Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:1

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2013
Datum publicatie
03-05-2022
Zaaknummer
23-003143-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

‘zorgplicht’ bij invoer van coke

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003143-12

datum uitspraak: 4 januari 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 4 juli 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800592-12 en 10-651136-08 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2012, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3946,3 gram netto, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Op 4 mei 2012 is verdachte per vliegtuig vanuit Paramaribo (Suriname) aangekomen op Schiphol. Naar aanleiding van een verscherpte douanecontrole is de koffer van verdachte gecontroleerd. In deze koffer zaten onder meer citrusvruchten. In een sinaasappel werd een stof, vermoedelijk bevattende cocaïne, aangetroffen. Vervolgens werd in een op een meloen gelijkende vrucht en in elf sinaasappels in totaal 3946,3 gram netto gewicht aangetroffen van een stof welke qua kleur en samenstelling op cocaïne leek. Van deze aangetroffen stof zijn monsters genomen, welke ter analyse zijn verzonden aan het Douanelaboratorium te Amsterdam. Het Douane laboratorium heeft geconcludeerd dat de aangeboden materialen cocaïne bevatten.

De verdachte heeft verklaard dat hij de vruchten van een neef in Suriname had gekregen en dat hij dat fruit voor de vriendin, van wie hij de naam niet weet, van zijn neef naar Nederland meevoerde en dat hij de vruchten niet goed heeft bekeken. Hij ontkent van de aanwezigheid van cocaïne in de vruchten wetenschap te hebben gehad.

Het hof neemt als uitgangspunt dat een reiziger verantwoordelijk is voor de bagage die hij met zich voert. Daarnaast is het een algemene ervaringsregel dat een reiziger – zeker op een vlucht van Paramaribo naar Schiphol - die een bagagestuk met zich voert waarin zich een grote hoeveelheid cocaïne blijkt te bevinden, met de aanwezigheid van die cocaïne in die bagage bekend pleegt te zijn, dan wel zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in die bagage cocaïne aanwezig is. Die reiziger draagt voor die inhoud in beginsel dan ook de verantwoordelijkheid. Die zorgplicht geldt versterkt als het gaat om een reis uit Suriname - een land waarvan het de verdachte zoals deze ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde, bekend is dat het als uitvalsbasis dient van drugstransporten -. In casu heeft de verdachte toegelaten dat neef [R] - waarvan hij later de werkelijke naam heeft gegeven - het fruit in zijn bagage deed zonder dat zelf te controleren, terwijl hem enkel was verteld dat het fruit zou worden opgehaald door een in Almere wonende vriendin van deze neef. Van deze persoon werd aan de verdachte naam noch nader adres meegedeeld.

Het hof stelt vast dat uit de foto’s van de betrokken vruchten blijkt dat, zelfs bij een minimale controle, de bewerking van de vruchten direct aan de verdachte zou zijn opgevallen, waarna een verdere controle hem zonder meer naar de daarin verstopte cocaïne had geleid. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit minstgenomen dat de verdachte ook geen enkele poging heeft gedaan zich ervan te vergewissen wat er door die neef in zijn bagage was gestopt. Ook als het gaat om een familielid dient op enigerlei wijze de zorgplicht ten aanzien van de inhoud van de bagage te worden nagekomen.

Door onder deze omstandigheden tot het vervoer van die vruchten over te gaan heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich in die vruchten cocaïne zou bevinden, hetgeen ook het geval bleek te zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.946,3 gram netto, van een materiaal bevattende cocaïne

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 3.946,3 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het hof komt tot een andere strafoplegging dan de rechtbank en overweegt daartoe als volgt. De verdachte is na een lange periode van drugsgebruik met hulp van de reclassering van zijn drugsverslaving afgekomen. Hij houdt zich aan afspraken met de reclassering, probeert met hulp van de reclassering zijn financiën op orde te brengen en heeft thans een huurwoning. De verdachte heeft verklaard dat de Sociale Dienst zijn woning nog tot uiterlijk april 2013 voor hem kan betalen en behouden en bereid is hem verder te begeleiden. Voorts heeft hij verklaard na zijn detentie zo snel mogelijk werk te gaan zoeken. Het hof ziet geen reden aan de verklaring van de verdachte te twijfelen. Bij die stand van zaken acht het hof het niet wenselijk dat het onvoorwaardelijk en uit te zitten deel van de passend geachte gevangenisstraf van zodanige duur zal zijn dat deze het leven van deze verdachte geheel zou ontwrichten waarna terugval is te verwachten. Wel zal het hof een aanzienlijk deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op leggen als stok achter de deur.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 december 2012 is de verdachte eerder veroordeeld. Echter, sinds vier jaren is de verdachte niet meer met justitie in aanraking gekomen.

Het hof acht, alles afwegende, een straf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 4 oktober 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Het hof kan zich vinden in de te dien aanzien door de rechtbank Haarlem in haar vonnis van 4 juli 2012 onder punt 8 gegeven overweging, welke het hof tot de zijne maakt en als hier ingelast beschouwt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Haarlem van 12 juni 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 4 oktober 2011, parketnummer 10-651136-08, voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Gonggrijp-van Mourik, mr. N.F. van Manen en mr. J.G. Bulsing, in tegenwoordigheid van mr. R. van Leusden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 januari 2013.

Mr. J.G. Bulsing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

.