Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5463

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
25-03-2013
Zaaknummer
200.106.269/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager heeft onvoldoende aangevoerd waaruit voortvloeit dat voor de gerechtsdeurwaarder aanleiding bestond de incasso-opdracht te weigeren. Nu de gerechtsdeurwaarder een incasso-opdracht had en de incassokosten ingevolge de huurovereenkomst aan klager doorberekend mochten worden, kan niet worden geoordeeld dat die incassokosten ten onrechte aan klager in rekening zijn gebracht. Een gerechtsdeurwaarder mag op de door hem opgevraagde inlichtingen uit de GBA afgaan, tenzij hij over voldoende aanwijzingen beschikt om te veronderstellen dat dit GBA-adres niet het woonadres is. In het onderhavige geval had de gerechtsdeurwaarder kunnen en naar het oordeel van het hof ook moeten onderkennen dat er wel degelijk aanleiding was om te veronderstellen dat het GBA-adres niet klagers woonadres was, gezien het feit dat het adres reeds sinds 6 augustus 2010 in onderzoek stond. Dat de gerechtsdeurwaarder dit niet heeft onderkend en derhalve geen verder onderzoek naar de juistheid van het door hem gehanteerde adres van klager heeft gedaan waar dit wel geboden was, acht het hof tuchtrechtelijk laakbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Bij vervroeging.

Beslissing van 16 oktober 2012 in de zaak van:

[ GERECHTSDEURWAARDER ],

gerechtsdeurwaarder te [ plaats ],

APPELLANT,

t e g e n

[ KLAGER ],

wonende te ’s-Gravenhage,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 4 mei 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 27 maart 2012, verzonden op 5 april 2012, waarbij de kamer de klacht van geïntimeerde, verder klager, tegen de gerechtsdeurwaarder gegrond heeft verklaard en aan hem de maatregel van berisping heeft opgelegd.

1.2. Van de zijde van klager is op 20 juni 2012 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2012. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klager is niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

De feiten zoals door de kamer in de bestreden beslissing vastgesteld, zijn door partijen niet betwist, zodat die ook het hof tot uitgangspunt strekken. De gerechtsdeurwaarder heeft echter aangevoerd dat de feitenvaststelling onvolledig is. Voor zover noodzakelijk, zal het hof de bezwaren die door de gerechtsdeurwaarder zijn geuit tegen de wijze waarop de feiten door de kamer zijn vastgesteld, mede in zijn beoordeling hierna betrekken.

4. Het standpunt van klager

Klager acht de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het dossier met betrekking tot zijn huurachterstand heeft behandeld, in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt. Klager voert hiertoe het volgende aan.

4.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de incasso-opdracht van Amvest Woningen-Nova Exploitatie B.V., verder Amvest, ten onrechte geaccepteerd. Klager had aantoonbaar de intentie om de huurachterstand in overleg met Amvest op te lossen en in dat geval is het volgen van een buitengerechtelijk incassotraject niet nodig.

4.2. De werkwijze van de gerechtsdeurwaarder was zeer onzorgvuldig, aangezien de gerechtsdeurwaarder alle correspondentie naar het oude (dus verkeerde) woonadres heeft gestuurd, waar klager niet meer woonde en inmiddels was uitgeschreven. Het juiste adres had bekend moeten zijn bij de gerechtsdeurwaarder, maar uit alle stukken blijkt dat de gerechtsdeurwaarder in het geheel geen adrescontrole heeft gedaan en zelfs geen afweging heeft gemaakt tussen het domicilieadres en het adres waarop klager volgens de gemeentelijke basisadministratie, verder GBA, stond ingeschreven. Door deze grove fout heeft de correspondentie van de gerechtsdeurwaarder klager niet bereikt en is ten onrechte beslag gelegd op zijn loon.

4.3. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte incassokosten aan klager in rekening gebracht. Op het moment dat klager wist dat de vordering bij de gerechtsdeurwaarder lag, heeft hij een voorstel gedaan tot afbetaling in termijnen. De gerechtsdeurwaarder ging daarmee om onduidelijke redenen niet akkoord, maar nadat hij incassokosten in rekening had gebracht, heeft hij het voorstel alsnog aan zijn opdrachtgeefster voorgelegd, die daarmee heeft ingestemd.

