Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:CA1464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
200.089.107/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap, vervaltermijn, zijn appellanten aan te merken als belanghebbenden in deze procedure?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 31 januari 2012 in de zaak met zaaknummer 200.089.107/01 van:

1. […],

wonende te […],

2. […],

wonende te […],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. J.W. Fernhout te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.C. Duvekot te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant sub 1 wordt hierna [g] genoemd. Appellant sub 2 wordt hierna [h] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna [m] genoemd.

1.2. [g] en [h] zijn op 15 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 16 maart 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 378761/FA RK 07-6581 (HHA CH) en voor zover nodig tegen de daaraan ten grondslag liggende tussenbeschikkingen van 27 februari 2008, 26 augustus 2009 en 27 januari 2010.

1.3. [m] heeft op 29 juli 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 7 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- Appellanten bijgestaan door hun advocaat;

- Geïntimeerde bijgestaan door haar advocaat;

- De heer […] (hierna: [a]).

2. De feiten en procesverloop in eerste aanleg

2.1. […] (hierna: de moeder) is [in] 1940 gehuwd met […] (hierna: [x]). [m] is [in] 1949 geboren uit de moeder. Uit het huwelijk zijn nog vier kinderen geboren, van wie er drie nog in leven zijn, te weten de heer […] ([p]), [a] en mevrouw […] ([h]).

Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 22 oktober 1973. De moeder is [in] 1973 gehuwd met […] (hierna: [y]).

[x] is overleden [in] 1989.

[y] is overleden [in] 1991.

De moeder is overleden [in] 2006.

2.2. Bij testament van 21 augustus 1973 heeft [y] de moeder tot enig erfgenaam benoemd. Aan deze benoeming is de last verbonden dat hetgeen zij bij haar overlijden onvervreemd en onverteerd achterlaat dient uit te keren aan [h] en aan [g], een zoon van zijn broer.

2.3 Na het overlijden van de moeder is een geschil ontstaan tussen [g] en [h] enerzijds en [p], [a] en [m] anderzijds over gelden die bij de Credit Suisse op een depot- en privérekening ten name van de moeder staan, maar die - aldus [g] en [h] - tot de nalatenschap van [y] behoren. Als gevolg daarvan zijn de nalatenschappen van de moeder en [y] op dit moment nog niet afgehandeld.

2.4 [m] heeft bij inleidend verzoekschrift de rechtbank Amsterdam verzocht op de voet van artikel 1:200 lid 1 Burgerlijke Wetboek (BW) over te gaan tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] en vervolgens op de voet van artikel 1:207 lid 1 BW tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [y] als haar vader. Zij heeft ter onderbouwing van haar verzoek onder meer een rapport van 21 juni 2007 overgelegd van het IHA, het “Institut für humangenetische Analytik”, te Tübingen, Duitsland, waarin wordt geconcludeerd dat [m] niet dezelfde man als verwekker heeft als [p] en [a].

2.5 Bij de tussenbeschikking van 27 februari 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van het rapport van het IHA voorshands aannemelijk is dat [x] niet de biologische vader van [m] is. Voor de vaststelling dat [y] de verwekker van [m] is, was naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende bewijs. De rechtbank liet [m] toe tot het aanvullend bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat niet [x], maar [y] haar heeft verwekt. Bij beschikking van 26 augustus 2009 is de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van informatie van [m].

2.6 Op 4 december 2009 heeft [m] de rechtbank verzocht ingevolge artikel 800 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) [g] op te roepen in de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en hem zo nodig opdracht te geven medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vaststelling van het vaderschap van [y].

2.7 Bij de tussenbeschikking van 27 januari 2010 heeft de rechtbank in (naar het hof begrijpt, uitsluitend) de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap [h] en [g] aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Het verzoek om [g] in die procedure op grond van artikel 800 lid 2 Rv op te roepen is afgewezen.

2.8 [h] en [g] hebben hierop een verweerschrift ingediend waarin zij concluderen tot afwijzing van beide verzoeken van [m]. Ter zake van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] voeren zij aan dat [m] dit verzoek niet heeft ingediend binnen de termijn die is bepaald in artikel 1:200 lid 6 BW.

2.9 Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2011 is [a] aangemerkt als belanghebbende in de procedure ten aanzien van het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap.

