Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1377

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
200.116.501-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

SKG, onderwijs, voldoende grond voor school voor verwijdering leerling; vordering om weer toe te laten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2014/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer gerechtshof : 220.116.501/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank : 140266 / KG ZA 12-319

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2013

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam,

tegen:

de stichting STICHTING SCHOLEN AAN ZEE,

gevestigd te Den Helder,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.J. Blanken te ‘s-Gravenhage.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant] en Scholen aan Zee genoemd.

1.1

[appellant] is bij dagvaarding van 31 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis met opgemeld zaak-/rolnummer van de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar van 4 oktober 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en Scholen aan Zee als gedaagde (hierna: het vonnis). De appeldagvaarding bevat de grieven.

1.2

[appellant] heeft vijf grieven geformuleerd met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal vernietigen en, alsnog, Scholen aan Zee zal veroordelen[X] toe te laten tot het onderwijs aan haar onderwijsinstelling, met veroordeling van Scholen aan Zee in de kosten.

1.3

Daarop heeft Scholen aan Zee geantwoord en bescheiden in het geding gebracht met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.

1.4

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 april 2013 doen bepleiten door hun advocaten; alleen mr. Blanken aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

1.5

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

2.2

Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

( i)[X], een zoon van [appellant], (hierna: [X]) is geboren op 9 maart 1998 en derhalve thans nog minderjarig.

(ii) [X] volgde sedert schooljaar 2010/2011 lessen aan een door Scholen aan Zee in stand gehouden onderwijsinrichting.

(iii) Er hebben zich op school verschillende incidenten voor gedaan waarbij [X] was betrokken. Hij is op grond daarvan een aantal malen geschorst. Naar aanleiding van een nieuw incident -[X] had een medeleerlinge geslagen- heeft Scholen aan Zee bij brief van 21 juni 2012 aan [appellant] meegedeeld dat zij besloten heeft [X] van school te verwijderen. [appellant] heeft daartegen bij brief van 3 juli 2012 bezwaar gemaakt. Na een gesprek met [appellant] heeft de voorzitter van het College van Bestuur van Scholen aan Zee hem bij brief van 11 juli 2012 meegedeeld dat zijn bezwaar ongegrond is. Voorts is in deze brief vermeld dat [appellant] van dat besluit beroep in kan stellen bij de rechtbank Alkmaar.

(iv) Bij mondelinge uitspraak van 31 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar, sector bestuursrecht, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep van [appellant] tegen voormeld besluit van de voorzitter.

( v) [appellant] heeft daarna bij dagvaarding van 14 september 2012 Scholen aan Zee in het onderhavige kort geding betrokken. De voorzieningenrechter heeft bij het vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen.

2.3

Het hof merkt op dat uit niets blijkt dat [appellant] in deze zaak optreedt in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [X], zoals hij door Scholen aan Zee in haar memorie van antwoord en pleitnota wordt aangeduid. Voor zover het verweer van Scholen aan Zee is gericht tegen [appellant] in die hoedanigheid, moet het hof daaraan voorbij gaan. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist kan het hof in het midden laten of [appellant] pro se een vordering toekomt als door hem ingesteld.

2.4

Indien, zoals in dit geval, een partij in kort geding opkomt tegen een besluit van een school een leerling te verwijderen, ligt het op de weg van die partij om, met alle beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat het aangevallen besluit ondeugdelijk is. In dit geval dient [appellant] derhalve aannemelijk te maken dat het besluit [X] van school te verwijderen zonder goede grond is genomen. Uit de door Scholen aan Zee overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de incidenten waarbij [X] was betrokken, van dien aard waren dat deze de conclusie rechtvaardigen dat [X] niet langer kon worden gehandhaafd op school. [appellant] heeft daarover in zijn grief 2 opgemerkt dat uit de omstandigheden van het geval niet blijkt van ernstig wangedrag. In grief 1 (§ 13) heeft [appellant] zich er toe beperkt alle incidenten bedreiging met een stanleymes, vechten met verschillende leerlingen, beschadigen van een aantal fietsen en het slaan van een medeleerlinge- te ontkennen, zonder duidelijk uiteen te zetten wat er dan wel zou zijn gebeurd. Daarmee heeft hij zijn vordering wat de feitelijkheden betreft onvoldoende onderbouwd. De opmerking van [appellant] in grief 3 dat hij de incidenten voortdurend heeft betwist en in twijfel getrokken, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.5

Ter zitting is gebleken dat [X] inmiddels -zij het wellicht tegen zijn zin- onderwijs volgt aan Praktijkschool De Pijler. Daaruit blijkt dat voldaan is aan de eis van artikel 27 WVO dat een andere school bereid is [X] toe te laten. Ook grief 4 is derhalve tevergeefs opgeworpen.

2.6

Voor zover uit de grieven nog zou moeten worden begrepen dat Scholen aan Zee de ouders van [X] onvoldoende heeft gehoord, merkt het hof op dat uit de stukken blijkt dat zij regelmatig over wangedrag van [X] zijn gehoord en dat [appellant] ook is gehoord alvorens Scholen aan Zee [X] op 11 juli 2012 definitief van school heeft verwijderd.

2.7

De slotsom van al het voorgaande is dat [appellant] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Scholen aan Zee zonder goede grond, zonder de ouders te horen of zonder dat een andere school bereid was [X] op te nemen, [X] van school heeft verwijderd. Het vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Ook grief 5, die betrekking heeft op de kosten van de eerste aanleg, faalt derhalve. Voorts dient [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep te dragen.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Scholen aan Zee begroot op € 666,-- aan verschotten en € 2.682,-- voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.H. de Bock, mr. J.H. Huijzer en mr. E.M. Polak, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.