Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1056

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
200.075.782-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur van bedrijfsruimte. Indeplaatsstelling van huurder. Verhuurder stemt niet onvoorwaardelijk in met verrekening van de in de plaats getreden huurder door weer een andere huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

__________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.075.782/01

zaak- en rolnummer rechtbank Haarlem: 446199 en 7998/09

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2013

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IBR GROUP B.V,

gevestigd te Utrecht,

2. [ Appellant sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [ Appellant sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [ Appellant sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [ Appellant sub 5], wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. P.J.G. van der Donck te Houten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. Bonnema te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna IBR c.s. en Heineken genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 26 juni 2012 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

IBR c.s. hebben ervan afgezien getuigen te doen horen.

Ter rolle van 23 oktober 2012 heeft Heineken naar aanleiding van het tussenarrest een akte genomen.

Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de grieven 1 tot en met 4 en 8 falen en dat de grieven 10 en 11 geen zelfstandige betekenis hebben. In het kader van de behandeling van de grieven 5, 6, 7, 9 en 12 zijn IBR c.s. toegelaten tot bewijslevering. Heineken is verzocht zich bij akte uit te laten over een door IBR c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nog opgeworpen punt.

2.2

IBR c.s. hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid tot bewijslevering. In samenhang met hetgeen in het tussenarrest reeds omtrent de grieven 5, 6, 7, 9 en 12 is overwogen leidt dat ertoe dat ook die grieven tevergeefs zijn voorgedragen.

2.3

Bij haar akte heeft Heineken aangevoerd dat het door IBR c.s. nog opgeworpen punt moet worden aangemerkt als een nieuwe grief. Zij acht die grief tardief en maakt daartegen bezwaar. Subsidiair bestrijdt zij dat het bestreden vonnis, zoals IBR c.s. hebben gesteld, een misslag bevat. Volgens Heineken is in de hoofdsom tot betaling waarvan IBR c.s. zijn veroordeeld (€ 72.467,64), de huur over de maand 2010 opgenomen en zijn IBR c.s. door de kantonrechter daarnaast terecht veroordeeld tot betaling van de maandelijkse huur na 1 maart 2010, omdat de huur over maart 2010 reeds op 1 maart 2010 verschuldigd is geworden en dus niet ná 1 maart 2010. Abusievelijk, aldus Heineken, heeft de deurwaarder bij de executie van het bestreden vonnis naast de hoofdsom, in de termijnverhoging na titel nogmaals de huur over de maand maart 2010 gevorderd, die vervolgens ook (onverschuldigd) is betaald.

2.4

Terecht stelt Heineken zich op het standpunt dat het bezwaar tegen het bestreden vonnis dat IBR c.s. ten pleidooie voor het eerst heeft geformuleerd, moet worden aangemerkt als een nieuwe grief. Nu Heineken met de behandeling van die grief niet heeft ingestemd en geen gronden zijn gesteld op grond waarvan een uitzondering op het beginsel dat alle grieven bij de memorie van grieven moeten worden aangevoerd, gerechtvaardigd zou zijn, kan het hof op die grief geen acht slaan. Het hof heeft echter nota genomen van de erkenning van Heineken dat IBR c.s. de huur over de maand maart 2010 ten bedrage van € 7.109,52 tweemaal, waarvan eenmaal onverschuldigd, heeft voldaan. Het hof gaat ervan uit dat Heineken zal zorgdragen voor terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag aan IBR c.s.

2.5

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat alle grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, met veroordeling van IBR c.s. in de kosten van het hoger beroep. De vordering van IBR c.s. tot terugbetaling van hetgeen op grond van het bestreden vonnis is betaald, zal worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam van 15 juli 2010;

veroordeelt IBR c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Heineken begroot op € 1.745,= aan verschotten en € 5.708,50 voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, E.M. Polak en A.M. Hol en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.