Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5452

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
25-03-2013
Zaaknummer
200.094.674/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de notaris na het overlijden van erflaatster heeft getracht de gevolgen van zijn fout te herstellen door aan de kleinkinderen uit te leggen van welke veronderstellingen erflaatster was uitgegaan bij het opmaken van het testament. Niet aannemelijk geworden dat de notaris een onjuist bedrag heeft genoemd met de opzet de kleinkinderen te misleiden. Notaris is veel te stellig geweest over wat (naar hij slechts kan veronderstellen) de wens van de erflaatster zou zijn geweest, als zij destijds zou hebben geweten wat de juiste hoogte van de vrijstelling was. Bovendien heeft de notaris de keuzemogelijkheden geschetst in moralistische termen, die een notaris niet passen. Aan notaris valt niet te wijten dat wederom in zijn pogingen zijn fout te herstellen en een resultaat te bereiken dat naar zijn overtuiging in overeenstemming was met de bedoelingen van erflaatster, aan de kleinkinderen een schikkingsvoorstel heeft gedaan namens de enig erfgename. Het hof is niet gebleken dat de notaris de nalatenschap niet met passende voortvarendheid zou hebben afgehandeld of onnodig onduidelijkheden heeft laten bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER

Bij vervroeging.

Beslissing van 22 mei 2012 in de zaak van:

[ KLAAGSTER ],

wonende te [ woonplaats ],

APPELLANTE,

t e g e n

[ NOTARIS ],

notaris te [ plaatsnaam ],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 21 september 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Maastricht, verder te noemen de kamer, van 23 augustus 2011, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder de notaris, gedeeltelijk gegrond is verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2012. Klaagster en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

i. Op 19 maart 2009 heeft de moeder van klaagster, hierna erflaatster, ten overstaan van de notaris haar testament opgemaakt. In het testament is bepaald dat aan haar drie kleinkinderen, onder wie de twee kinderen van klaagster, een bedrag werd gelegateerd gelijk aan het bedrag dat zij ten tijde van haar overlijden vrij van het recht van successie zouden kunnen verkrijgen. Voorts werd een zuster van klaagster tot enige erfgename benoemd en werden aan de andere kinderen van erflaatster, onder wie klaagster, bedragen ter grootte van de legitieme gelegateerd.

ii. De moeder van klaagster is op 29 juli 2010 overleden. De notaris is belast met de afwikkeling van de nalatenschap.

iii. In dit kader heeft de notaris op 23 augustus 2010 aan de kinderen van klaagster geschreven:

In dat testament legateert zij aan u het voor successie vrijgestelde bedrag. Toen het testament opgemaakt werd was dat € 1.976,--. Echter per 1 januari jongstleden is de successiewet ingrijpend gewijzigd en is de vrijstelling van een kleinkind gelijkgesteld aan dat van een kind te weten 19.000,--. Dit was niet voorzienbaar in maart 2009.

De nalatenschap is niet zo omvangrijk dat grootmoeder als ze had geweten van de wetswijziging het testament niet zou hebben gewijzigd. Het was de bedoeling om de kleinkinderen ook te laten profiteren maar van een beperkt bedrag rond de twee duizend als eerder genoemd. Normaal worden de vrijstellingen elk jaar aangepast met een inflatiecorrectie van 1,2%.

In de bijgaande opstelling kunt u zien dat een ongewijzigd uitvoeren van het testament een resultaat geeft voor de dochter mevrouw [A ], die haar moeder niet zo gewild heeft. De wet (boek 4 van het burgerlijk wetboek) artikel 46 lid 1 zegt:

“Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.”

U heeft een keuze:

A. U stelt zich op het standpunt dat als grootmoeder dit had geweten zij haar testament zou hebben gewijzigd en dat ieder kleinkind dan 2000 zou ontvangen. U laat ruimte voor toepassing van artikel 46 als hiervoor vermeld en gaat akkoord met een legaat van 2000,--.

of anders:

B. U stelt zich op het standpunt dat de tekst van het testament duidelijk is en wat precies de bedoeling van oma was, iets is dat nooit meer aangetoond kan worden. Uw vrijstelling is sinds 1 jan jl. bijna 10 keer zo groot en uw tante heeft pech gehad want zij moet dat aan u uitkeren. Zij erft daardoor bijna niet meer. U wenst een bedrag groot 19.000 te ontvangen.

