Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1425

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
200.107.071-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lease van auto. Creditering voor minder gereden kilometers mocht de lessor afhankelijk stellen van opgave door lessee op een daarvoor bestemde antwoordstrook.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.107.071/01

kenmerk rechtbank (Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum): CV 10-3178

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 mei 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. W.Y Hofstra te Hilversum,

tegen:

PSA FINANCE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.L. Polak te Amsterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk [appellant] en PSA worden genoemd

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 27 april 2012 in hoger beroep gekomen van het op 1 februari 2012 onder bovenvermeld kenmerk uitgesproken vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum (hierna: de kantonrechter), gewezen tussen PSA als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven;

  • -

    memorie van antwoord met een productie;

Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 maart 2013 door hun wederzijdse advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van PSA (in conventie) alsnog zal afwijzen en zijn vorderingen (in reconventie) alsnog zal toewijzen, met veroordeling van PSA in de kosten van beide instanties.

PSA heeft geconcludeerd, zakelijk, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2 De feiten

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 19 januari 2011 een aantal feiten onder 1, sub 1.1 tot en met 1.12 vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en zij dienen daarom ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

( i) Op 5 juli 2007 hebben partijen twee overeenkomsten, een ‘mantelovereenkomst operational lease’ en een leaseovereenkomst met het opschrift ‘voertuigdocument [XXX]’, gesloten. In beide overeenkomsten zijn de ‘algemene voorwaarden Operational Lease’ van Peugeot Lease van toepassing verklaard. Krachtens de leaseovereenkomst heeft PSA aan [appellant] een Peugeot 207 (hierna: de leaseauto) verhuurd voor de duur van 48 maanden tegen een leaseprijs van € 399,= exclusief btw per maand, gebaseerd op 100.000 kilometers per jaar.

(ii) Bij aangetekende brief van 18 november 2009 heeft PSA [appellant], voor zover van belang, meegedeeld:

“In vervolg op de herhaaldelijk schriftelijke en/of telefonische aanmaningen om uw betalingsachterstand te voldoen, stellen wij u op de hoogte van de volgende openstaande facturen:

Factuurnummer Factuur datum Bedrag Open Factuur bedrag Verval datum Ouderdom

(EUR) (EUR) (dagen)

(...) 01-08-2009 1,00 466,86 01-08-2009 109

(...) 01-09-2009 466,86 466,86 01-09-2009 78

(...) 01-10-2009 466,86 466,86 01-10-2009 48

(...) 01-11-2009 466,86 466,86 01-11-2009 17

Totaal bedrag: 1.401,58

Wij stellen u nog éénmaal in de gelegenheid om het bovenstaande totaal bedrag telefonisch aan ons over te maken op (...) onder vermelding van (...). Deze betaling moet binnen 5 dagen da dagtekening bij ons zijn bijgeschreven.

Indien uw betaling op genoemde datum niet door ons is ontvangen stellen wij u nu reeds in gebreke en op dat moment zal het contract van rechtswege zijn beëindigd (...). U dient de aan u ter beschikking gestelde auto(‘s) per omgaande in te leveren bij de dealer die het voertuig heeft afgeleverd (...)”

(iii) Op 15 december 2009 is de leaseauto door PSA bij [appellant] ingenomen. PSA heeft zich daarbij beroepen op de bepaling in de algemene voorwaarden onder 14.2 en 14.2.5 dat Lessor (PSA) gerechtigd is de leaseovereenkomst met onmiddellijke ingang en zonder gerechtelijke tussenkomst te ontbinden om zich vervolgens weer in het bezit van het voertuig te stellen indien Lessee (in casu [appellant]) ondanks ingebrekestelling in verzuim blijft zijn verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst tijdig of volledig na te komen.

(iv) Eerder op die dag, 15 december 2009, had [appellant] met de leaseauto een aanrijding gehad. De leaseauto was (door PSA) ‘all risk’ verzekerd.

( v) In opdracht van PSA heeft ‘FleetSelect Schadetaxatie’ de schade van de leaseauto getaxeerd. Blijkens rapport van 7 januari 2010 heeft zij de totale schade aan de leaseauto getaxeerd op € 4.120,= exclusief btw. Bij brief van 3 februari 2010 heeft PSA aan [appellant] bericht dat van deze schade € 1.920,= exclusief btw bij [appellant] in rekening zou worden gebracht.