4.4. De incassokosten zoals door de gerechtsdeurwaarder in rekening zijn gebracht, zijn veel te hoog en in strijd met het rapport Voorwerk II.

4.5. De gerechtsdeurwaarder heeft de op 14 juni 2011 door klager bij de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht niet conform artikel 13 van het Reglement KBvG Normen voor Kwaliteit afgehandeld. Op basis van het Reglement dient er binnen 4 dagen een ontvangstbevestiging van de klacht te worden gestuurd en dient er binnen 2 weken een inhoudelijk antwoord te komen op de klacht. Beide termijnen zijn door de gerechtsdeurwaarder niet gehaald.

4.6. De gerechtsdeurwaarder heeft bij het vaststellen van een betalingsregeling ten onrechte geen rekening gehouden met de financiële situatie van klager. Een gerechtsdeurwaarder dient een zorgvuldige betalingsregeling te treffen die de schuldenaar niet in financiële problemen brengt.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van klager gemotiveerd betwist en zich als volgt verweerd.

5.1. Er is volledig gehandeld overeenkomstig de opdracht die de gerechtsdeurwaarder van zijn opdrachtgeefster (Amvest) heeft gekregen. Amvest was en is van mening dat zij terecht en op goede gronden haar vordering op klager ter incasso uit handen heeft gegeven. Het is niet aan een gerechtsdeurwaarder om dit in twijfel te trekken. Op dezelfde dag dat de incasso-opdracht was verstrekt heeft Amvest verzocht de zaak nog even aan te houden in verband met een betalingsvoorstel dat klager had gedaan. Toen de regeling niet werd nagekomen door klager is de incasso op verzoek van Amvest voortgezet.

5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft bij de ontvangst van de incasso-opdracht op 24 augustus 2010 informatie opgevraagd bij de GBA, en daaruit bleek dat klager stond ingeschreven op het adres [ adres ]. Omdat in diverse uitspraken is bepaald dat, wanneer de keuze bestaat tussen het gekozen domicilie of het GBA-adres, het GBA-adres dient te worden gevolgd, is dat adres ingevoerd en gebruikt. Op 22 februari 2011 (nadat loonbeslag was gelegd) heeft klager voor het eerst contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder. Klager deelde daarbij mee dat hij in het geheel niet van de incassoprocedure op de hoogte was. Op dat moment bleek aan één van de medewerkers van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder dat het GBA-adres reeds sinds 6 augustus 2010 in onderzoek stond. Hoewel een gerechtsdeurwaarder óók op een GBA-adres mag afgaan als dit in onderzoek staat, heeft de gerechtsdeurwaarder in dit geval klager het voordeel van de twijfel willen geven en het door hem gelegde loonbeslag per direct opgeheven. Er zijn diezelfde dag excuses aan klager aangeboden en er is met hem afgesproken dat hij de vordering (voor wat betreft de hoofdsom/kale huurachterstand) binnen een termijn van 7 dagen kon voldoen zonder bijkomende kosten. Op 2 maart 2011 werd echter een brief van klager ontvangen, waarin zijn klachten nogmaals duidelijk werden gemaakt en hij de gerechtsdeurwaarder een termijn tot 1 april 2011 gaf hierop te reageren. Hierop werd bij brief van 22 maart 2011 door de gerechtsdeurwaarder gereageerd door nogmaals excuses aan te bieden en klager een termijn van 14 dagen te geven om hetzij de totale hoofdsom (exclusief kosten) te betalen dan wel de in die brief voorgestelde regeling te accepteren. Vervolgens is nog een aantal keren gecorrespondeerd over een betalingsregeling en is klager bij brief van 10 mei 2011 door de gerechtsdeurwaarder voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld de vordering zonder kosten te voldoen.

Het is weliswaar heel ongelukkig dat bij de adrescontrole over het hoofd is gezien dat het GBA-adres in onderzoek stond, maar er is alles aan gedaan om dit recht te zetten. Meer dan excuses maken en directe maatregelen nemen om de schade te herstellen kon en kan de gerechtsdeurwaarder niet doen. Derhalve kan hem in deze geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

5.3. Op het moment dat Amvest haar vordering ter incasso uit handen geeft, is zij incassokosten aan de gerechtsdeurwaarder verschuldigd. Nu in de algemene voorwaarden van het huurcontract van klager is opgenomen dat (in geval van zijn toerekenbaar tekortkomen) deze kosten op klager kunnen worden verhaald, zijn de incassokosten terecht aan klager in rekening gebracht.

