Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ5010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
200.082.566/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kerkgenootschap (synagoge) wordt uitkering geweigerd. Stichting mag als voorwaarde voor uitkering eisen dat bevoegdheid ondertekenaar aanvraag wordt aangetoond. Geen strijd met artikel 6 Grondwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

het kerkgenootschap

SYNAGOGE NIDCHE ISRAËL JECHANES,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANT IN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP,

VERWEERDER IN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP,

advocaat: mr. M.CH. Kaaks te Amsterdam,

t e g e n

de stichting

STICHTING COLLECTIEVE MAROR-GELDEN NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP,

EISERES IN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP,

advocaat: mr. G.J. Pijpers te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) de Synagoge en de Stichting COM genoemd.

Bij dagvaarding van 11 november 2010 is de Synagoge in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 437108 / HA ZA 09-2819 gewezen tussen de Synagoge als eiser en de Stichting COM als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft de Synagoge vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van de Stichting COM in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie heeft de Stichting COM de grieven bestreden, harerzijds incidenteel appel ingesteld, drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht, en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de rechtsoverwegingen 2.5, 3.5 en 3.8 zal vernietigen althans verbeteren en voor het overige het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en de Synagoge zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de Synagoge de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met veroordeling van de Stichting, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incidenteel appel.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. De eerste grief van de Stichting COM is gericht tegen deze feitenvaststelling. Het hof zal daarmee bij de eigen feitenvaststelling rekening houden.

2.2 Als erkend dan wel niet (voldoende) bestreden staat in deze zaak het volgende tussen partijen vast.

2.2.1. Stichting COM is in 2004 opgericht teneinde zogenoemde Maror-gelden van private partijen (banken, beurs, verzekeraars) die bestemd zijn voor collectieve doelen binnen de Joodse gemeenschap te beheren en deze, volgens onderdeel c van de considerans van de oprichtingsakte,

“te (doen) verdelen over collectieve Joodse doelen ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap, welke doelen zich bevinden in Nederland en in het buitenland, anders dan in Israël, een en ander overeenkomstig een door het bestuur van deze stichting vast te stellen uitkeringsreglement; (…)”

2.2.2. Het Uitkeringsreglement Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland, dat met instemming van een groot deel van de Joodse gemeenschap in Nederland is opgesteld, bepaalt onder meer het volgende:

Artikel 2 Belanghebbenden

1. Als belanghebbenden in de zin van dit reglement worden beschouwd naar Nederlands recht opgerichte instellingen/organisaties, zonder winstoogmerk, met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid in de zin van artikel 2:3 BW alsmede kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW, die zich statutair of reglementair ten doel stellen projecten te ondersteunen of te verrichten die worden uitgevoerd in Nederland en/of buiten Nederland anders dan in Israël, ten behoeve van de Nederlands-Joodse gemeenschap aldaar, op één of meer van de volgende terreinen:

(…)

d. religie

(…)

Artikel 3 Aanvraag uitkering

1.De belanghebbende die ten behoeve van een project voor een uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen van de Stichting in aanmerking wenst te komen dient daartoe een schriftelijke aanvraag in bij het Bureau Maror-gelden. De aanvraag wordt ingediend door middel van een door het Bestuur vastgesteld aanvraagformulier dat hij het Bureau Maror-gelden verkrijgbaar is.

2. Het aanvraagformulier dient volledig ingevuld en ondertekend te worden ingediend.(…)

3. (…)Daarnaast dienen alle financiële en andere gegevens te worden verstrekt waarnaar in het aanvraagformulier word gevraagd.

Artikel 5 Weigeringsgronden

(…)

2. De verlening van een uitkering kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;

(…)

3. De verlening van een uitkering zal voorts worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de omschrijving van belanghebbende in artikel 2.

2.2.3. Het aanvraagformulier geldend in 2006 en 2007 bevat onder meer de volgende voorgedrukte tekst:

B Gegevens aanvragende organisatie

(…)

21 rechtsvorm:

O stichting

O vereniging

O kerkgenootschap of zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap

O anders nl.

22 Voor kerkgenootschappen, Joodse gemeenten en hun onderdeling: kunt u hiernaast de namen van uw bestuursleden opgeven? U kunt volstaan met de gegevens van de voorzitter, de secretaris en de penningmeester (of vergelijkbare functionarissen).