Bij deze brief was een berekening gevoegd.

iv. Nadat de kleinkinderen te kennen hadden gegeven een bedrag van € 19.000,= te willen ontvangen, heeft de notaris bij brief van 24 september 2010 een schikkingsvoorstel gedaan namens de enig erfgename. Bij deze brief was een nieuwe berekening gevoegd.

v. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft de notaris klaagster geïnformeerd over de gang van zaken omtrent de nalatenschap. Bij deze brief was weer een nieuwe berekening gevoegd.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris dat hij (a) een verkeerde voorstelling heeft gegeven van de wettelijke regelingen, (b) de wilsbeschikking van de moeder van klaagster in twijfel heeft getrokken, (c) zich ten onrechte op het bepaalde in artikel 4:46 lid 1 BW heeft beroepen, (d) een reeks onderhandelingen heeft gestart over de hoogte van de legaten en (e) geen duidelijkheid heeft gegeven over de afhandeling van de nalatenschap.

5. Het standpunt van de notaris

De notaris heeft zich als volgt verweerd. Het is niet zijn intentie geweest de kinderen van klaagster te misleiden. De kleinkinderen hebben aanspraak gemaakt op het volledige vrijgestelde bedrag, dus de onjuiste vermelding in de brief van 23 augustus 2010 van het bedrag van de ten tijde van het opmaken van het testament geldende vrijstelling (€ 1.976,= in plaats van € 10.232,=), heeft niet tot schade geleid. Omdat erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament, door foutieve mededelingen van de notaris van die inhoud, in de veronderstelling verkeerde dat het vrijgestelde bedrag per kleinkind € 1.976,= bedroeg, voelde de notaris zich geroepen de kleinkinderen duidelijk te maken wat de bedoelingen van erflaatster waren geweest en hun de keuze voor te leggen om in overeenstemming met die bedoelingen te handelen, teneinde de gevolgen van de fout te herstellen. De nalatenschap is met voldoende voortvarendheid afgewikkeld.

6. De beoordeling

6.1. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de mededeling van de notaris dat hij bij het opmaken van het testament, abusievelijk, aan erflaatster heeft voorgehouden dat het voor kleinkinderen vrijgestelde bedrag € 1.976,= bedroeg. Daarvan uitgaande acht het hof het niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de notaris na het overlijden van erflaatster heeft getracht de gevolgen van zijn fout te herstellen door aan de kleinkinderen uit te leggen van welke veronderstellingen erflaatster was uitgegaan bij het opmaken van het testament. Het beroep op het bepaalde in artikel 4:46 lid 1 BW is in dat verband niet zonder meer onjuist te noemen. Dat de notaris in de brief van 23 augustus 2010 wederom het verkeerde bedrag heeft genoemd is echter, zoals ook de kamer heeft overwogen, een kunstfout, en wel een ernstige. Anderzijds acht het hof niet aannemelijk geworden dat, zoals klaagster stelt, de notaris dat onjuiste bedrag heeft genoemd met de opzet de kleinkinderen te misleiden.

6.2. Hoewel, zoals gezegd, de notaris geen verwijt ervan kan worden gemaakt dat hij de kleinkinderen heeft willen uitleggen tegen welke achtergrond de bepaling over de legaten tot stand was gekomen, acht het hof de bewoordingen die de notaris in zijn brief van 23 augustus 2010 heeft gebruikt, onjuist. In die brief is hij veel te stellig geweest over wat (naar hij slechts kan veronderstellen) de wens van de erflaatster zou zijn geweest, als zij destijds zou hebben geweten wat de juiste hoogte van de vrijstelling was. Bovendien heeft de notaris de keuzemogelijkheden geschetst in moralistische termen, die een notaris niet passen.

6.3. Het valt de notaris echter niet te verwijten dat hij, wederom in zijn pogingen zijn fout te herstellen en een resultaat te bereiken dat naar zijn overtuiging in overeenstemming was met de bedoelingen van erflaatster, aan de kleinkinderen een schikkingsvoorstel heeft gedaan namens de enig erfgename. Uit de wijze waarop het voorstel was geformuleerd was voorts voldoende duidelijk dat de kleinkinderen vrij waren het al dan niet te aanvaarden.

6.4. Ten slotte is het hof niet gebleken dat de notaris de nalatenschap niet met passende voortvarendheid zou hebben afgehandeld of onnodig onduidelijkheden heeft laten bestaan. Het enkele feit dat de notaris achtereenvolgens een aantal verschillende berekeningen heeft vervaardigd is tot die conclusie in ieder geval onvoldoende.