(vi) Bij brief van 10 maart 2010 heeft PSA [appellant] meegedeeld dat na afronding van het leasecontract een saldo bleef openstaan van € 6.197,49. PSA heeft [appellant] gesommeerd dit bedrag te voldoen. [appellant] heeft aan deze sommatie niet voldaan.

(vii) PSA heeft [appellant] voor de kantonrechter gedagvaard en gevorderd dat hij zal worden veroordeeld tot betaling van € 6.197,49 wegens hoofdsom met rente en kosten. In reconventie heeft [appellant] gevorderd dat PSA tot betaling van schadevergoeding aan hem zal worden veroordeeld, door hem gesteld op een bedrag van € 2.705,23, stellende dat PSA de (lease)overeenkomst zonder geldige reden had beëindigd.

(viii) De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 19 januari 2011 een comparitie van partijen bevolen. Bij tussenvonnis van 27 juli 2011 is vervolgens aan PSA een bewijsopdracht verstrekt. Bij het (eind)vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter PSA geslaagd geacht in het leveren van het bewijs, de vordering van PSA (in conventie) toegewezen en de vordering van [appellant] (in reconventie) afgewezen en [appellant] in de proceskosten verwezen, zowel in conventie als in reconventie. Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de gronden waarop deze berust, komt [appellant] in hoger beroep op.

3.2.

Met grief I keert [appellant] zicht tegen overweging 12 van het eindvonnis waarin de kantonrechter heeft overwogen:

“12. Gelezen deze telefoonnotities en gehoord de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat [appellant] niet heeft gereageerd op de herhaalde verzoeken van PSA om opgave te doen van de door hem gereden kilometers door middel van de aan PSA toegezonden antwoordstrook en het hem duidelijk geweest moet zijn dat zonder die opgave PSA niet tot creditering en verrekening zou kunnen overgaan. De inhoud van de brief van 27 oktober 2009, waarin stond dat hij alleen dan de bijgaande antwoordstrook moest retourneren indien de in die brief opgegeven kilometerstand (naar klaarblijkelijk moet worden begrepen bedoelt de kantonrechter hier: de werkelijke huidige kilometerstand; toevoeging hof) afweek van de in die brief vermelde kilometerstand, doet hieraan niet af. Die brief was gelet op haar inhoud evident een standaardbrief die geen betrekking had op een geval als het onderhavige dat een klant verzocht had om herziening van de overeengekomen kilometrage.”

De grief is tevens gericht tegen de hierop aansluitende overweging 13 waarin de kantonrechter de conclusie trekt dat PSA geslaagd is in het door haar te leveren bewijs en dat het verweer van [appellant] dus niet opgaat.

3.3.

Naar aanleiding van deze grief oordeelt het hof het volgende.

3.4.

De kantonrechter heeft PSA te bewijzen opgedragen dat [appellant] niet heeft gereageerd op brieven van PSA om opgave te doen van de door hem gereden kilometers en dat het [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat PSA zonder die opgave niet tot een creditering en verrekening zou kunnen overgaan (ter zake van minder gereden kilometers, toevoeging hof). PSA heeft in haar akte van 4 mei 2011 de tekst van een zogenoemd logboek waarin notities zijn verwerkt met betrekking tot onder andere telefoongesprekken die medewerkers van PSA in de loop van de tijd met [appellant] hebben gevoerd, gekopieerd. Uit de notities - waarvan de kantonrechter citaten heeft opgenomen onder 7 tot en met 11 van het eindvonnis waarvan beroep - volgt dat (twee) medewerkers van PSA, [getuige 1] en [getuige 2] (hierna respectievelijk [getuige 1] en [getuige 2]), regelmatig telefonisch contact hebben gehad met [appellant] in de periode van 7 september 2009 tot en met 27 november 2009. Op 2 december 2009 heeft [getuige 2] nog tevergeefs telefonisch contact gezocht met [appellant]. De eerstvolgende actie daarna is de inname door PSA van de leaseauto geweest.