H Ondertekening

De volgende stukken m.b.t. de organisatie dienen te worden meegestuurd met de aanvraag:

(…)

O(kopie van) Statuten of Reglement;

(…)”

2.2.4. Namens de Synagoge heeft [ X ] in 2004 een aanvraag voor een uitkering gedaan bij de Stichting COM, die in 2005 is gehonoreerd.

2.2.5. Bij vier aanvraagformulieren van 28 april 2006 heeft [ X ] namens de Synagoge wederom uitkeringen voor projecten gevraagd aan Stichting COM. De Synagoge heeft bij de aanvragen geen namen van bestuursleden opgegeven aan Stichting COM en zij heeft ook geen statuten of reglementen meegestuurd. Op één van de ingevulde aanvraagformulieren is door [ X ] vermeld:

“Het bestuur wenst uitdrukkelijk niet naar buiten te treden en alle zaken het kerkgenootschap betreffend door de scriba honorair te laten behandelen. Daartoe is destijds volmacht verleend.”

Op de formulieren is tevens vermeld dat bijlagen zijn meegezonden, waaronder een “volmacht d.d. 16 juli 2004”. De Synagoge heeft een schriftelijke verklaring van [ X ], voorzitter, in het geding gebracht van 16 juli 2004, die is gelegaliseerd door notaris Heering. Deze luidt – voor zover relevant – als volgt:

“INGEVOLGE HET BESLUIT GENOMEN TIJDENS DE JAARVERGADERING VAN NIDCHE JISROEIL JECHANES TE AMSTERDAM, WELKE PLAATSVOND OP 18 JUNI 1973 EN ALDUS IN DE NOTULEN OPGENOMEN, IS DE HEER [ X ] BENOEMD TOT HONORAIR SCRIBA EN WERD ALS ZODANIG GEMACHTIGD VOOR NIDCHE JISROEIL JECHANES TE TEKENEN EN VERPLICHTINGEN AAN TE GAAN. SINDS GENOEMDE JAARVERGADERING IS HIERIN GEEN VERANDERING GEKOMEN.”

2.2.6. De Stichting COM heeft de Synagoge vervolgens verzocht statuten of reglementen toe te sturen. De Synagoge heeft aan dat verzoek niet voldaan.

2.2.7. De Stichting COM heeft de aanvragen van 28 april 2006 buiten behandeling gesteld, op de grond dat zij de rechtsgeldigheid van de aanvraag niet kan controleren omdat inzicht ontbreekt wie de bestuurders van de Synagoge zijn.

2.2.8. Bij aanvraagformulieren gedateerd 2 mei 2007 heeft [ X ] namens de Synagoge weer vier aanvragen voor uitkeringen gedaan bij de Stichting COM. Daarbij heeft hij wederom niet aangegeven wie de bestuurders van de Synagoge zijn. Verder zijn – ook na een daartoe strekkend verzoek – geen statuten of reglementen van de synagoge aan de Stichting COM toegezonden. Op één van de aanvraagformulieren staat vermeld:

“Het bestuur wenst uitdrukkelijk alle zaken het kerkgenootschap betreffend uitsluitend door de scriba te laten behandelen. Uit de bijgevoegde geactualiseerde machtiging blijkt wie de voorzitter alsmede wie de scriba is.”

Tevens staat op de formulieren vermeld dat bijlagen zijn meegezonden, waaronder een “volmacht d.d. 26 april 2007”. Een door de Synagoge in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [ Y ], voorzitter, van 26 april 2007 die is gelegaliseerd door notaris Ploumen is – voor zover relevant – identiek aan diens onder 2.2.5. aangehaalde verklaring.

2.2.9. Bij besluit van 13 december 2007 heeft de Stichting COM de aanvragen van 2 mei 2007 afgewezen, vanwege het niet rechtsgeldig ondertekenen van het aanvraagformulier. De Synagoge is van (in elk geval) één afwijzing in bezwaar gekomen bij de Stichting COM. Bij beslissing op bezwaar van 8 januari 2009 is het bezwaar ongegrond verklaard en de bestreden beslissing gehandhaafd. Voor de motivering van de beslissing op bezwaar wordt verwezen naar het advies van de Bezwarencommissie van 11 november 2008. Daarin staat voor zover van belang het volgende:

“Beoordeling en conclusies

De Stichting heeft de aanvraag van bezwaarde afgewezen, daartoe – kort gezegd – overwegende dat bezwaarde niet de noodzakelijke informatie heeft verstrekt op grond waarvan kan worden gecontroleerd of de aanvraag van bezwaarde rechtsgeldig is ondertekend. Daarnaast heeft de Stichting geoordeeld dat bezwaarde niet beschikt over statuten of een reglement, zodat zij niet een belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement kan zijn.

