Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1102

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
200.106.359-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenfonds is tekortgeschoten in de nakoming van haar informatieplicht jegens pensioenverzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.106.359/01

zaaknummer rechtbank: 1216844 CV EXPL 11-1630 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2013

inzake

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS WERK- EN (RE)INTEGRATIE,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.H.M. van den Broek te Weert.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk PWRI en [geïntimeerde] genoemd.

PWRI is bij dagvaarding van 18 april 2012 – hersteld bij exploot van 19 april 2012 – in hoger beroep gekomen van twee vonnissen van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 16 september 2011 en 20 januari 2012, in deze zaak onder zaaknummer 1216844 CV EXPL 11-1630 gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

PWRI heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen PWRI hem heeft betaald ter voldoening aan de in eerste aanleg tegen haar uitgesproken proceskostenveroordeling, te vermeerderen met wettelijke rente, en met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van een of meer van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden (tussen)vonnis van 16 september 2011 onder 1, 1.1 tot en met 1.10, en in het bestreden (eind)vonnis van 20 januari 2012, hierna ‘het eindvonnis’, onder 1, 1.1 en 1.2, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1. [

geïntimeerde] – geboren op [geboortedatum] – is werkzaam geweest bij de Dienst Werkvoorziening Noorderkwartier te Schagen in een dienstverband krachtens de WSW. Naast loon uit dit dienstverband had hij inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO. De uitkering waarop hij krachtens deze wet recht had, werd in verband met zijn inkomsten uit het WSW-dienstverband en het bepaalde in artikel 44 WAO slechts gedeeltelijk aan hem uitbetaald. De WSW-werkgever van [geïntimeerde] was aangesloten bij PWRI, een pensioenfonds. Bij dit fonds bouwde [geïntimeerde] pensioenaanspraken op, waaronder aanspraken die hem recht gaven op een door PWRI te betalen uitkering als hij vervroegd – vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd – met pensioen zou gaan. Die aanspraken werden bepaald volgens de regeling inzake het Vervroegd Ouderdomspensioen van PWRI, hierna ‘de VOP-regeling’ (door partijen ook wel aangeduid als ‘de TOP-regeling’). [geïntimeerde] heeft met ingang van 1 april 2007 zijn WSW-dienstverband beëindigd en vanaf die datum gebruik gemaakt van de VOP-regeling. De vroegste datum waarop hij van deze regeling gebruik zou hebben kunnen maken, was 1 juli 2006, de eerste dag van de maand waarin hij 61 jaar werd.

3.2.

Bij brief van 14 februari 2006 heeft de WSW-werkgever van [geïntimeerde], op diens verzoek, aan PWRI gevraagd een berekening van de uitkering waarop [geïntimeerde] op grond van de VOP-regeling recht kon doen gelden, hierna ‘de VOP-uitkering’ (door partijen ook wel ‘de TOP-uitkering’ genoemd), te verstrekken aan [geïntimeerde] voor het geval deze van de VOP-regeling gebruik zou maken. De brief vermeldt uitdrukkelijk dat [geïntimeerde] overwoog van die regeling gebruik te gaan maken, dat het verzoek een berekening te verstrekken daarmee verband hield en dat [geïntimeerde] naast het loon uit zijn WSW-dienstverband inkomsten uit een WAO-uitkering had. Bij brief van 21 maart 2006 heeft PWRI aan [geïntimeerde] een berekening verstrekt van diens VOP-uitkering ‘op 61-jarige leeftijd (…) bruto per jaar’. De brief vermeldt verder onder meer: ‘Wij maken u erop attent dat wij bij deze berekening geen rekening hebben gehouden met een eventuele (herleefde) WAO/WAZ/Wajong uitkering (rond mei ’06 pas bekend).’

3.3.

In het voorjaar van 2006 heeft [geïntimeerde] van PWRI voorts een nieuwsbrief ontvangen genaamd ‘Flits’. Deze was bedoeld als algemene informatievoorziening van PWRI voor werknemers in de sociale werkvoorziening. De nieuwsbrief was niet specifiek tot [geïntimeerde] gericht en bevat geen op diens individuele omstandigheden toegesneden informatie. In de nieuwsbrief is onder andere een tabel met begeleidende tekst opgenomen waarin wordt aangegeven, kort gezegd en voor zover van belang, dat langer doorwerken na het bereiken van de 61-jarige leeftijd kan leiden tot een hogere VOP-uitkering. Die (hogere) uitkering wordt uitgedrukt als percentage van het laatstgenoten salaris. Uit de tabel en de begeleidende tekst kan worden opgemaakt dat een persoon geboren in hetzelfde jaar als [geïntimeerde], door langer te blijven werken aanspraak kan maken op een VOP-uitkering gelijk aan 100% van het laatstgenoten salaris (tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd). Dit percentage zou worden bereikt bij doorwerken tot een datum tussen de leeftijd van 61 jaar en zes maanden en 62 jaar, zoals [geïntimeerde] heeft gedaan. De tabel en de begeleidende tekst maken geen melding van de mogelijke invloed van een WAO-uitkering op de hoogte van de VOP-uitkering, houden daarmee in de gemaakte berekeningen geen rekening en bevatten op dit punt geen voorbehoud. Wel bevat de laatste bladzijde van de nieuwsbrief, in de rechterbenedenhoek, de vermelding: ‘Hoewel deze uitgave met de grootste zorg is samengesteld, kunt u er geen rechten aan ontlenen.’

