Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:CA2992

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
200.093.648/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moeten ex-samenwoners de door de man behaalde gokwinst delen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer 200.093.648/01

8 mei 2012 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

ARREST

in de zaak van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel appel,

advocaat: mr. C.W.M. Neefjes te Purmerend,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal appel,

APPELLANT in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen in dit arrest de vrouw en de man worden genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is bij exploot van 19 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat door de rechtbank Amsterdam, sector Kanton, locatie Hilversum onder zaak/rolnummer CV 10-4196 tussen partijen (de vrouw als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie) is gewezen en dat is uitgesproken op 25 mei 2011, met dagvaarding van de man voor dit hof.

1.2. De vrouw heeft bij de appeldagvaarding negen grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, haar eis vermeerderd en een bewijsaanbod gedaan, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw alsmede de vermeerdering van eis als omschreven in de dagvaarding in hoger beroep zal toewijzen en de vorderingen van de man zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

1.3. De man heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden, alsmede incidenteel appel ingesteld en twee grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, met conclusie dat het hof het principaal appel zal afwijzen en in incidenteel appel het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover de vordering van de man die strekt tot veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van de hogere schuld aan de ABN Amro Bank en de helft van het opgenomen bedrag in december 2009 is afgewezen en de vrouw zal veroordelen om aan de man te dier zake € 2.000,- te betalen en voor het overige het vonnis waarvan appel zal bekrachtigen.

1.4. De vrouw heeft vervolgens een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen met conclusie dat het hof de vorderingen in incidenteel appel zal afwijzen.

1.5. Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding en de memorie van antwoord inhoudende incidenteel appel.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 23 maart 2011 in rechtsoverweging nummer 1.1 tot en met 1.3 een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in geding, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1. Partijen hebben van mei 2002 tot december 2009 met elkaar samengewoond. Uit hun relatie is [in] 2004 een dochter, [de minderjarige], geboren. Partijen waren noch gehuwd, evenmin hadden zij een geregistreerd partnerschap of een samenlevingsovereenkomst gesloten. Tijdens de samenleving stelden partijen hun respectievelijke inkomens ter beschikking van de gemeenschappelijke huishouding. In die zin bestond er enige financiële verwevenheid. De vrouw regelde de financiën.

4.2. Partijen vorderen over en weer van elkaar een aantal bedragen zowel betrekking hebben op de periode tijdens, als de periode na het beëindigen van de samenleving. Uiteindelijk heeft de kantonrechter bij eindvonnis de man veroordeeld aan de vrouw een bedrag te betalen van € 386,37. De vrouw heeft negen grieven tegen het eindvonnis ingediend en de man twee. Het hof zal deze grieven achtereenvolgens bespreken.

4.3. De man heeft de woning waarin partijen woonden in december 2009 verlaten. De vrouw stelt dat de man zich pas in de loop van januari 2010 heeft laten uitschrijven uit die woning, waardoor zij over de maand januari huurtoeslag tot een bedrag van € 225,- is misgelopen. Zij stelt primair dat de man haar dit bedrag dient te betalen, subsidiair stelt zij dat de man haar de helft van de verschuldigde huur over die maand dient te betalen. De kantonrechter heeft onder 6 van het eindvonnis overwogen dat een bedrag van € 112,50 toewijsbaar is, doch heeft dit bedrag niet meegerekend onder 14 van het bestreden vonnis waarin is berekend op welk bedrag de vrouw aanspraak kan maken. Wat daar van zij, het hof wijst de vordering van de vrouw af nu iedere rechtsgrond voor toewijzing van voornoemd bedrag ontbreekt. De huur van januari kan niet meer als kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt, terwijl de vrouw haar stelling dat zij de man heeft aangezegd zich in december uit de woning te laten uitschrijven en dat hij die aanzegging naast zich neer heeft gelegd, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts is niet gebleken dat de vrouw zelf pogingen tot uitschrijving van de man heeft ondernomen. De eerste grief van de vrouw faalt.

4.4. De vrouw vordert een bedrag van € 192,98 van de man, zijnde de door haar betaalde incassokosten wegens te late betaling van de premie zorgverzekering van de man en zijn lidmaatschap van de ANWB. De vrouw erkent dat zij degene was die tijdens de samenwoning van partijen de financiën en de administratie verzorgde. Voorts was de polis van zorgverzekering van de man gekoppeld aan de polis van de vrouw, zodat zij degene was die de nota’s en de aanmaningen ontving. De man heeft de vrouw de premie ziektekosten over januari en februari 2010, alsmede het lidmaatschap van de ANWB vergoed, maar niet de incassokosten tot voornoemd bedrag. Daartegen richt zich de tweede grief van de vrouw.