6.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat klachtonderdeel (a) gegrond is, klachtonderdeel (b) gedeeltelijk gegrond en de overige klachtonderdelen ongegrond.

Hoewel het hof aldus minder klachtonderdelen gegrond acht dan de kamer acht het hof toch de door de kamer opgelegde maatregel van waarschuwing passend.

6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart het hiervoor onder 4. (a) weergegeven klachtonderdeel gegrond, het onder 4. (b) weergegeven klachtonderdeel gedeeltelijke gegrond en de overige klachtonderdelen ongegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en

J.W. van Zaane en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 22 mei 2012 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT MAASTRICHT

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen voormeld heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

[ KLAAGSTER ],

wonend te [ woonplaats ],

[ adres ],

hierna te noemen klaagster

tegen

[ NOTARIS ],

notaris te [ plaatsnaam ],

[ adres ],

hierna te noemen de notaris.

1. Het verloop van de procedure.

Klaagster heeft bij brief van 19 januari 2011, ingekomen bij de kamer van toezicht (hierna verder te noemen de kamer) op 20 januari 2011, een klacht ingediend tegen de notaris en hierbij negen bijlagen bijgevoegd.

De kamer heeft een afschrift van deze klacht op 21 januari 2011 toegezonden aan de notaris met het verzoek om commentaar. Een reactie van de notaris is ingekomen op 25 februari 2011 met twee bijlagen. Deze reactie is in afschrift gestuurd naar klaagster.

Hierop heeft klaagster gereageerd bij schrijven ingekomen op 18 maart 2011 met zes bijlagen.

Verder heeft klaagster nog aanvullende informatie toegezonden bij haar brief van 25 maart 2011, ingekomen bij de kamer op 27 april 2011 met één bijlage.

Op maandag 16 mei 2011 heeft de kamer de klacht behandeld. Klaagster is aldaar verschenen in persoon vergezeld van haar partner, alsmede de notaris.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter bepaald dat er zo spoedig mogelijk een beslissing in deze zaak zal worden genomen.

2. De inhoud van de klacht en de reactie van de notaris daarop.

Bij brief van 19 januari 2011 heeft klaagster haar klachten verwoord.

De klacht(en) van klaagster is/zijn kort samengevat:

De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt omdat:

1. De notaris een verkeerde voorstelling van de wettelijke regelingen gegeven heeft.

2. De notaris de wilsbeschikking van haar moeder in twijfel trekt.

3. De notaris zich ten onrechte op artikel 4:46 lid 1 BW beroept.

4. De notaris een reeks onderhandelingen over de hoogte van de legaten gestart is.

5. De notaris geen duidelijkheid geeft voor wat betreft de afhandeling van de nalatenschap.

Nadat de notaris had gereageerd op de klachten van klaagster heeft klaagster nogmaals een reactie aan de kamer gestuurd waaruit wellicht nieuwe klachten afgeleid zouden kunnen worden. De kamer beperkt zich echter tot de klachten van klaagster genoemd in haar schrijven van 19 januari 2011.

N 11/015

Klaagster stelt dat de notaris (tijdens de afwikkeling van het testament van haar moeder) haar en haar kinderen bericht heeft dat het voor successie vrijgestelde bedrag ten tijde van het opstellen van het testament € 1.976,-- bedroeg terwijl dit bedrag op dat moment € 10.232,-- was. Gezien zijn professie kan er in deze geen sprake zijn van een vergissing. Enkel kan de conclusie getrokken worden dat de notaris bewust en doelgericht een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven.

De notaris heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard inderdaad een verkeerd bedrag genoemd te hebben en dat hij daarvoor zijn excuses aan klaagster heeft aangeboden en zijn fout daarna heeft hersteld. De notaris verklaart tevens dat hij nooit de bedoeling gehad heeft om klaagster dan wel haar kinderen te benadelen.

De kamer wenst allereerst op te merken dat het noemen door de notaris van een verkeerd bedrag, hem als fout aangerekend dient te worden. Van een notaris mag verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt en houdt van de wettelijke bepalingen, alvorens enig bedrag in een brief te noemen. Zeker bij bedragen die jaarlijks aangepast worden, zoals in casu het geval is. Door het noemen van een verkeerd bedrag heeft hij klaagster op een verkeerd been gezet. De kamer is van oordeel dat hier sprake is van een zogenoemde kunstfout en in zoverre treft deze klacht doel.