3.4.

Op 9 oktober 2006 heeft [geïntimeerde], door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier, aan PWRI verzocht hem een VOP-uitkering toe te kennen met ingang van 1 april 2007. Nadat de verzochte uitkering aan hem was toegekend en hij zijn WSW-dienstverband had beëindigd, heeft PWRI bij brief van 3 april 2007 aan [geïntimeerde] een (nieuwe) berekening van diens VOP-uitkering verstrekt waarbij rekening is gehouden met zijn WAO-uitkering. Deze WAO-uitkering werd, als gevolg van het wegvallen van zijn inkomsten uit het WSW-dienstverband, voortaan geheel aan [geïntimeerde] uitbetaald en het desbetreffende bedrag kwam op grond van een bepaling in het pensioenreglement van PWRI in mindering op zijn VOP-uitkering. Terwijl de onder 3.2 bedoelde berekening melding maakte van een VOP-uitkering van € 18.891,60 bruto per jaar en € 1.574,30 bruto per maand, beliepen deze bedragen volgens de berekening van 3 april 2007 – nu rekening gehouden met de aftrek van de WAO-uitkering – respectievelijk € 6.533,52 en € 544,46. In beide laatstgenoemde bedragen is de verhoging begrepen die het gevolg was van het feit dat [geïntimeerde] negen maanden later van de VOP-regeling gebruik heeft gemaakt dan hij zou hebben kunnen doen. De vermindering van de VOP-uitkering wegens de WAO-uitkering bracht mee dat [geïntimeerde] per saldo – de bedragen van de VOP-uitkering en de WAO-uitkering bij elkaar opgeteld – een lager inkomen had dan 100% van zijn laatstgenoten salaris uit het WSW-dienstverband vermeerderd met de destijds gedeeltelijk aan hem uitbetaalde WAO-uitkering.

3.5. [

geïntimeerde] heeft PWRI verzocht – voor het eerst bij brief van 13 november 2007 van zijn gemachtigde – zijn VOP-uitkering te verhogen zodanig dat zijn inkomen vanaf 1 april 2007 feitelijk gelijk zou zijn aan 100% van zijn vroegere salaris uit het WSW-dienstverband (het hof begrijpt: inclusief het uitbetaalde gedeelte van de WAO-uitkering). Dit verzoek is door PWRI afgewezen, laatstelijk bij brief van 29 oktober 2008. [geïntimeerde] heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt bij de bezwarencommissie die PWRI op grond van haar statuten heeft ingesteld. Die commissie heeft op 6 februari 2009 een niet-bindend advies uitgebracht aan PWRI waarbij zij, kort gezegd, [geïntimeerde] in het gelijk heeft gesteld – wegens tekortschietende communicatie door PWRI over de hoogte van diens te verwachten VOP-uitkering – en PWRI heeft geadviseerd [geïntimeerde] een schadevergoeding toe te kennen ‘gebaseerd op het verschil tussen de VOP-uitkering op basis van 100% en de uitkering waarop de WAO-uitkering in mindering is gebracht’. PWRI heeft dit advies niet overgenomen.

3.6.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [geïntimeerde] PWRI in rechte betrokken en gevorderd, onder andere en voor zover thans van belang, dat voor recht wordt verklaard dat PWRI haar informatieplicht tegenover [geïntimeerde] niet of onvoldoende is nagekomen en uit dien hoofde toerekenbaar is tekortgeschoten en dat PWRI wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een hoofdsom van € 6.209,44, met rente en kosten. De gevorderde hoofdsom strekt tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] stelt te hebben geleden doordat PWRI hem niet naar behoren heeft voorgelicht over de hoogte van zijn (te verwachten) VOP-uitkering en is gelijk aan het verschil tussen het inkomen dat [geïntimeerde] vanaf 1 april 2007 zou hebben genoten – tot het bedrag van zijn inkomen (WSW-loon en WAO-uitkering) voor die datum – als zijn WAO-uitkering niet in mindering was gebracht op zijn VOP-uitkering en het inkomen – samengesteld uit de lagere VOP-uitkering en de aan [geïntimeerde] uitbetaalde WAO-uitkering – dat hij vanaf die datum in werkelijkheid heeft genoten (in beide gevallen: tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd). Bij het bestreden eindvonnis is de vordering toegewezen. Tegen deze beslissing en de overwegingen waarop zij berust richt zich het hoger beroep.