Evenals de kantonrechter zal het hof deze vordering afwijzen. De vrouw heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij heeft getracht de ziektekostenverzekering van de man tijdig uit te schrijven van haar verzekeringspolis of dat zij niet in staat was de kosten te voldoen. Hetzelfde geldt voor de aan de ANWB verschuldigde contributie. Omdat zij degene was die de financiën en de administratie verzorgde, had het op haar weg gelegen die taken te blijven vervullen totdat het feitelijk uiteengaan en de financiële gevolgen daarvan geregeld waren. Nu zij dat heeft nagelaten en de man onweersproken heeft gesteld aan zijn betalingsverplichting te hebben voldaan, kan de vrouw de man niet aansprakelijk houden voor de betaling van de incassokosten. Ook de tweede grief van de vrouw faalt.

4.5. De derde grief van de vrouw richt zich tegen rechtsoverweging 9 van het bestreden vonnis. De kantonrechter heeft overwogen dat de man niet heeft weersproken dat partijen in 2009 fiscaal gezien een gezinsinkomen hadden, zodat het redelijk is dat de man de helft van de over 2009 verschuldigde inkomstenbelasting voor zijn rekening neemt. Het betreft een bedrag van € 1.798,-. De helft daarvan bedraagt € 899,-. De kantonrechter heeft een rekenfout gemaakt en een bedrag van € 699,- in aanmerking genomen als zijnde de helft van het nog verschuldigde bedrag. Het hof zal deze rekenfout herstellen en een door de man te betalen bedrag van € 899,- toewijzen. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de inkomensverhouding tussen partijen 4:6 bedroeg, op grond waarvan de man haar een hoger bedrag dan laatstgenoemd bedrag dient te betalen, nu zij deze verhouding tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof acht het redelijk dat, nu partijen gezamenlijk aangifte voor de inkomstenbelasting deden, de daarop gebaseerde aanslag door partijen ieder voor de helft wordt gedragen.

4.6. De vrouw vordert een bedrag van € 719,44 van de man, zijnde de helft van een schuld aan Wehkamp. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. In haar vierde grief stelt de vrouw dat de bij Wehkamp gekochte goederen zijn gekocht ten behoeve van hun beider dochter [de minderjarige] en dat om die reden de man op zijn minst de helft van de schuld dient te betalen. Voor zover de schuld is ontstaan door de aanschaf ter vervanging van overige inboedelbestanddelen, stelt de vrouw dat toen partijen gingen samenwonen de gehele inboedel van haar was en dat het alleszins redelijk is dat de man meebetaalt aan vervanging van sommige inboedelgoederen waarvan hij ook het gebruik en het genot heeft gehad. Bovendien moest de vrouw wel op afbetaling bij Wehkamp kopen omdat de inkomsten van de man door zijn gokken vaak niet voldoende waren ter bestrijding van de kosten van de huishouding.

Ook deze grief faalt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man - hij heeft onder meer aangevoerd dat de schuld zou kunnen dateren van vóór de relatie van partijen - heeft de vrouw deze grief onvoldoende onderbouwd.

4.7. De vijfde grief van de vrouw luidt dat de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft aangenomen dat de Ford-Escort niet van de vrouw was. In haar grief stelt de vrouw dat de Ford-Escort op haar naam stond maar door partijen gezamenlijk was aangeschaft en werd gebruikt. Zij stelt dat de man de auto total-loss heeft gereden. Daarna hebben partijen de Ford-Escort ingeruild voor € 3.500,-. Zij hebben van de ouders van de vrouw € 1.500,- geleend om vervolgens een Peugeot te kopen. De lening aan de ouders is terugbetaald. De vrouw is van mening dat de Peugeot gemeenschappelijk eigendom is en dat de man haar de helft van de dagwaarde van € 1.250,- moet vergoeden.