De kamer is echter wel van oordeel dat door klaagster geenszins aannemelijk gemaakt is dat de notaris willens en wetens foutief gehandeld zou hebben om personen te benadelen dan wel te bevoordelen.

Ook uit de door klaagster overgelegde stukken kan een dergelijke conclusie niet getrokken worden.

Voor zover de klacht hierop betrekking heeft treft die klacht geen doel.

De kamer acht het daarbij zeer aannemelijk dat de notaris erflaatster ook verkeerd heeft voorgelicht in die zin dat hij er ook ten tijde van het opstellen van het testament ten onrechte van uit ging - en naar mag worden aangenomen ook met erflaatster heeft besproken - dat het voor successie vrijgestelde bedrag rond de tweeduizend euro bedroeg (€ 1.976,--) in plaats van € 10.232,--.

Zo schrijft de notaris in zijn als productie A 1-8 overgelegde brief d.d. 23 augustus 2010 aan mevrouw [ X [: “Het was de bedoeling om de kleinkinderen ook te laten profiteren maar van een beperkt bedrag rond de tweeduizend als eerder genoemd.”

Dat lijkt ook te passen bij de omvang van de nalatenschap en testamentaire keuzes van erflaatster, die naast een aantal legatarissen [ M ] tot enig erfgenaam benoemt. Het ligt gelet op de voorgaande overweging niet voor de hand dat het de bedoeling van erflaatster was om haar enig erfgenaam minder na te laten dan de legatarissen.

Het is dan ook begrijpelijk dat de notaris heeft geprobeerd zijn fout - een fout die hem pas na zijn brief 23 augustus 2010 in volle omvang duidelijk werd - te herstellen.

De als bijlage A 1-11 overgelegde brief d.d. 24 september 2010 aan mevrouw [ X ]moet in dat verband worden gelezen. Van die brief kan niet worden gezegd dat de notaris zijn onafhankelijke rol uit het oog is verloren. Die brief bevat een feitelijk weergeven van een bespreking die de notaris - naar de kamer begrijpt - met de enig erfgename heeft gehad. Ook de latere correspondentie van de notaris kan naar het oordeel van de kamer op voormeld punt de toets der kritiek doorstaan.

De kamer is met klaagster van oordeel dat de notaris na de ontdekking van zijn fout niet onmiddellijk de duidelijkheid heeft geschapen die noodzakelijk was, getuige alleen al de verschillende afrekeningen die sindsdien zijn gestuurd. Dat is te kwalificeren als slordig. Van doelbewuste misleiding of (opzettelijk) valse informatie is naar het oordeel van de kamer echter op geen enkele wijze gebleken.

Met klaagster is de kamer van oordeel dat de notaris zich ten onrechte op artikel 4:46 lid 1 BW beroept. Het testament van erflaatster is op het punt van de legaten duidelijk en niet voor diverse interpretatie en uitleg vatbaar, al gaat de kamer - zoals hierover overwogen - er wel van uit dat erflaatster over de hoogte daarvan door toedoen van de notaris een onjuiste voorstelling had.

Dat de notaris een verkeerde wettelijke grondslag legt onder zijn poging zijn eerder gemaakte fout te herstellen is onjuist, maar naar het oordeel van de kamer niet klachtwaardig in de zin van de WNA.

Resumerend komt de kamer tot het oordeel dat de notaris klachtwaardig heeft gehandeld nu hij een kunstfout heeft gemaakt en na de ontdekking daarvan onvoldoende voortvarend is geweest bij het scheppen van de noodzakelijke duidelijkheid.

In die zin voldeed de afwikkeling van de nalatenschap niet aan de daaraan te stellen eisen van professionaliteit. Dat de notaris niet integer zou hebben gehandeld is niet gebleken.

De kamer acht het opleggen van een maatregel passend, maar is van oordeel dat gelet op de intentie van de notaris om zijn fout zo goed mogelijk te herstellen kan worden volstaan met de lichtste maatregel.

BESLISSING

Verklaart de klachten gedeeltelijk gegrond.

Legt de notaris de volgende maatregel op: waarschuwing.

Bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat deze beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden ten uitvoer gelegd tijdens een nader te bepalen vergadering van de kamer, waartoe de notaris per aangetekende brief zal worden opgeroepen door de secretaris.

Aldus gegeven te Maastricht op 23 augustus 2011 door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. R.J.M.G. Oostveen, kroonleden, mr. R.M.J. van Gent en mr. H.H. van der Meer, notarisleden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J.C.M. Pooters als secretaris.