Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ4666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-03-2013
Zaaknummer
200.111.283-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijslastverdeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 150, geldigheid: 2012-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/173

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 18 december 2012

Zaaknummer: 200.111.283/01

Zaaknummer eerste aanleg: 476345 / FA RK 10-10113

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […]

advocaat: mr. S. Mathoerapersad te Amsterdam,

tegen

[…],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 8 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 9 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 476345 / FA RK 10-10113.

1.3. De vrouw heeft op 22 oktober 2012 nadere stukken ingediend.

1.4. De zaak is op 5 november 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door S.P. Baksoellah, tolk Punjabi.

1.6. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1994 gehuwd in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 15 november 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Blijkens een daarvan op 25 maart 2005 opgemaakte akte, met contractnummer 30170959, heeft Defam Flex B.V. (hierna: Defam) krachtens daartoe strekkende overeenkomst (hierna: de kredietovereenkomst) aan partijen een krediet in rekening-courant verstrekt tot een maximumbedrag van € 17.500,-. Onder de akte staat de handtekening van de man, alsmede een handtekening die volgens de man door de vrouw is geplaatst.

2.3. Een brief van de advocaat van de vrouw aan Defam van 15 oktober 2010 luidt, voor zover hier van belang:

“Ten deze sta ik mevrouw [de vrouw] bij in haar echtscheidingsprocedure tegen haar echtgenoot, de heer [de man]. In deze procedure overlegde de advocaat van de heer [de man] bijgaande kredietovereenkomst met als kenmerk 30170959 (rekening-courant tot een maximumbedrag van EUR 17.500,-) tussen DEFAM en partijen.

Mevrouw [de vrouw] is zeer verbaasd over het bestaan van deze overeenkomst. Zij heeft nimmer ingestemd met deze overeenkomst, noch heeft zij kennis gehad van deze overeenkomst. De handtekening onder de overeenkomst (…) is niet geplaatst door mevrouw [de vrouw]. Deze handtekening betreft een vervalsing.

Daarom vernietigt [de vrouw] deze overeenkomst; in elk geval is zij geen partij bij deze overeenkomst.”

2.4. Een namens Defam aan de advocaat van de man gestuurde e-mail van 8 september 2011 luidt, voor zover van belang:

“Het (…) schrijven de dato 15 oktober j.l. van Mr S. Mathoerapersad is ons bekend.

(…)

Wij hebben de secretaresse van de advocaat van mevrouw [de vrouw] destijds reeds laten weten geen reden te zien mevrouw [de vrouw] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en mochten vervolgens niets meer vernemen.”

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat de vrouw de bewijslast draagt van haar stellingen dat de man bij het aangaan van de kredietovereenkomst haar handtekening heeft vervalst en dat de uit die kredietovereenkomst ter beschikking gekomen gelden niet aan de vrouw ten goede zijn gekomen, althans niet met haar instemming zijn besteed en de zaak pro forma verwezen naar de zitting van 25 mei 2012 opdat de vrouw zich kan uitlaten over de vraag of, en zo ja op welke wijze zij dit bewijs wenst te leveren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.2. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2012 is, voor zover hier van belang, bepaald dat van de bestreden beschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover zij met de bewijslevering is belast en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de bewijslast in deze op de man rust.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ter beoordeling van het hof ligt voor de vraag of de rechtbank de vrouw terecht heeft belast met het leveren van bewijs dat de man bij het aangaan van de kredietovereenkomst met Defam haar handtekening heeft vervalst en dat de ter beschikking gekomen gelden niet aan haar ten goede zijn gekomen, althans niet met haar instemming zijn besteed.

4.2. Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien uit enige bijzondere rechtsregel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

4.3. De vrouw is van mening dat de rechtbank haar ten onrechte met het bewijs heeft belast aangezien er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De man dient volgens haar volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv te bewijzen dat de handtekening van de vrouw afkomstig is en dat de gelden aan haar ten goede zijn gekomen of dat zij heeft ingestemd met de besteding daarvan. De man brengt immers stukken in het geding, te weten de kredietovereenkomst, op de rechtsgevolgen waarvan hij zich beroept. Het is voor haar onmogelijk om aan de bewijslast te voldoen. Voorts rust de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid op de man, aldus de vrouw.

4.4. Het hof overweegt als volgt. Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw het bestaan van een kredietovereenkomst met Defam erkend. De vrouw betwist echter dat zij bij de totstandkoming van die overeenkomst betrokken is geweest, laat staan dat zij haar handtekening onder de akte heeft gezet. Blijkens de onder 2.3. vermelde brief van 15 oktober 2010 heeft de advocaat van de vrouw de kredietovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd, overigens zonder de wettelijke grondslag daarvoor te vermelden. Uit de namens DEFAM verzonden e-mail van 8 september 2011 valt evenwel op te maken dat DEFAM deze vernietiging niet erkent, waarbij overigens nog komt dat ook bij een geldige vernietiging aan DEFAM een vordering wegens onverschuldigde betaling terzake van de in leen verstrekte gelden zou toekomen. Bij de beoordeling van deze zaak moet er dan ook van worden uitgegaan dat DEFAM nog steeds een vordering heeft, ongeacht of alleen de man dan wel de man en de vrouw samen de kredietovereenkomst zijn aangegaan.

4.5. Op grond van artikel 1:94 lid 2 (oud) van het Burgerlijk Wetboek valt de schuld aan DEFAM in de tussen partijen bestaand hebbende wettelijke gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de door de echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat, ook al zou de kredietovereenkomst uitsluitend door de man zijn aangegaan en de vrouw daarbij geen partij zijn, de vrouw in het kader van de verdeling van de gemeenschap in beginsel de helft van de daaruit voortvloeiende schuld voor haar rekening moet nemen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat van deze hoofdregel alleen kan worden afgeweken indien toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en voorts, dat dit het geval is indien de, door de man betwiste, stellingen van de vrouw dat de man bij het aangaan van de kredietovereenkomst haar handtekening heeft vervalst en de gelden uit die lening niet (mede) aan haar ten goede zijn gekomen, althans niet met haar instemming zijn besteed. Het is derhalve de vrouw die het rechtsgevolg van haar stellingen inroept, zodat zij, gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv, daarvan de bewijslast draagt.

De vrouw stelt dat in casu uit de redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling voortvloeit. Daarin volgt het hof haar niet. Volgens vaste rechtspraak kan omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. Van zodanige omstandigheden is in onderhavige zaak niet gebleken. De stellingen van de vrouw dat de man tijdens het huwelijk de financiën van partijen regelde en zij daarom niet op de hoogte was van het afgesloten krediet alsmede dat de man met het krediet leningen heeft afgelost van zijn bankrekening, zijn daartoe, wat daar ook van zij, onvoldoende.

Voor zover de vrouw met haar stelling dat zij onmogelijk aan de op haar rustende bewijslast kan voldoen doelt op het bestaan van bewijsnood, overweegt het hof dat het bestaan van bewijsnood volgens vaste rechtspraak evenmin voldoende reden is om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. Dat zou anders kunnen liggen indien de vrouw door toedoen van de man in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt, bijvoorbeeld omdat deze bewijs heeft weggemaakt of moeilijk voor de vrouw toegankelijk heeft gemaakt. Dat is echter gesteld noch gebleken. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover deze aan zijn oordeel onderworpen is.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om verder te worden beslist.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. R.G. Kemmers en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer - Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.