5.4. De in rekening gebrachte incassokosten zijn geheel conform het rapport Voorwerk II. Voor het zover het ambtelijke kosten betreft, zijn deze geheel conform het zogeheten Btag-tarief.

5.5. De inhoud van de laatste brieven van klager betrof uitsluitend een herhaling van zetten. Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder hanteert de regels van het Reglement KBvG Normen voor kwaliteit en de eigen kwaliteitsregels met grote zorgvuldigheid. Er wordt echter wel kritisch gekeken naar de inhoud van de klacht en “herhalingen van zetten” worden gekoppeld aan de reeds bestaande registraties, derhalve niet opnieuw geregistreerd.

5.6. Anders dan klager veronderstelt, heeft hij geen recht op een betalingsregeling. Amvest was dan ook niet verplicht om eerst door middel van een betalingsregeling haar vordering geïncasseerd te krijgen voordat zij een gerechtsdeurwaarder kon inschakelen. Maar hoewel een schuldeiser (in casu Amvest) daartoe niet verplicht is, heeft de gerechtsdeurwaarder (in overleg met en op instructie van Amvest) klager verschillende malen in de gelegenheid gesteld de vordering van Amvest alsnog zonder kosten te voldoen. Dat klager deze gelegenheid onbenut heeft gelaten is de gerechtsdeurwaarder niet te verwijten.

6. De beoordeling

6.1. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft klager gesteld dat de gerechtsdeurwaarder in zijn verweerschrift in eerste aanleg “feiten” heeft aangevoerd die niet waar zijn en daarmee onderzoeken en onderzoeksfeiten vals heeft opgegeven. Voor zover klager hiermee beoogt een nieuw klachtonderdeel te formuleren, moet hij daarin niet ontvankelijk worden verklaard, aangezien het hof geen kennis kan nemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht.

6.2. Ten aanzien van de klachtonderdelen, zoals geformuleerd hiervoor onder 4.1. en 4.3. tot en met 4.6., is het hof met de kamer van oordeel dat deze ongegrond zijn. Klager heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit voortvloeit dat in casu voor de gerechtsdeurwaarder aanleiding bestond de incasso-opdracht van Amvest te weigeren. Nu de gerechtsdeurwaarder een incasso-opdracht had en de incassokosten ingevolge de huurovereenkomst aan klager doorberekend mochten worden, kan niet worden geoordeeld dat die incassokosten ten onrechte aan klager in rekening zijn gebracht. Deze incassokosten waren niet te hoog of in strijd met het rapport Voorwerk II. Een schuldeiser is niet verplicht met zijn schuldenaar een betalingsregeling te treffen (artikel 6: 29 van het Burgerlijk Wetboek). Daarom kan evenmin aan een redelijk handelend gerechtsdeurwaarder de eis worden gesteld dat hij in het incassotraject een betalingsregeling met de schuldenaar treft die de desbetreffende schuldenaar niet in financiële problemen brengt. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder voldoende aangetoond dat hij de zaak van klager coulant heeft behandeld en (in overleg met en op instructie van zijn opdrachtgeefster) in verregaande mate heeft geprobeerd een betalingsregeling met klager tot stand te brengen. Dat deze betalingsregeling niet tot stand is gekomen is naar ’s hofs oordeel de gerechtsdeurwaarder niet te verwijten.

Ten aanzien van de afhandeling van de klacht zoals klager deze bij brief van 14 juni 2011 bij de gerechtsdeurwaarder heeft ingediend, volgt het hof de gerechtsdeurwaarder in zijn verweer dat deze reeds in een eerder stadium adequaat op de stellingen en verwijten van klager heeft gereageerd. Wellicht had de gerechtsdeurwaarder klager in reactie op diens brief van 14 juni 2011 hierop kunnen wijzen, maar het is niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder dat niet uitdrukkelijk heeft gedaan.