2.10 Bij beschikking van 16 maart 2011 is het verzoek van [m] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] toegewezen. De rechtbank ging voorbij aan de verweren van [h] en [g] nu zij naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbenden zijn ten aanzien van de ontkenningsprocedure. De beslissing omtrent het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [y] is aangehouden. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1 In hoger beroep verzoeken [h] en [g] de hiervoor vermelde beschikkingen van 27 februari 2008, 26 september 2009, 27 januari 2010 en 16 maart 2011 te vernietigen en opnieuw rechtdoende [m] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap, danwel dit verzoek alsnog af te wijzen, met veroordeling van [m] in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.2 [m] verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

4. Ontvankelijkheid

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 Rv is de kring van personen die hoger beroep kan instellen tegen een beschikking in een zaak als de onderhavige beperkt tot de verzoeker in eerste aanleg en de belanghebbenden. Uit de beschikking van 16 maart 2011 volgt dat de rechtbank [h] en [g] niet als belanghebbenden heeft aangemerkt in de procedure inzake het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x], maar uitsluitend in de procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [y]. De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is echter niet het onderwerp van deze appelprocedure.

4.2 [h] en [g] kunnen dan ook alleen in hun hoger beroep tegen de beslissing op het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] worden ontvangen indien het hof hen – anders dan de rechtbank heeft gedaan – in deze procedure aanmerkt als belanghebbenden.

4.3 Onder “belanghebbende” wordt in familierechtelijke aangelegenheden verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (art. 798 Rv). Niet gezegd kan worden dan bij een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap een zus ([h]) van het kind ([m]) waarop dit verzoek betrekking heeft, zonder meer belanghebbende is. Datzelfde heeft te gelden voor een neef ([g]) van de man ([y]) die mogelijk wél de biologische vader van dat kind ([m]) is. [h] en/of [g] dienen daarom bijzondere feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat zij in deze procedure niettemin menen als belanghebbenden in de zin van artikel 798 Rv kunnen worden aangemerkt.

4.4 [h] en [g] hebben in grief 2 aangevoerd dat hier feitelijk een zeer nauwe verbondenheid bestaat tussen de procedures tot ontkenning van het vaderschap en gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De uitkomst van de laatstgenoemde procedure heeft bovendien weer gevolgen voor de verdeling van de nalatenschap van [y]. In ieder geval dient [h] als belanghebbende te worden aangemerkt. Zij is de zus van [m] en de procedure tot ontkenning van het vaderschap van [x] ten aanzien van [m] zal rechtstreekse gevolgen voor [h] hebben vanwege de reeds in 1989 afgewikkelde nalatenschap van [x]. Indien [m]s verzoek wordt toegewezen, zal dit ertoe leiden dat die nalatenschap opnieuw moet worden verdeeld, waarbij [m] haar erfdeel zal moeten terugbetalen, aldus [h] en [g].

4.5 Naar het oordeel van het hof dient [h] te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv in de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x]. Tussen [h] en [m] bestaat een nauwe familierechtelijke band; zij zijn zussen en zijn met hun beide broers ([p] en [a]) en hun reeds overleden zus ([t]) opgegroeid in hetzelfde gezin, waarin [x] hun (juridische) vader was. [x] is in 1989 overleden en diens nalatenschap is ruim twintig jaar geleden verdeeld tussen de kinderen. De toewijzing van het onderhavige verzoek zou, gelet op artikel 1:202 lid 3 BW, ertoe kunnen leiden dat de verdeling van de nalatenschap van [x] geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden. Aldus raakt het verzoek rechtstreeks de rechten en verplichtingen van [h]. Daar komt bij dat – naar het hof hieronder zal toelichten – [m] reeds ten tijde van het overlijden van [x] voldoende redenen had om te vermoeden dat [x] niet haar biologische vader was. Dat is reden te meer om het belang van [h] om niet opnieuw te worden geconfronteerd met de verdeling van de nalatenschap zwaar te laten wegen. Dat de mogelijkheid bestaat dat een nieuwe verdeling van de nalatenschap van [x] voor [h] financieel gunstig zal uitpakken, doet aan het voorgaande niet af. Evenmin wordt door aldus te beslissen inbreuk gemaakt op het recht op “family life” van [m] in de zin van artikel 8 EVRM, reeds omdat de daarbij betrokken personen (de moeder, [x] en [y]) allen zijn overleden.