Het standpunt van de vrouw in hoger beroep wijkt af van haar standpunt in eerste aanleg. In de dagvaarding in eerste aanleg staat (onder g): “Kort voor het uiteengaan van partijen heeft gedaagde de auto van eiseres total-loss gereden. Haar schade bedraagt de waarde van de auto ter hoogte van € 1.200,-. Eiseres is van mening dat gedaagde die dagwaarde aan haar dient te vergoeden, temeer omdat gedaagde zijn eigen auto, waarvan een deel van de aankoopprijs door partijen uit het gezamenlijk inkomen is afgelost, heeft meegenomen.”

De man ontkent dat hij de auto van de vrouw total-loss heeft gereden en stelt dat door een gesprongen V-snaar de motor is vastgelopen.

4.8. Wat er zij van de stellingen van partijen. Het hof kan op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet vaststellen dat partijen een auto merk Peugeot in gemeenschappelijk eigendom bezaten op het moment van uiteengaan, dat deze auto op dat moment € 1.250,- waard was, dat de man die auto heeft meegenomen en daarom aan de vrouw € 625,- dient te vergoeden. Daartoe heeft de vrouw haar grief onvoldoende onderbouwd, zodat deze faalt.

4.9. In haar zesde grief stelt de vrouw dat het onredelijk is dat de kantonrechter heeft overwogen dat zij geen aanspraak kan maken op de door de man gemaakte gokwinst na het uiteengaan van partijen. Zij stelt dat de man tijdens de samenleving veel gokte en dat zij hem vergeefs heeft getracht te dwingen daarmee te stoppen omdat de uitgaven voor het gokken kwamen uit de gezamenlijke inkomsten, waardoor de financiële ruimte van het gezin onnodig krap was. Onder die omstandigheden acht zij het redelijk dat de winst die de man vlak na kerstmis 2009 maakte ook aan haar voor de helft toekomt. De man stelt dat hij maar één hobby had, namelijk gokken. Hij ontkent dat het gezin last heeft gehad van zijn hobby.

4.10. Het hof overweegt dat ook deze grief faalt. De man heeft de gokwinst behaald na het feitelijk uiteengaan. Hetgeen de vrouw aanvoert in haar grief kan niet leiden tot de conclusie dat de gokwinst onderdeel uitmaakt van het gemeenschappelijke gezinsbudget c.q. de gemeenschappelijke huishouding. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid is er geen aanleiding voor toewijzing van de vordering van de vrouw, nog daargelaten dat een dergelijke vordering niet rechtens afdwingbaar is.

4.11. In haar zevende grief vermeerdert de vrouw haar eis. Zij stelt dat zij in 2005, tijdens de samenleving, betrokken raakte in een arbeidsconflict, dat zij door de samenleving met de man niet voor een toevoeging in aanmerking kwam en dat zij daarom zelf haar advocaat diende te betalen tot een bedrag van € 4.007,50. Die nota is destijds niet betaald. Thans wordt zij daarvoor alsnog aangesproken, zodat zij het redelijk acht dat de man haar de helft van genoemd bedrag betaalt.

4.12. De betreffende advocatennota bevindt zich – anders dan de vrouw in haar dagvaarding in hoger beroep doet voorkomen – niet bij de stukken. De man betwist de verschuldigdheid van het door de vrouw gevorderde bedrag gemotiveerd. Door het hof kan niet worden vastgesteld dat de vrouw in 2005 advocaatkosten tot het door haar genoemde bedrag heeft gemaakt en dat deze kosten als kosten van de gemeenschappelijke huishouding dienen te worden beschouwd. De vrouw heeft haar grief onvoldoende onderbouwd, zodat deze faalt.

4.13. In rechtsoverweging 15 van het vonnis waarvan beroep gaat het om een door de vrouw in december 2009 opgenomen bedrag van € 2.000,- van de bankrekening van de man, waaraan is verbonden een flexibel krediet. In eerste aanleg heeft de vrouw opgegeven dat zij daar de huur over december 2009, te weten een bedrag van € 512,-, van heeft betaald en het resterende bedrag aan de kosten van de huishouding heeft besteed. De kantonrechter heeft die kosten schattenderwijs op € 750,- gesteld en heeft bepaald dat de vrouw aan de man € 750,- dient terug te betalen. Daartegen richt zich de achtste grief van de vrouw. Zij betwist thans bij gebrek aan wetenschap dat zij € 2.000,- van de rekening heeft opgenomen en houdt staande, dat als zij inderdaad dit bedrag van de rekening heeft opgenomen, dit volledig is besteed aan de kosten van de huishouding.