(…)

van een kerkgenootschap mag worden verlangd dat het bij zijn optreden naar buiten toe voor wat betreft vermogensrechtelijke aangelegenheden – zoals in casu – desgevraagd in staat zal zijn aan te tonen welk orgaan c.q. welke organen bevoegd is/zijn het kerkgenootschap te vertegenwoordigen. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zal in beginsel zijn af te leiden uit het statuut of het reglement van het desbetreffende kerkgenootschap. Indien een dergelijk stuk niet voorhanden is, zal het kerkgenootschap anderszins dienen aan te tonen welke personen bedoelde bevoegdheid hebben.

(…)

Daargelaten dat de Bezwarencommissie niet duidelijk is wat de status is van het door Bezwaarde overgelegde document “Doelstellingen”, staat vast dat dit stuk niets vermeldt omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bezwaarde. Daarnaast verwijst bezwaarde naar de verklaring van 26 april 2007, waarin wordt aangegeven dat ingevolge het besluit genomen tijdens de jaarvergadering van bezwaarde op 18 juni 1973 en aldus in de notulen opgenomen, de heer [ X ] benoemd is tot honorair scriba en als zodanig werd gemachtigd voor bezwaarde te tekenen en verplichtingen aan te gaan, alsmede dat sinds genoemde jaarvergadering daarin geen verandering is gekomen. Deze verklaring is ondertekend door de heer [ X ] en de heer [ Y ], voorzitter.

De Bezwarencommissie sluit zich aan bij het oordeel van de Stichting dat uit deze verklaring niet valt op te maken of degenen die deze verklaring ondertekend hebben, bevoegd zijn om namens bezwaarde op te treden. Zo ontbreken de notulen van de vergadering op 18 juni 1973, zodat niet is na te gaan of hetgeen in de verklaring is opgenomen (nog steeds) juist is. Daarnaast is op geen enkele wijze te controleren of de heer [ Y ] inderdaad de voorzitter van bezwaarde is en of hij bevoegd is om alleen namens bezwaarde te tekenen.

(…)

Nu ook overigens relevante stukken ontbreken, waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de heer [ X ] valt af te leiden, is de Bezwarencommissie van mening dat de Stichting de aanvraag van bezwaarde op juiste gronden heeft afgewezen.

Een beoordeling van de vraag of de Stichting terecht heeft geoordeeld dat het document “Doelstellingen’ niet voldoet als statuten of reglement, zodat zij bezwaarde niet als belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement kan worden aangemerkt, kan dan ook achterwege blijven.(…)”

3. Beoordeling

3.1 De Synagoge vordert in dit geding:

1. een verklaring voor recht dat de Stichting COM jegens de Synagoge onrechtmatig heeft gehandeld door de op 28 april 2006 en 2 mei 2007 ingediende aanvragen niet in behandeling te nemen, althans niet ontvankelijk te verklaren;

2. een verklaring voor recht dat de Synagoge op basis van de als productie 13 bij inleidende dagvaarding overgelegde documenten is aan te merken als belanghebbende op de voet van artikel 2 van het Uitkeringsreglement en dat aanvragen van de Synagoge uit dien hoofde door Stichting COM in behandeling moeten worden genomen;

3. een verklaring voor recht dat de overweging van de Bezwarencommissie dat “het ontbreken van statuten dan wel een reglement bij de aanvraag eveneens betekent dat een aanvrager geen belanghebbende in de zin van artikel 2 Uitkeringsreglement kan zijn” onverenigbaar is met artikel 2:2 BW en artikel 6 Grondwet;

een en ander met veroordeling van de Stichting COM in de proceskosten.