4.6 Tussen [m] en [g] bestaat geen nauwe familierechtelijke band. Dit heeft ook te gelden indien zou moeten worden aangenomen dat [y] de (biologische) vader van [m] is. In dat geval zijn [m] en [g] immers slechts nicht en neef van elkaar. Verder is gesteld noch gebleken dat [m] en [g] samen in een familieverband zijn opgegroeid. De ontkenning van het vaderschap door [m] raakt [g] ook niet anderszins rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen. Indien [m]s desbetreffende verzoek wordt toegewezen, is daarmee nog niet komen vast te staan dat [y] haar vader is. Met de nalatenschap van [x] heeft [g] geen enkele bemoeienis. De belangen van [g] kunnen door toewijzing van het verzoek wel indirect worden geraakt, namelijk indien vervolgens óók in rechte zou komen vast te staan dat [y] de vader [m] is. Een dergelijke vaststelling zou immers gevolgen hebben voor de verdeling van de nalatenschap van [y]. Een dergelijk indirect belang is evenwel onvoldoende om [g] aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv in de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x].

4.7 De conclusie is dat [h] wel belanghebbende is in de zin van artikel 798 Rv en dus in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Voor [g] geldt dit niet; hij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep. Overigens volgt uit het voorgaande ook dat [a] door de rechtbank terecht als belanghebbende is aangemerkt.

4.8 Aan de conclusie ten aanzien van [g] doet niet af dat de rechtbank – zoals bepleit in grief 3 – in gevolge artikel 800 lid 2 Rv de mogelijkheid heeft te bevelen dat personen wier verklaring in verband met de behandeling van het verzoek van betekenis kan zijn, kunnen worden opgeroepen te verschijnen. Ook als de rechtbank [g] op die wettelijke grondslag had opgeroepen, zou hij als niet-belanghebbende geen hoger beroep hebben kunnen instellen tegen de beslissing betreffende de ontkenning van het vaderschap van [x].

4.9 In haar verweerschrift in hoger beroep heeft [m] nog aangevoerd dat het beroepsschrift niet binnen de termijn van drie maanden is ingediend en dat [h] en [g] op die grond niet ontvankelijk zijn. Dit verweer is ongegrond. [h] en [g] zijn op 15 juni 2011 tijdig in hoger beroep gekomen van de (eind)beschikking van 16 maart 2011. De overige beschikkingen zijn tussenbeschikkingen waartegen ingevolge art. 358 lid 4 Rv slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep kon worden ingesteld.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1 In grief 4 wordt geklaagd dat [m] de rechtbank onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd ter zake van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap. Uit overgelegde verklaringen blijkt dat [m] al in 1972 op de hoogte was van het feit dat [y] haar biologische vader is. Het verzoek is dus ingediend nadat de vervaltermijn van drie jaren uit artikel 1:200 lid 6 BW verstreken was. [m] heeft haar verzoek dus te laat ingediend, aldus [h].

5.2 [m] betwist dat zij onjuiste en onvolledige informatie aan de rechtbank zou hebben verschaft. Zij is pas bij het overlijden van haar moeder in 2006 ervan op de hoogte geraakt dat [y] en niet [x] haar vader is. Voor die tijd had zij – naar zij bij de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd heeft toegelicht – slechts een ongefundeerd vermoeden dat [x] mogelijk niet haar biologische vader was. Binnen de familie gingen wel geruchten, maar er werd nooit echt over gesproken, aldus [m].

5.3 Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:200 lid 6 BW dient het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap te worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend geworden is met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Deze bepaling is ingevolge de Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van de adoptie (Stb. 1997, 772) op 1 april 1998 in werking getreden. Krachtens artikel III lid 3 van laatstgenoemde wet kan een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van deze wet bekend is dat de man die op het tijdstip van zijn geboorte de echtgenoot van zijn moeder was, vermoedelijk niet zijn biologische vader is, gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dus tot 1 april 2001, een verzoek tot ontkenning van het vaderschap doen.

5.4. Bepalend voor het antwoord op de vraag of [m] ontvankelijk is in haar verzoek is in beginsel of zij dat verzoek heeft ingediend binnen deze vervaltermijn. Bij de beoordeling daarvan is van belang de brief van 28 januari 2007 die [m] aan haar broers en zus en [g] heeft geschreven. Hierin staat het volgende:

“Zoals jullie allemaal weten, gehoord hebben en zien, ben ik een biologische dochter van [voornaam y] ([y], hof) en Mammie (de moeder, hof). Zij hebben mij dit persoonlijk en in bijzijn van [w] (de ex-echtgenoot van [m], hof) verteld.

Het heeft toentertijd mijn hele leven aardig op zijn kop gesteld en het duurde even, voordat ik begreep, wat er allemaal om mij heen gebeurde.

Daarbij kreeg ik door lange gesprekken heel veel steun van [t], om dit allemaal te verwerken.