3.7.

De gronden die PWRI heeft aangevoerd ten betoge dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd, komen onder meer op tegen het oordeel van de kantonrechter dat PWRI is tekortgeschoten in de nakoming van haar informatieplicht tegenover [geïntimeerde] met betrekking tot diens (te verwachten) VOP-uitkering. PWRI gaat er daarbij allereerst aan voorbij dat de rechtsbetrekking tussen PWRI en een persoon die aan haar kenbaar heeft gemaakt te overwegen gebruik te maken van de VOP-regeling en in verband daarmee een berekening van zijn uitkering op grond van die regeling heeft gevraagd, zoals [geïntimeerde] door de onder 3.2 genoemde brief van 14 februari 2006 heeft gedaan, niet alleen wordt beheerst door het pensioenreglement van PWRI en de pensioenregelgeving, maar ook door hetgeen waartoe de eisen van redelijkheid en billijkheid PWRI in een zodanig geval verplichten. Deze eisen brengen mee dat PWRI bij haar informatieverstrekking aan [geïntimeerde] naar aanleiding van de onder 3.2 genoemde brief van diens werkgever, het feit had moeten betrekken dat de WAO-uitkering die hij zou ontvangen als hij gebruik zou maken van de VOP-regeling, in mindering zou worden gebracht op de VOP-uitkering en dat laatstbedoelde uitkering en zijn totale inkomen met inbegrip van de WAO-uitkering daardoor duidelijk lager zouden zijn dan zonder die vermindering. Hierbij is van belang dat de werkgever van [geïntimeerde] in de brief van 14 februari 2006 uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat [geïntimeerde] overwoog van de VOP-regeling gebruik te maken en in verband hiermee een berekening van zijn VOP-uitkering wilde ontvangen, dat in dezelfde brief is aangegeven dat [geïntimeerde] naast het loon uit zijn WSW-dienstverband inkomsten uit een WAO-uitkering had, dat de vermindering van de VOP-uitkering wegens de WAO-uitkering het rechtstreekse gevolg was van een bepaling in het pensioenreglement van PWRI en dat die vermindering tot een duidelijk lagere VOP-uitkering en een duidelijk lager totaalinkomen leidde. Onder deze omstandigheden moest PWRI in haar informatieverstrekking aan [geïntimeerde] over de (te verwachten) VOP-uitkering met diens WAO-uitkering rekening houden en kon zij niet volstaan met de vermelding in haar brief van 21 maart 2006 dat bij de daarin opgenomen berekening geen rekening is gehouden met ‘een eventuele (herleefde) WAO/WAZ/Wajong uitkering’. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid volgt dat PWRI met die uitkering, onder de hierboven weergegeven omstandigheden, in haar verhouding tot [geïntimeerde] juist wel rekening diende te houden en dit heeft zij niet – naar behoren – gedaan.

3.8.

Om dezelfde redenen kan PWRI zich evenmin verschuilen achter de onder 3.3 aangehaalde vermelding in de daar genoemde nieuwsbrief ‘Flits’ dat aan die nieuwsbrief geen rechten konden worden ontleend, voor zover [geïntimeerde] zijn verwachtingen over de hoogte van de VOP-uitkering mede op de daarin opgenomen tabel en de begeleidende tekst – waarin andermaal geen rekening is gehouden met de mogelijke invloed van een WAO-uitkering – heeft gestoeld. Dit geldt temeer, nu niet in geschil is dat een aanmerkelijk deel – PWRI spreekt in de memorie van grieven (onder 5.11) over een derde deel – van degenen die bij PWRI pensioenaanspraken opbouwen, recht heeft op een WAO- (of WIA-)uitkering, de nieuwsbrief, ook al betrof zij een ‘algemene informatievoorziening’ van PWRI, mede tot personen verkerend in een positie als [geïntimeerde] was gericht en de daarin opgenomen tabel en de begeleidende tekst over de VOP-uitkering, geen enkel voorbehoud bevatten met betrekking tot een mogelijke vermindering van die uitkering wegens een WAO-uitkering. Ook de verwijzingen naar haar pensioenreglement en naar het onder 3.4 bedoelde aanvraagformulier met bijbehorende toelichting kunnen PWRI niet baten, reeds omdat deze bescheiden geen informatie verschaffen over het bedrag van de VOP-uitkering waarop [geïntimeerde] bij gebruikmaking van de VOP-regeling feitelijk aanspraak zou kunnen maken, laat staan dat daaruit blijkt dat het in de berekening van 21 maart 2006 aan hem meegedeelde bedrag afweek van hetgeen hij in werkelijkheid zou – en heeft – ontvangen.