3.2 De rechtbank heeft opgemerkt dat de Synagoge geen belang meer heeft bij de onder 3.1 sub 3 gevorderde verklaring voor recht, omdat inmiddels vast staat dat zij belanghebbend is, en de vorderingen van de Synagoge afgewezen. Tegen de afwijzing van haar vorderingen richt zich het principaal hoger beroep van de Synagoge, tegen (met name) voornoemde overweging richt zich het principaal hoger beroep van de Stichting COM.

3.3 Met grief I in het principaal hoger beroep komt de Synagoge op tegen de overweging van de rechtbank, dat de Stichting COM geen inbreuk maakt op de geloofsvrijheid als zij van aanvragers verwacht dat zij aantonen dat de ondertekenaar van de aanvraag daartoe ook bevoegd is. Met grief III in het principaal hoger beroep richt de Synagoge zich tegen de overweging van de rechtbank dat de vertegenwoordigings-bevoegdheid van [ X ], die de aanvragen van de Synagoge ondertekende, niet blijkt uit de schriftelijke verklaringen van [ Y ] en het verslag van de algemene vergadering van de Synagoge van 18 juni 1973. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.4 Bij de beoordeling van de grieven staat voorop dat kerkgenootschappen hun interne organisatie en hun vertegenwoordiging naar eigen (geloofs-)inzicht mogen regelen. Op hen rust geen verplichting om van een en ander door middel van opname in openbare registers blijk te geven. Dat brengt echter niet mee dat de Synagoge, die – onbetwist – een kerkgenootschap is, de Stichting COM desgevraagd geen uitsluitsel zou hoeven verschaffen over de wijze waarop zij haar vertegenwoordiging heeft geregeld indien zij van de Stichting COM een uitkering wil verkrijgen. De Stichting COM heeft in dit verband nog aangevoerd dat het haar verantwoordelijkheid is om, gezien de – hoogte van de – MAROR-gelden die met de uitkeringen gemoeid kunnen zijn, bij de behandeling van aanvragen de nodige zorgvuldigheid te betrachten en in dat verband te verifiëren of de aanvraag rechtsgeldig is ondertekend. De Stichting COM, een private instelling, mag naar ’s hofs oordeel in dat verband als voorwaarde voor uitkeringen de eis stellen, dat de Synagoge aantoont dat de ondertekenaar van de aanvraag daartoe ook bevoegd is. Zij handelt door dat te doen niet onzorgvuldig jegens de Synagoge als aanvrager. Ook artikel 6 van de Grondwet staat aan het stellen van die eis in beginsel (bijzondere omstandigheden daargelaten, die door de Synagoge zijn gesteld noch zijn gebleken) niet in de weg. Daar komt nog bij dat het hof uit de stellingen van de Synagoge niet heeft kunnen afleiden dat de Synagoge op geen enkele wijze in staat was om aan de eis van de Stichting COM, aan te tonen dat [ X ] vertegenwoordigingsbevoegd was, te voldoen. Integendeel, inmiddels blijkt de Synagoge voor de uitkeringsronde 2010 wel aan dit verzoek te hebben voldaan.

3.5 Vervolgens moet worden beoordeeld of de Stichting COM gezien de stukken die door de Synagoge bij haar aanvragen waren meegestuurd, de aanvragen ten onrechte buiten behandeling heeft gehouden.

3.5.1. Uit de verklaringen van [ Y ] van 2004 en 2007 (zie r.o. 2.2.5 en 2.2.8), blijkt naar ’s hofs oordeel onvoldoende dat [ X ] bij het doen van de aanvragen in 2006 en 2007 bevoegd was de Synagoge te vertegenwoordigen. Daartoe zijn nadere documenten of gegevens nodig die inzicht verschaffen in de bestuursstructuur van de Synagoge alsmede het door de Synagoge gehanteerde systeem van vertegenwoordiging. Indien de Synagoge ten bewijze van de bevoegdheid van [ X ], bij haar aanvragen van 2006 respectievelijk 2007, uitsluitend een van deze verklaringen heeft verstrekt, heeft de Stichting COM niet onzorgvuldig of onredelijk jegens de Synagoge gehandeld door de aanvragen, bij gebrek aan duidelijkheid over diens vertegenwoordigings- bevoegdheid, niet in behandeling te nemen dan wel af te wijzen.