6.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel, zoals geformuleerd hiervoor onder 4.2., is het hof van oordeel dat een gerechtsdeurwaarder op de door hem opgevraagde inlichtingen uit de GBA mag afgaan, tenzij hij over voldoende aanwijzingen beschikt om te veronderstellen dat dit GBA-adres niet het woonadres is. Als de feitelijke situatie aanleiding geeft om te twijfelen, spreekt het immers voor zich dat een gerechtsdeurwaarder alsnog (verder) zelfstandig onderzoek verricht. Volgens klager heeft hij zich bij de gemeente laten overschrijven naar zijn nieuwe adres (de huurwoning) en heeft hij voor dat adres ook diverse aanslagen gemeentelijke belastingen ontvangen. Met inachtneming van de inlichtingen uit de GBA zoals door de gerechtsdeurwaarder in het geding zijn gebracht en waaruit blijkt dat klager pas met ingang van 31 augustus 2011, drie jaar na ingang van de huurovereenkomst, op het adres van het gehuurde is ingeschreven, komen die stellingen van klager het hof niet geloofwaardig voor. Dit geldt ook voor de stelling van klager dat hij niet zou hebben geweten dat zijn adreswijziging niet correct door de gemeente was verwerkt. Dit neemt echter niet weg dat de gerechtsdeurwaarder in het onderhavige geval had kunnen en naar het oordeel van het hof ook had moeten onderkennen dat er wel degelijk aanleiding was om te veronderstellen dat het GBA-adres niet klagers woonadres was, gezien het feit dat het adres reeds sinds 6 augustus 2010 in onderzoek stond. Dat de gerechtsdeurwaarder dit niet heeft onderkend en derhalve geen verder onderzoek naar de juistheid van het door hem gehanteerde adres van klager heeft gedaan waar dit wel geboden was, acht het hof tuchtrechtelijk laakbaar. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder dat het gaat om een enkele vergissing van een medewerker op kantoor verwerpt het hof. Het betreft hier immers niet alleen de GBA-informatie, noodzakelijk voor de dagvaarding, maar ook de latere GBA-informaties voor het doen van de betekening van het vonnis en nog weer later voor de betekening van het gelegde derdenbeslag.

Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

6.4. Het hof acht het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder in dit geval is te maken echter niet van dien aard, dat het opleggen van een maatregel passend en geboden is. Daarbij laat het hof meewegen dat de gerechtsdeurwaarder alles in het werk heeft gesteld om zijn omissie recht te zetten en de zaak op redelijke wijze met klager op te lossen alsmede dat het de verantwoordelijkheid van klager zelf is om zijn adreswijziging bij de gemeente binnen redelijke termijn te effectueren, wat in dit geval niet was gebeurd, zodat ook klager zelf wel enig verwijt treft.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing van de kamer en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachtonderdeel, zoals geformuleerd onder 6.1.;

- verklaart de klachtonderdelen zoals geformuleerd onder 4.1. en 4.3. tot en met 4.6. ongegrond;

- verklaart het klachtonderdeel zoals geformuleerd onder 4.2. gegrond, doch ziet af van het opleggen van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 oktober 2012 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 27 maart 2012 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 526.2011 ingesteld door:

[ KLAGER ],

wonende te [ woonplaats ],

klager,

tegen:

[ GERECHTSDEURWAARDER],

gerechtsdeurwaarder te [ plaatsnaam ],

beklaagde.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 9 augustus 2011, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder.

Op 19 september 2011 is het aangehechte verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder ontvangen.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 februari 2012. Van de behandeling van deze zaken ter zitting is een proces-verbaal gemaakt dat aan deze beslissing is gehecht.

1. De feiten

a) De gerechtsdeurwaarder is met ingang van 24 augustus 2010 belast met de inning van een vordering op klager. Diezelfde dag heeft de opdrachtgever aan de gerechtsdeurwaarder verzocht om de zaak nog even aan te houden omdat klager had gemeld dat hij een gedeelte van zijn betalingsachterstand zou voldoen.

b) Op 9 september 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder opdracht gekregen om zijn werkzaamheden voort te zetten, omdat klager slechts een deel van de toegezegde betaling had voldaan. In dat kader heeft de gerechtsdeurwaarder de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) geraadpleegd en de daaruit verkregen adresgegevens gebruikt.

c) Na verkregen vonnis en betekening daarvan, heeft de gerechtsdeurwaarder ten laste van klager beslag gelegd onder diens werkgever.

d) Naar aanleiding van dit beslag heeft klager op 22 februari 2011 contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder en hem meegedeeld niets van de procedure af te weten.