3.9.

De door PWRI verstrekte berekening van 21 maart 2006 geeft van de hoogte van de (te verwachten) VOP-uitkering van [geïntimeerde] bij gebruikmaking van de VOP-regeling een onjuist beeld en dit onjuiste beeld wordt door de onder 3.3 genoemde nieuwsbrief bestendigd, in beide gevallen doordat geen rekening is gehouden met de vermindering van de VOP-uitkering met het bedrag van de WAO-uitkering. De berekening van 21 maart 2006 is zoals reeds overwogen aan [geïntimeerde] verstrekt nadat hij kenbaar had gemaakt te overwegen gebruik te maken van de VOP-regeling, de daarbij gegeven berekening van zijn VOP-uitkering is – blijkens de onder 3.2 genoemde brief van 14 februari 2006 van de werkgever van [geïntimeerde] – specifiek in verband hiermee aangevraagd en [geïntimeerde] heeft in oktober 2006 – dus na ontvangst van die berekening en de onder 3.3 genoemde nieuwsbrief – aan PWRI verzocht hem een VOP-uitkering toe te kennen (met ingang van 1 april 2007). Als algemene ervaringsregel heeft voorts te gelden dat de hoogte van het te verwachten inkomen in de regel van belang is voor de beslissing van een werknemer om en zo ja, vanaf welk tijdstip, gebruik te maken van een regeling voor vervroegde pensionering. Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat [geïntimeerde], de tekortkoming door PWRI in de nakoming van haar informatieverplichting weggedacht, dus als PWRI hem naar behoren zou hebben voorgelicht over de hoogte van zijn VOP-uitkering, niet zou hebben beslist om gebruik te maken van de VOP-regeling op de wijze waarop hij dat thans heeft gedaan. Dit brengt mee dat de schade die [geïntimeerde] heeft geleden doordat hij ter zake heeft beslist zoals hij heeft gedaan, rechtens het gevolg is van de tekortkoming van PWRI en dat laatstgenoemde gehouden is die schade te vergoeden. Nu [geïntimeerde] op grond van de berekening van 21 maart 2006 – temeer gelet op de onder 3.3 genoemde nieuwsbrief – ervan mocht uitgaan dat bij gebruikmaking van de VOP-regeling zijn WAO-uitkering niet in mindering zou worden gebracht op zijn VOP-uitkering, komt de schade die PWRI als een gevolg van haar tekortkoming kan worden toegerekend en die zij moet vergoeden, overeen met het verschil tussen het inkomen dat [geïntimeerde] vanaf 1 april 2007 zou hebben genoten – tot het bedrag van zijn inkomen (WSW-loon en WAO-uitkering) voor die datum – als zijn WAO-uitkering niet in mindering was gebracht op zijn VOP-uitkering en het inkomen dat hij vanaf die datum in werkelijkheid heeft genoten (tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd). PWRI heeft niet bestreden dat dit verschil gelijk is aan de hoofdsom tot betaling waarvan zij bij het eindvonnis is veroordeeld. Haar stellingen ten betoge dat de schade waarvan [geïntimeerde] vergoeding vordert niet het gevolg is van een tekortkoming van PWRI, dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden en dat een vergoedingsplicht van PWRI ontbreekt, stuiten alle af op het hierboven overwogene.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat PWRI niet wordt gevolgd in hetgeen zij heeft aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat PWRI is tekortgeschoten in de nakoming van haar informatieplicht tegenover [geïntimeerde] en uit diende hoofde tot schadevergoeding is gehouden. Nu dit oordeel de bestreden beslissing kan dragen, behoeft hetgeen PWRI in hoger beroep voor het overige heeft aangevoerd, bij gebrek aan voldoende belang, geen bespreking. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. Hetgeen PWRI in de memorie van grieven (onder 7.3) te bewijzen heeft aangeboden kan niet tot een andere beoordeling leiden, zodat haar desbetreffende bewijsaanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. PWRI zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt PWRI in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,- aan verschotten en € 632,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, W.H.F.M. Cortenraad en A.M.A. Verscheure en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.