street is vervolgens met haar een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan. De arbeidsverhouding heeft op 1 januari 2005 een aanvang genomen.

c. Trend heeft aan B-Street een, op artikel 4 van de Algemene Voorwaarden gebaseerde, factuur d.d. 17 januari 2005 tot een bedrag van € 7.136,48 (€ 8.492,41 inclusief BTW) gezonden. In de begeleidende brief van dezelfde datum wordt “toedeling van de (gerechtelijke) kosten” overeenkomstig hetgeen hierover in de Algemene Voorwaarden is vermeld, aangekondigd indien betaling niet vóór 26 januari 2005 is ontvangen. B-Street heeft geweigerd deze factuur te betalen.

12.

Tegen de achtergrond van de hiervoor beschreven feiten vordert Trend in deze procedure betaling van voormeld bedrag van € 8.492,41, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand, althans de wettelijke rente vanaf 26 januari 2005, althans vanaf 31 januari 2005 alsmede betaling van € 1.273,86, althans een door de rechter vast te stellen bedrag als vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten. Nadat de rolrechter had beslist dat het recht van B-Street om te mogen concluderen voor antwoord was vervallen, heeft de rechtbank deze vorderingen toegewezen, met dien verstande dat de rente werd toegewezen vanaf de subsidiair gevorderde datum, 31 januari 2005, omdat de Algemene Voorwaarden een betalingstermijn hanteren van 14 dagen en de betrokken factuur dateert van 17 januari 2005.

13.

In de memorie van grieven komt B-Street alsnog met verweer tegen de vordering. Dat zal hieronder worden besproken.

14.

Het verweer dat tussen partijen geen overeenkomst ter zake het ter beschikking stellen van [Z] tot stand is gekomen (mvg 13), wordt verworpen. Uit de hierboven onder 1 sub a en b beschreven gang van zaken blijkt dat B-Street aan Trend als uitzendonderneming heeft verzocht een uitzendkracht ter beschikking te stellen, aan welk verzoek Trend uitvoering heeft gegeven door [Z] aan B-Street ter beschikking te stellen, welke terbeschikkingstelling heeft geleid tot het in dienst nemen van [Z] door B-Street. In deze omstandigheden heeft Trend redelijkerwijs mogen aannemen dat een overeenkomst tot ter beschikking stellen van een uitzendkracht met B-Street tot stand was gekomen. Dat het salarisvoorstel dat B-Street aan [Z] zou hebben gedaan hoger was dan het salaris dat Trend bij het voorstellen van deze kandidaat voor ogen had gestaan, is voor de vraag of tussen partijen genoemde overeenkomst tot stand is gekomen niet relevant.

15.

Vervolgens betwist B-Street dat op de overeenkomst tussen partijen de Algemene Voorwaarden van toepassing zijn, waarbij dient mee te wegen dat Trend haar informatieplicht heeft geschonden doordat de Algemene Voorwaarden niet vóór of bij het sluiten van de overeenkomst aan B-Street ter hand zijn gesteld (mvg 8). Dit verweer stuit af op de hierboven onder 1 sub a geciteerde faxbrief van Trend aan B-Street waaruit kan worden opgemaakt dat van die faxbrief de tekst van de Algemene Voorwaarden (de zes pagina’s naast het voorblad) deel uitmaakte. Door na ontvangst van deze brief waarin Trend laat weten dat op haar aanbiedingen de Algemene Voorwaarden van toepassing zijn, daarop niet (in protesterende zin) te reageren, heeft B-Street bij Trend het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij de toepasselijkheid van die Algemene Voorwaarden op de overeenkomst van partijen aanvaardde.

16.