[getuige 1] en [getuige 2] zijn als getuigen door de kantonrechter gehoord.

3.5.

Het hof is - met de kantonrechter - van oordeel dat uit de in het logboek vastgelegde notities van [getuige 1] en [getuige 2] alsmede de door hen als getuigen afgelegde verklaringen slechts de conclusie kan worden getrokken dat aan [appellant] op voldoende duidelijke wijze is meegedeeld dat hij, om in aanmerking te komen voor een tussentijdse creditering in verband met het feit dat hij met de leaseauto minder kilometers reed dan bij het sluiten van de leaseovereenkomst was voorzien, opgave diende te doen van het aantal tot dan toe gereden kilometers door middel van retournering van de aan hem toegezonden antwoordstrook. Ter toelichting diene het volgende.

3.5.1.

Met [appellant] heeft (aldus het logboek) voor de eerste keer op 7 september 2009 medewerker [getuige 1] contact gehad. [getuige 1] heeft, blijkens het logboek, met zoveel woorden tegen [appellant] gezegd: “Dhr [appellant] aangegeven dat hij de antwoordstrook retour moet sturen, zodra wij deze ontvangen hebben zal de creditering van de kilometers in het systeem worden gezet”. Dat hij dit tegen [appellant] heeft gezegd, is door [getuige 1] als getuige bevestigd. Hij heeft verklaard dat hij [appellant] telefonisch heeft doorgegeven dat PSA de aanpassing van de kilometerprijs, die [appellant] had aangevraagd, niet kon doorvoeren omdat hij van [appellant] het formulier met de aanpassing nog niet had ontvangen.

3.5.2.

Het latere telefonisch contact met [appellant] heeft PSA-medewerker [getuige 2] gehad. Ook in de telefonische gesprekken die [getuige 2] met [appellant] heeft gevoerd, is aan de orde gekomen dat van [appellant] werd verlangd dat hij de brief met kilometrage van de leaseauto aan PSA zou moeten terugsturen. Zo heeft [getuige 2] op 27 oktober 2009 in het logboek genoteerd:

Gebeld met [E]. [E] geeft aan een brief naar debiteur te hebben verstuurd, mbt kilometrage, echter heeft hij deze niet ondertekend retour ontvangen. Hierdoor kan hij niet de credit opmaken voor de kilometerverrekening. Ik heb vervolgens gebeld met debiteur en die geeft aan dat hij nooit een brief heeft ontvangen? [E] heeft een nieuwe brief opgemaakt en deze wederom naar debiteur verstuurd”.

Het volgende telefonische contact heeft (aldus het logboek) plaatsgevonden op 11 november 2009. [getuige 2] noteert dan in het logboek:

Gebeld met [E] geeft aan dat de brief nog steeds niet binnen is. Vervolgens gebeld naar dhr. [appellant]. die heeft zich vergist, dacht dat hij de brief retour heeft gezonden. Hij gaat dit alsnog doen”

Uit een en ander kan niet anders worden afgeleid dan dat ook [getuige 2] [appellant] heeft duidelijk gemaakt dat [appellant] nog zelf opgave diende te doen van het aantal gereden kilometers en wel door terugzending van de daarop betrekking hebbende brief.

Op 27 november 2009 heeft [getuige 2] (aldus het logboek) voor de laatste keer contact gehad met [appellant]. Het logboek vermeldt dat [getuige 2] toen tegen [appellant] heeft gezegd dat PSA nog steeds geen brief van hem had ontvangen en dat [appellant] vervolgens heeft toegezegd de brief aan PSA te zullen faxen: “Gebeld met meneer [appellant], is van mening dat hij wel de brief heeft verstuurd. Hij zal de brief naar mij faxen”.

3.5.3.

[getuige 2] heeft als getuige bevestigd dat hij [appellant] (uitdrukkelijk) heeft gezegd dat de aanpassing van de kilometerprijs slechts kon worden doorgevoerd nadat door [appellant] het daarop betrekking hebbende formulier was teruggestuurd:

Ik heb hem echt duidelijk gemaakt dat wij het retourformulier nodig hadden om de minder gereden kilometers te kunnen verrekenen. (...) De advocaat (van [appellant], toev. hof) zegt dat in mijn telefoonnotitie van 27 oktober 2009 niet met zoveel woorden vermeld staat dat ik ook aan gedaagde verteld heb wat ik van [E] gehoord had. Dat is echter wel het geval”.