e) Omdat bij onderzoek bleek dat niet was gezien dat bij het door de gerechtsdeurwaarder opgevraagde en gebruikte adres in de GBA ‘in onderzoek’ stond heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag onmiddellijk opgeheven en excuses aan klager aangeboden. Daarbij is meegedeeld dat de hoofdsom zonder verdere kosten binnen zeven dagen kon worden betaald.

f) Na een brief van 2 maart 2011 zijn aan klager bij brief van 22 maart 2011 opnieuw excuses aangeboden en is aan hem nog een termijn geboden van 14 dagen tot voldoening van de totale hoofdsom dan wel om in te stemmen met een voorgestelde betalingsregeling.

g) Vervolgens hebben partijen nog meermalen contact gehad over een betalingsregeling.

h) Klager wenste een betalingsregeling waarbij hij de schuld in 10 maanden kon afbetalen. De opdrachtgever wilde dat de schuld in 6 maanden werd betaald. Bij brief van 20 mei 2011 heeft klager de gerechtsdeurwaarder daarom meegedeeld het door hem gedane betalingsvoorstel in te trekken.

i) Vervolgens hebben partijen opnieuw over en weer gecorrespondeerd over de hoogte van de door klager verschuldigde kosten en over de door klager gewenste betalingsregeling.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder - kort samengevat – dat deze:

a) het dossier in zijn incassotraject heeft opgenomen, terwijl klager een betalingsvoorstel heeft gedaan aan de schuldeiser;

b) alle correspondentie naar het verkeerde adres heeft verstuurd;

c) incassokosten in rekening heeft gebracht, terwijl er een betalingsregeling was afgesproken;

d) te hoge incassokosten, in strijd met het rapport Voorwerk II, in rekening heeft gebracht;

e) zijn klacht slecht heeft afgehandeld;

f) geen rekening heeft gehouden met de financiële situatie van klager bij het vaststellen van een betalingsregeling.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Het gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet worden aangemerkt als beklaagde. Daarom is de verweervoerende gerechtsdeurwaarder aangemerkt als beklaagde. Hiermee is in de aanhef van de beschikking al rekening gehouden.

4.2 Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, of een maatregel kan worden opgelegd.

4.3 Zoals de gerechtsdeurwaarder ook erkent, is een fout gemaakt bij het onderzoek in de GBA naar klagers adres en was klager als gevolg daarvan niet op de hoogte van de tegen hem gevoerde procedure met betrekking tot de huurachterstand.

Nadat de fout bekend was, heeft de gerechtsdeurwaarder terecht de met de procedure samenhangende kosten niet aan klager in rekening gebracht.

4.4 Dat klager vervolgens geen gebruik heeft gemaakt van de door de gerechtsdeurwaarder geboden mogelijkheid om de schuld ineens of middels de door de opdrachtgever gewenste afbetalingsregeling te voldoen kan de gerechtsdeurwaarder niet worden tegengeworpen.

4.5 Hierbij wordt opgemerkt dat bij de vraag of ingestemd wordt met een betalingsregeling (anders dan bij de bepaling van de beslagvrije voet), noch de gerechtsdeurwaarder, noch diens opdrachtgever, informatie behoeft op te vragen

over –, of rekening te houden met, klagers financiële omstandigheden.

4.6 Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder nadat de zaak opnieuw in behandeling is genomen, teveel kosten in rekening heeft gebracht, of de door klager ingediende klacht slecht heeft afgehandeld, zoals klager stelt. Integendeel, de gerechtsdeurwaarder heeft de gemaakte fout netjes opgelost.

4.7 De Kamer is ondanks vorenstaande, van oordeel dat de klacht toch gegrond dient te worden verklaard. Hierbij is in aanmerking genomen dat van een gerechtsdeurwaarder en diens medewerkers mag en moet worden verlangd, dat bij het inzien van de GBA uiterste zorgvuldigheid wordt betracht, gelet op de ernstige gevolgen die fouten bij de raadpleging met zich brengen. Voorts ziet de Kamer daarin aanleiding tot het opleggen van na te melden maatregel.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. H.M. Patijn, plaatsvervangend-voorzitter,

mrs. E.C. Smits en J.J.L. Boudewijn, (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012 in tegenwoordigheid van

H.A.J. van der Lee, secretaris.

Tegen deze beslissing kan klager/klaagster binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.