B-Street betoogt (mvg 14) dat artikel 4 van de Algemene Voorwaarden een kernbeding vormt en dat daarom dit beding geen deel uitmaakt van de algemene voorwaarden. Daargelaten dat dit betoog in zijn consequentie niet geheel duidelijk is nu B-Street niet aangeeft welke prijsafspraak partijen bij hun overeenkomst dan wel gemaakt hebben, geldt het volgende. Het gaat hier om een nadere regeling ter berekening van de aan Trend toekomende vergoeding, waarvan niet gezegd kan worden dat deze van zo wezenlijke betekenis is dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn.

17.

Toepassing van artikel 4 van de Algemene Voorwaarden acht B-Street onredelijk omdat [Z] niet exclusief bij Trend stond ingeschreven (zij stond vast ook bij andere uitzendbureaus ingeschreven) terwijl de stellingen van Trend wel onherroepelijk leiden tot “de facto een exclusieve claim” op het ter beschikking stellen van [Z]. In dit verweer gaat B-Street er vanuit dat partijen nog niet eens daadwerkelijk met elkaar in gesprek c.q. onderhandeling waren en de Algemene Voorwaarden ook niet waren ontvangen (mvg 16 en 17). Dit laatste is niet juist, zo is hierboven al overwogen; B-Street had de tekst van de Algemene Voorwaarden ontvangen. Voor het overige ziet dit verweer eraan voorbij dat de overeenkomst door Trend al is uitgevoerd door het ter beschikking stellen van [Z] als de door B-Street gevraagde uitzendkracht. Tegenover deze prestatie van Trend stond een betalingsverplichting van B-Street. Voor het ontstaan van die verplichting waren de door B-Street bedoelde nadere onderhandelingen geen voorwaarde. Dat [Z] (mogelijk) ook bij andere uitzendbureaus stond ingeschreven, is daarvoor evenmin van belang.

18.

Het hof kan B-Street niet volgen in haar standpunt dat de in artikel 4 van de Algemene Voorwaarden geregelde vergoeding moet worden beschouwd als contractuele boete (mvg 18). Het gaat hier om een uitwerking van de betalingsplicht die op B-Street rust (welke ook een wettelijke basis vindt in de regeling van het loon dat een opdrachtgever aan de opdrachtnemer verschuldigd is (artikel 7: 405 BW) en niet om een verplichting tot betaling van een geldsom in het geval B-Street in de nakoming van zijn verbintenis tekort schiet (artikel 6: 91 BW).

19.

Ten slotte voert B-Street aan (kort gezegd) dat artikel 4 van de Algemene Voorwaarden een onredelijk bezwarend beding is omdat dit voor [Z] een belemmering betekent om bij een derde in dienst te treden nu deze derde bij indienstneming van een uitzendkracht een vergoeding verschuldigd is aan het uitzendbureau (mvg 19). Ook hierin kan het hof niet meegaan. Zonder aanwijzingen van het tegendeel, welke door B-Street niet zijn gesteld, mag aangenomen worden dat [Z] in het kader van een nieuwe opdracht van Trend werkzaamheden zou kunnen uitoefenen die vergelijkbaar zijn aan de werkzaamheden die zij zou verrichten voor B-Street. Nu zij bij elke andere werkgever dan B-Street in dienst kon treden zonder dat die werkgever een vergoeding aan Trend verschuldigd was, werd zij door het beding dus niet in relevante mate in haar verdere arbeidsontwikkeling gehinderd. Daarentegen heeft Trend een commercieel belang dat zij haar uitzendkrachten bij haar opdrachtgevers kan laten werken zonder hen direct aan die opdrachtgevers te verliezen. Alles overziende is naar het oordeel van het hof geenszins sprake van een onredelijk bezwarend beding.

20.

Nu alle verweren worden verworpen, kan het hoger beroep niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden zodat dit zal worden bekrachtigd. B-Street zal de kosten van het hoger beroep hebben te dragen.



Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 28 juni 2006 dat de rechtbank Utrecht tussen partijen heeft gewezen;

veroordeelt B-Street in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Trend begroot op € 396,= voor vast recht en € 632,= voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.F. Groos en H.Th. Bouma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.