Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:CA1467

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
200.103.197/01 en 200.103.197/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap. Kosten deskundigenonderzoek en hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 10 juli 2012

Zaaknummer: 200.103.197/01 (hoofdzaak) & 200.103.197/02 (schorsing)

Zaaknummer eerste aanleg: 459850/FA RK 10-4232 (AW IZ)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. B.A. Zevenbergen te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.S.P. Gijsberti Hodenpijl te Amsterdam,

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 6 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 december 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 459850/FA RK 10-4232 (AW IZ).

1.3. De vrouw heeft op 17 april 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 2 mei 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mr. M.J. Westhoff (hierna: de bijzonder curator).

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Hun huwelijk is op 7 juni 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 januari 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Gedurende het huwelijk is uit de vrouw geboren […] [in] 2004 (hierna: [het kind]).

2.2. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2010 is mr. M.J. Westhoff benoemd tot bijzonder curator over [het kind].

2.3. Bij (tussen)beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2010 is dr. N.M. Lardy, hoofd van de afdeling Vaderschapsonderzoek, divisie Diagnostiek van de Stichting Sanquin Bloedvoorziening te Amsterdam benoemd tot deskundige teneinde aan de rechtbank schriftelijk rapport uit te brengen omtrent de vraag welke conclusies getrokken kunnen worden uit de resultaten van het DNA-onderzoek aangaande partijen en [het kind].

2.4. Uit het door de deskundige op 26 januari 2011 schriftelijk uitgebrachte rapport volgt dat de man is uitgesloten van het biologisch vaderschap ten aanzien van [het kind].

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van [het kind] gegrond verklaard en zijn partijen elk voor de helft veroordeeld in de kosten van het deskundigenonderzoek.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt in de kosten van het deskundigenonderzoek en de kosten van het hoger beroep en dat de werking van de bestreden beschikking wordt geschorst.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De man heeft in het petitum van het appelschrift verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen. Nu hij dit verzoek op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd zal het hof dit verzoek afwijzen.

4.2. De man stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte partijen bij helfte heeft veroordeeld in de kosten van het deskundigenonderzoek. Hij is van mening dat de vrouw de volledige kosten van het onderzoek dient te voldoen, omdat door de proceshouding van de vrouw onnodig kosten zijn gemaakt. De man heeft zelf zijnerzijds voorafgaand aan de procedure een DNA-onderzoek laten uitvoeren, waaruit bleek dat hij niet de biologische vader van [het kind] is, maar de rechtbank heeft dit onderzoek niet rechtens relevant geacht, aldus de man. De vrouw bleef volhouden dat de man de biologische vader van [het kind] is.

De man stelt voorts dat de rechter in eerste aanleg ter zitting van 7 oktober 2010 heeft gezegd dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van de in het ongelijk gestelde partij zouden komen en dat dit ook blijkt uit rechtsoverweging 4.3. op pagina 4 van de tussenbeschikking van 3 november 2010 waarin is overwogen: “Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek zal de rechtbank later een beslissing nemen over de daaraan verbonden kosten”.

4.3. De vrouw heeft zich tegen het verzoek van de man verweerd. Zij had gerede grond er zeker van te zijn dat de man de vader van [het kind] was, omdat [het kind] te vroeg geboren is.

Bovendien kan zij zich de periode van verwekking van [het kind] nauwelijks herinneren omdat zij in die periode leed aan ernstige psychische problemen. Naar haar beste herinnering heeft zij in die periode ook gemeenschap met de man gehad. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat alleen door middel van deskundigenonderzoek kan worden vastgesteld of de man de vader van [het kind] is, aldus de vrouw.

De vrouw is van mening dat uit voornoemde tussenbeschikking van de rechtbank niet kan worden afgeleid dat zij in de kosten van het onderzoek veroordeeld zou worden afhankelijk van de uitkomst van het DNA-onderzoek.

4.4. De bijzonder curator heeft ter zitting verklaard dat, voor zover gezegd kan worden dat de kostenveroordeling het belang van het kind raakt, het (beperkte) gezinsbudget van de moeder extra zwaar wordt belast wanneer zij in de volledige kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld, hetgeen niet in het belang van [het kind] is.

4.5. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde komt naar voren, dat de relatie van partijen al langere tijd werd gekenmerkt door spanningen. In februari 2010 heeft een incident plaatsgevonden waarna bij de man ernstige twijfels zijn ontstaan over de vraag of hij de biologische vader van [het kind] is. Hij heeft toen, zonder medeweten van de vrouw, een DNA-onderzoek laten uitvoeren, waaruit bleek dat hij niet de biologische vader van [het kind] is. Hij heeft het schriftelijke verslag van dat onderzoek niet aan de vrouw laten zien. De man is vervolgens een procedure tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [het kind] gestart, zonder daarbij het onderzoeksverslag bij zijn processtukken over te leggen. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek niet heeft plaatsgevonden op een voor ieder toetsbare wijze zodat het niet met de nodige waarborgen was omkleed.

Gelet op stellingen van partijen en hetgeen uit de stukken is gebleken kon niet zonder meer worden uitgesloten dat de man de biologische vader van [het kind] is. Omdat de man de vrouw niet bij het DNA-onderzoek heeft betrokken en (de resultaten van) het door hem geëntameerde DNA-onderzoek niet tijdig inzichtelijk heeft gemaakt aan haar en de rechtbank, zijn de resultaten van dit onderzoek door de rechtbank terecht buiten beschouwing gelaten. Een nieuw deskundigenonderzoek was derhalve noodzakelijk om vast te stellen of de man de biologische vader van [het kind] is. De rechtbank overweegt in zijn eindbeslissing evenzeer terecht dat de verhouding tussen partijen ertoe heeft geleid dat de rechtbank slechts door middel van het opgelegde deskundigenonderzoek haar eindbeslissing heeft kunnen nemen.

Het hof acht het onder deze omstandigheden redelijk dat partijen beiden voor de helft de kosten van het deskundigenonderzoek dragen.

Ten overvloede overweegt het hof dat noch uit rechtsoverweging 4.3. noch uit het dictum van de tussenbeschikking van 3 november 2010 van de rechtbank Amsterdam valt op te maken dat de rechtbank reeds bindend had beslist dat de naar aanleiding van het door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek in het ongelijk te stellen partij in de kosten van dat onderzoek zal worden veroordeeld, nog daargelaten dat het hof in hoger beroep in beginsel aan een dergelijke beslissing niet gebonden zou zijn.

Het hof ziet gelet op de aard en uitkomst van de procedure evenmin aanleiding om de vrouw in de kosten van het hoger beroep te veroordelen, zoals door de man is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verzoeken van de man in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M. Wigleven en mr. E.A. Maan in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2012.