Als [w] en ik wilde gaan trouwen (in 1972, hof) kregen wij een startgeld van [voornaam y] en Mammie van Hfl. 10.000,- met de reden, dat zij mijn ouders waren. Zij vertelden ons, dat ik in hun liefde voor elkaar geboren ben, wat ik heel mooi vind. [voornaam y] was altijd al een vader voor mij, wat betreft de opvoeding, de cultuur en de muziek. Hij was er op onze vakanties erbij. (…)

Ik heb er toentertijd nooit over nagedacht, dit met een vaderschapstest te bevestigen, omdat iedereen vond, dat het te zien en te merken was, ook mensen buiten de familie, die ik gesproken heb.

(…)”

5.5 De inhoud van deze brief wordt in essentie bevestigd door [p] in zijn brief van 19/20 april 2010 aan de advocaat van [m]. Ook uit de e-mail van […] (de ex-echtgenote van [p]) van 21 juni 2009 aan de advocaat van [m] blijkt dat rond het huwelijk van [m] met [w] het vaderschap van [y] is bekend gemaakt binnen de familie.

5.6 Gelet op dit een en ander is het hof van oordeel dat [m] niet pas bij het overlijden van haar moeder in 2006 bekend is geworden met het feit dat [x] vermoedelijk niet haar biologische vader is, maar al in de jaren ‘70 van de vorige eeuw. De omstandigheid dat de hiervoor aangehaalde correspondentie allemaal heeft plaatsgevonden na 2006 acht het hof geen reden om aan de inhoud daarvan geen of minder gewicht toe te kennen. Immers, [m] beschrijft in haar brief uit 2007 heel gedetailleerd de wijze waarop zij – begin jaren ’70 – op de hoogte is geraakt van het (vermoedelijke) vaderschap van [y], informatie die zij (blijkens die brief) rechtstreeks heeft verkregen van haar moeder en [y] en die zij blijkens de bewoordingen in die brief als waarheid heeft aanvaard. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [m] ook niet voldoende overtuigend kunnen toelichten waarom zij deze details in die brief heeft opgenomen als zij niet juist zouden zijn. Bij die stand van zaken kan ook niet worden aangenomen dat er destijds bij [m] slechts vage vermoedens waren dat [x] niet haar biologische vader was en dat die vermoedens niet op concrete feiten zouden zijn gebaseerd.

5.7 Het verweer van [m] dat zij een evident belang heeft om aan¬sluiting te zoeken bij haar biologisch vaderschap en zekerheid te hebben in overeenstemming met artikel 8 lid 1 EVRM, gaat in dit geval niet op. [m] heeft op grond van artikel 1:200 lid 1 BW deze mogelijkheid (gehad). Dat er in de wet een vervaltermijn van drie jaar is opgenomen is niet zonder meer strijdig met het in artikel 8 lid 2 EVRM neergelegde verbod, nu een dergelijke termijn noodzakelijk is in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen. Die rechtszekerheid is hier ook concreet van belang, nu [h] zich als belanghebbende tegen toewijzing van het verzoek verzet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hier niet gaat om een geringe termijnoverschrijding. Uit het voorafgaande volgt immers dat moet worden aangenomen dat [m] al in of omstreeks 1972 – zij was toen reeds meerderjarig – op de hoogte geraakte van het feit dat [x] vermoedelijk niet haar biologische vader was. Zij diende dus uiterlijk op 1 april 2001 het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning in te dienen, maar heeft pas in 2007 het onderhavige verzoek aanhangig gemaakt. Daarbij komt, zoals hiervoor al vermeld, dat de meest direct betrokkenen (de moeder, [x] en [y]) allen reeds zijn overleden, zodat inzoverre geen sprake is van een inbreuk op [m]s ‘family life’. [m] heeft voorts geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat in haar geval de vervaltermijn buiten toepassing moet worden gelaten. Naar het oordeel van het hof is de vervaltermijn in het onderhavige geval dan ook van toepassing.

5.8 De conclusie is dat grief 4 slaagt. De bestreden beschikkingen zullen worden vernietigd en het verzoek van [m] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] zal worden afgewezen.

5.9 Bij deze stand van zaken bestaat er geen belang meer bij de behandeling van grief 1, waarin wordt bepleit dat de rechtbank ten onrechte aan de onderzoeksresultaten van het instituut te Tübingen de conclusie verbonden dat [x] niet de biologische vader van [m] is.

5.10 Nu het gaat om een familierechtelijke aangelegenheid zal het hof de kosten compenseren.

6. Beslissing

Het hof:

verklaart […] ([g]) niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

vernietigt de beschikkingen van 27 februari 2008, 26 september 2009, 27 januari 2010 en 16 maart 2011 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van [m] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [x] af;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T de Bie, C.A. Joustra en E.A. Maan, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2012.