De tweede grief van de man incidenteel appel heeft ook betrekking op dezelfde rechtsoverweging. De man stelt dat de stelling van de vrouw dat zij van genoemd bedrag de huur heeft betaald niet juist kan zijn, omdat de huur gebruikelijk vanaf de betaalrekening werd betaald en niet vanaf het flexibel krediet. Omdat de vrouw geen enkel bewijs heeft bijgebracht van de besteding van genoemd bedrag, dient de vrouw aan hem € 1.000,- te betalen en niet € 750,- zoals door de kantonrechter bepaald.

4.14. Het hof passeert de betwisting door de vrouw van de opname van het bedrag van € 2.000,-, nu zij in de inleidende dagvaarding onder 7 heeft erkend dat zij € 2.000,- van de flexibel kredietrekening heeft opgenomen als bijdrage van de man in de kosten van de gezamenlijke huishouding van december, omdat hij die nog niet eerder had betaald, terwijl een aanmerkelijke hoeveelheid rekeningen openstonden ter betaling. Zij kan daarop in hoger beroep niet terugkomen op de wijze zoals zij heeft gedaan. Het had op haar weg gelegen te onderbouwen waaraan genoemd bedrag is uitgegeven en waarom de man aansprakelijk is voor de betaling van het gehele bedrag. Nu zij dat heeft nagelaten faalt de grief van de vrouw. Daarentegen slaagt de grief van de man. De vrouw kan niet volstaan met de stelling dat het alleszins aannemelijk en begrijpelijk is dat het volledige bedrag van € 2.000,- is opgegaan aan de kosten van de huishouding en dat deze kosten volledig voor rekening van de man dienen te komen. Omdat de vrouw geen inzicht heeft gegeven in de besteding van genoemd bedrag, acht het hof het redelijk dat de vrouw aan de man de helft van dit bedrag, te weten een bedrag van € 1.000,- betaalt in plaats van het door de kantonrechter bepaalde bedrag van € 750,-.

4.15. De man vordert in hoger beroep voorts nog een bedrag van € 1.000,- van de vrouw. De man had al voordat hij een relatie aanging met de vrouw een doorlopend c.q. flexibel krediet bij de ABN Amro Bank. Tijdens de samenleving beheerde de vrouw de financiën en voerde zij de administratie van partijen en ook van deze rekening van de man. Op enig moment heeft de man in aanwezigheid van de vrouw verzocht om verhoging van de kredietruimte met een bedrag van € 2.000,-, welke verhoging werd toegestaan. Omdat de kredietruimte volledig is benut en aangewend ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding, acht de man het redelijk en billijk dat de vrouw de helft van de verhoging, te weten een bedrag van € 1.000,-, aan hem betaalt. De vrouw voert gemotiveerd verweer.

4.16. Het hof wijst de vordering van de man af. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man deze vordering onvoldoende concreet onderbouwd, zodat de vordering alleen al daarom dient te worden afgewezen.

4.17. De conclusie van het voorgaande is dat de grieven 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 van de vrouw falen en dat grief 3 deels slaagt. Het hof zal de door de kantonrechter gemaakte rekenfout herstellen. De eerste grief van de man slaagt en de tweede faalt. Dat maakt dat de rekensom er als volgt uitziet:

Door man aan vrouw te betalen

Woonenergie en stadsverwarming (niet betwist) € 223,87

Inkomstenbelasting (niet betwist) € 213,50

Inkomstenbelasting (herstel rekensom) € 899,-

Totaal € 1.336,37

Door vrouw aan man te betalen

Helft opname van bankrekening man € 1.000,-

Door man aan vrouw te betalen € 336,37

4.18. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de man zal worden veroordeeld laatstgenoemd bedrag aan de vrouw te betalen. Er is geen aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten van zowel de eerste instantie als het hoger beroep zoals door de vrouw gevorderd. Partijen hebben een relatie met elkaar hebben gehad en bovendien zijn zij beiden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, deels in het ongelijk gesteld. De negende grief van de vrouw faalt dus ook. Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep compenseren als na te melden.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal en in incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 336,37 (DRIEHONDERD ZESENDERTIG EURO EN ZEVENENDERTIG EUROCENT);

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het zowel in principaal als in incidenteel appel meer of anders gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, W.J. van den Bergh en D. Kingma en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2012 door de rolraadsheer.