3.6.

Ter ondersteuning van zijn stelling dat het hem niet duidelijk was dat zonder opgave van de door hem gereden kilometers PSA niet tot creditering en verrekening zou (kunnen) overgaan, heeft [appellant] zich beroepen op de aan hem toegezonden van PSA van 27 oktober 2009 (dit is een brief die klaarblijkelijk aan [appellant] is toegezonden naar aanleiding van het op die dag gevoerde telefoongesprek met medewerker [getuige 2], zie hierboven onder 3.5.2). In die brief doet PSA opgave van een berekening die zij heeft gemaakt van “wat de huidige kilometerstand van uw auto ongeveer zal zijn” gebaseerd op “onder andere” de kilometerstand van de laatst ontvangen onderhouds- of reparatienota of brandstofafrekening. Volgens de brief is de berekening gemaakt op 31 oktober 2009 en komt deze erop neer dat met de leaseauto van [appellant] op dat moment 18.109 km minder dan de “toegestane kilometerstand” was gereden. Aan de onderzijde van de eerste bladzijde van de brief wordt vervolgens opgemerkt: “Wij verzoeken u te controleren of deze kilometerstand ongeveer overeenstemt met de werkelijke huidige kilometerstand. Wijkt deze af dan verzoeken wij u de juiste kilometerstand aan ons door te geven op bijgaande antwoordstrook en deze binnen veertien dagen aan ons te retourneren.” Klaarblijkelijk stelt [appellant] zich op het standpunt dat uit deze mededeling volgt dat hij PSA geen kilometerstand behoefde door te geven indien de vermelde kilometerstand niet afweek van de werkelijke stand en dat dit laatste het geval was. Dit betoog moet worden verworpen. Tegen de achtergrond van de (meerdere) uitdrukkelijke telefonische mededelingen aan [appellant], dat hij de antwoordstrook diende te retourneren, zoals hiervoor vermeld, kan [appellant] niet volhouden dat hij heeft mogen menen dat hij PSA niet behoefde terug te schrijven met de mededeling of de opgegeven kilometerstand overeenkomt met de werkelijke kilometerstand om in aanmerking te komen voor (tussentijdse) creditering en verrekening. In het midden kan daarom verder blijven of de brief van 27 oktober 2009 een standaardbrief was of dat [appellant] deze als zodanig had moeten herkennen.

3.7.

[appellant] heeft zich voorts erop beroepen dat PSA hem al vóór het eerste telefonische contact op 7 september 2009 heeft toegezegd dat de kilometers “sowieso” zouden worden verrekend. Deze toezegging zou zijn gedaan door een zekere “[M]”. Bij pleidooi heeft [appellant] te bewijzen aangeboden dat deze [M] expliciet heeft aangegeven dat de “kilometers sowieso zouden worden verrekend”, zulks door het horen van [M] als getuige. Dit bewijsaanbod is echter niet ter zake dienend en wordt daarom gepasseerd. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat genoemde [M] tegen [appellant] heeft gezegd dat de (minder gereden) kilometers sowieso zouden worden gecrediteerd en verrekend, volgt uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de door deze opgestelde telefoonnotities dat [appellant] in elk geval daarna expliciet te kennen is gegeven dat hij eerst daarvoor de antwoordstrook aan PSA diende te retourneren. De toezegging dat er “sowieso” verrekend zou worden kan dus slechts de betekenis hebben gehad dat PSA daartoe zou overgaan als zij van [appellant] de actuele kilometerstand zou hebben verkregen.

3.8.