3.5.2. Dat wordt niet anders indien er van uit moet worden gegaan dat de Synagoge ook het document “Notulen… d.d. 18 juni 1973” had meegestuurd. Dat document geeft weliswaar blijk van de benoeming van [ X ] tot honorair scriba in de jaarvergadering van de Synagoge van 18 juni 1973, maar zwijgt over diens machtiging om de Synagoge te vertegenwoordigen.

3.5.3. De Synagoge heeft niet gesteld dat [ X ] nog andere documenten aan de aanvragen had toegevoegd waaruit zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid bleek. Het bovenstaande leidt er daarom toe, dat de Stichting COM de conclusie mocht trekken dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [ X ] onvoldoende vaststond en, bij gebreke van een nadere onderbouwing, dat zij de aanvragen mocht afwijzen. De Synagoge wijst ook nog op een door de voorzitter van de Synagoge, de heer [ Y ], op 28 oktober 2010 ten overstaan van een notaris afgelegde verklaring. Nu de Synagoge niet heeft gesteld dat de informatie die deze verklaring bevat bij de Stichting COM bekend was ten tijde van de beoordeling van de aanvragen, kan deze verklaring uit 2010 geen rol spelen bij de beoordeling van de afwijzing van de aanvragen in 2006 en 2007.

3.6 Het bovenstaande leidt ertoe dat de grieven I en III in het principaal hoger beroep falen.

3.7 Met grief II in principaal hoger beroep stelt de Synagoge, dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Stichting ook in 2006 de door [ X ] ingediende aanvragen in behandeling zou nemen, nu de Stichting COM dan wel de Stichting Maror-gelden Overheid diens vertegenwoordiging bij aanvragen in 2003, 2004 en 2005 (ook) hadden aanvaard.

3.8 Voor wat betreft de besluiten uit 2003 en 2004 geldt dat, naar de Stichting COM heeft gesteld en de Synagoge niet heeft betwist, deze besluiten niet zijn genomen door de Stichting COM maar door de Stichting Maror-gelden Overheid (SMO), die niet de rechtsvoorgangster van de Stichting COM was. Haar handelen kan de Stichting COM daarom niet binden. Ook kan de Synagoge aan dat handelen niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de Stichting COM (waarvan het handelen door eigen statuten en reglementen werd beheerst) op gelijke wijze zou handelen. In zoverre slaagt grief I in incidenteel hoger beroep.

3.9 Voor wat betreft de aanvraag uit 2005 heeft de Stichting COM aangevoerd dat zij, kort na haar oprichting in 2005, eenmalig en abusievelijk een door [ X ] namens de Synagoge aangevraagde uitkering heeft verleend. Met de Stichting COM is het hof van oordeel dat een dergelijke eenmalige gebeurtenis op zichzelf niet volstaat voor de Synagoge om het gerechtvaardigde vertrouwen aan te ontlenen, dat de Stichting de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [ X ] in de toekomst steeds zonder nadere toelichting zou aanvaarden en deze niet voor zover mogelijk (en overeenkomstig hetgeen de statuten en reglementen van de Stichting COM aan haar opdragen) zou verifiëren. Dat de Stichting COM de feitelijke opvolger van de Stichting SMO is, hetgeen de Synagoge had aangevoerd, heeft de Stichting COM gemotiveerd betwist. Overige feiten en omstandigheden waarom dat in het onderhavige geval anders is, zijn door de Synagoge niet dan wel onvoldoende aangevoerd. Ook grief II in het principaal hoger beroep faalt derhalve.

3.10 Grief IV in het principaal hoger beroep en grieven II en III in het incidenteel hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling, omdat deze alle betrekking hebben op de vraag of, zoals de rechtbank in het bestreden vonnis heeft aangenomen, tussen partijen niet langer in geschil is dat de Synagoge als belanghebbende geldt op de voet van artikel 2 eerste lid van het Uitkeringsreglement.

3.11 De Stichting COM heeft aangevoerd dat haar standpunt in eerste aanleg door de rechtbank verkeerd is weergegeven en dat zij zich op het standpunt stelt en heeft gesteld dat een aanvrager zonder reglement en statuten niet voor een uitkering in aanmerking komt. Dat bij gebrek aan informatie over de vertegenwoordigingsbevoegdheid in de statuten/het reglement naar andere aanwijzingen over de vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden gezocht, betekent niet dat statuten of reglement voor het verkrijgen van een uitkering geen verplicht document zijn. Een dergelijk document dient meer dan één doel, bijvoorbeeld ook de beoordeling van de doelstelling van aanvrager, aldus de Stichting COM. Vanwege de ongewenste precedentwerking en het risico op rechtsongelijkheid tussen aanvragers heeft zij belang bij het (mogen) stellen van deze eis aan aanvragers.