Ten slotte heeft [appellant] aangevoerd dat hij “onbetwist heeft gesteld” dat hij tot minstens twee maal toe de antwoordstrook heeft geretourneerd. Dat [appellant] de antwoordstrook heeft geretourneerd, is echter door PSA nadrukkelijk tegengesproken. Dit heeft zij onder meer bij memorie van antwoord onder 11 gedaan. [appellant] is daarna op dit punt bij pleidooi niet meer is teruggekomen. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] deze stelling niet langer heeft willen handhaven. Geheel ten overvloede wordt hieraan het volgende toegevoegd. De stelling van [appellant] dat hij de antwoordstrook wel heeft geretourneerd strookt in elk geval niet met de telefoonnotities van [getuige 1] en [getuige 2] in het logboek en met name de door [getuige 2] afgelegde getuigenverklaring, waaruit naar voren komt dat [getuige 2] [appellant] niet heeft kunnen bewegen de antwoordstrook in te leveren. Het hof memoreert dat [getuige 2] op 2 december 2009 [appellant] tevergeefs telefonisch heeft trachten te bereiken om hem mee te delen dat, anders dan door [appellant] was toegezegd, geen fax van hem was ontvangen. Blijkens de notitie in het logboek heeft [getuige 2] toen vervolgens de voice mail van [appellant] ingesproken. Tegenover de verklaring van [getuige 2] en deze notitie in het logboek, waarover [appellant] niets heeft opgemerkt, is de enkele stelling van [appellant] dat hij de antwoordstrook wel heeft ingeleverd, onvoldoende onderbouwd en toegelicht en wordt ook daarom aan die stelling voorbijgegaan.

3.9.

Grief I is dus tevergeefs voorgesteld.

3.10.

Met grief II keert [appellant] zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat de gehele door PSA gevorderde hoofdsom moet worden toegewezen. [appellant] voert aan dat een deel van de hoofdsom betrekking heeft op aan de leaseauto vastgestelde schade en dat deze schade ten onrechte bij hem in rekening is gebracht.

3.11.

Ook deze grief faalt. Het hof stelt voorop dat PSA op grond van artikel 16.5 van de toepasselijke algemene voorwaarden gerechtigd was om herstelkosten en extra waardevermindering, ontstaan door niet of niet tijdig gemelde schaden en/of onzorgvuldig beheer, aan de lessee door te berekenen. De klacht van [appellant] dat de schade niet (voldoende) is gespecificeerd ziet eraan voorbij dat PSA met de door haar overgelegde schadebegroting van FleetSelect de in rekening gebrachte schade genoegzaam heeft gespecificeerd. Voor zover [appellant] bezwaar maakt tegen de posten € 100,= voor “Interieur; rooklucht” en € 360,= voor “Motorkap; vogelvuil” is zijn bezwaar niet steekhoudend aangezien het het hof niet onredelijk voorkomt dat zulke kosten moeten worden gemaakt voor respectievelijk het schoonmaken van de binnenzijde van de leaseauto en het vermelde reinigen van de motorkap. [appellant] heeft bovendien niet onderbouwd waarom deze kosten bovenmatig zouden zijn en alleen al daarom faalt zijn klacht.

[appellant] trekt tevergeefs de onafhankelijkheid van FleetSelect als deskundige in twijfel. De enkele omstandigheid dat PSA FleetSelect heeft ingeschakeld, brengt nog niet mee dat deze laatste niet onafhankelijk is en ook indien PSA en FleetSelect ‘vaker zaken met elkaar doen’ leidt dat nog niet tot die conclusie.

Ten slotte verwijt [appellant] PSA dat zij niet heeft toegelicht en/of aannemelijk gemaakt dat de schade althans een groot deel van de schade zoals de geconstateerde deuken niet onder de all-risk verzekering vielen. Ook dit verwijt treft geen doel. PSA heeft immers niet de totale door FleetSeect begrote schade van € 4.120,= bij [appellant] in rekening gebracht, maar daarvan afgetrokken de schadeposten als gevolg van de aanrijding van [appellant] op 15 december 2009, door FleetSelect aangemerkt als ‘incident 3’, en bij hem € 1.920,= exclusief btw (€ 2.284,80 inclusief btw) in rekening gebracht.

3.12.

Grief III heeft betrekking op de afgewezen vordering van [appellant] in reconventie. Deze grief bevat geen zelfstandige klacht en kan daarom verder onbesproken blijven.

4 Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat geen van de door [appellant] voorgedragen grieven slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PSA begroot op € 666,= aan verschotten en € 1.896,= voor salaris;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, J.E. Molenaar en W. Tonkens-Gerkema, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2013.