3.12 Het Uitkeringsreglement bepaalt in artikel 2, lid 1, (geciteerd onder 2.2.2.) samengevat, dat als belanghebbenden worden beschouwd instellingen die zich “statutair dan wel reglementair” ten doel stellen hetgeen in dat artikellid wordt bepaald.

3.13 Tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft de Stichting COM bij monde van haar raadsman aangevoerd:

“Niet in geschil is dat de Synagoge de Joodse gemeenschap dient. In die zin stemt de doelstelling van de Synagoge wel overeen met artikel 2 lid 1 van het Uitkeringsreglement. De spelregels waaraan de Synagoge zich heeft geconformeerd houden echter wel in dat er statuten of reglementen moeten worden overgelegd. Als de Stichting Maror [hof: de Stichting COM] daar nu vanaf zou zien, zou er sprake zijn van rechtsongelijkheid.”

3.14 Uit deze verklaring kan naar ’s hofs oordeel wel worden afgeleid, dat de Stichting COM van mening is dat de doelstelling van Synagoge in overeenstemming is met artikel 2 lid 1 van het Uitkeringsreglement, maar niet, dat dat haar ook tot belanghebbende in de zin van dat reglement maakt. De Stichting COM houdt in haar verklaring ter comparitie immers uitdrukkelijk vast aan het vereiste dat er statuten dan wel een reglement moet zijn, die moet(en) worden overgelegd. Dat vereiste maakt, krachtens genoemde bepaling in het Uitkeringsreglement, onderdeel uit van het belanghebbendenbegrip. De Stichting COM heeft daarom in rechte niet erkend dat de Synagoge belanghebbende in de zin van dat reglement is, zodat zij in zoverre terecht tegen het bestreden vonnis is opgekomen. Van een gedekt verweer, zoals de Synagoge betoogt, is geen sprake.

3.15 Voor zover de Synagoge – die in hoger beroep haar vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht niet heeft laten vallen - stelt dat haar vordering onder 3.1. sub 3 voor toewijzing in aanmerking komt, overweegt het hof het volgende. Het hof constateert in dat verband dat, zoals de rechtbank in r.o. 3.7. van het bestreden vonnis terecht opmerkt, de gewraakte zinsnede uit het advies van de Bezwarencommissie een citaat (van een overweging ten overvloede) uit het primaire besluit van het bestuur betreft, niet de mening van de commissie, en dat die zinsnede (of meer in het algemeen: een oordeel over de vraag of de Synagoge als belanghebbende kwalificeert) ook niet ten grondslag ligt aan de beslissing op het bezwaar. Er is mitsdien geen sprake van een overweging van de commissie, zodat de vordering van de Synagoge bij gebreke van een feitelijke grondslag niet voor toewijzing vatbaar is. De verwijzing door de Synagoge naar r.o. 3.8 e.v. van het bestreden vonnis kan haar niet baten, nu hetgeen de rechtbank daar overweegt geen betrekking heeft op de vraag, of de Synagoge als belanghebbende in de zin van het reglement geldt.

3.16 Op grond van hiervoor overwogene slagen de grieven II en III in het incidentele hoger beroep. Dat leidt niet tot een verandering van het dictum van het bestreden vonnis, maar wel tot een verbetering van de gronden waarop het berust. Verder is de Synagoge terecht in de kosten van de procedure in eerste aanleg is veroordeeld. Grief IV in het principaal hoger beroep faalt daarom.

4. Slotsom en kosten

Nu de grieven in het principaal hoger beroep falen zal de Synagoge als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Nu de grieven in het incidenteel appel weliswaar slagen, maar dit niet leidt tot een voor de Stichting COM in het dictum neergelegde gunstiger beslissing, zal het hof een proceskostenveroordeling in het incidenteel appel achterwege laten. Het hof zal aldus beslissen.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2010;

veroordeelt de Synagoge tot betaling van de proceskosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van de Stichting COM gevallen, op € 649,-- wegens verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, W.J. Noordhuizen en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 augustus 2012 door de rolraadsheer.