Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
12-03-2013
Zaaknummer
200.095.060/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BR6141, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, behoefte vrouw en draagkracht man in geschil. Ruimte voor dividenduitkering gelet op resultaten van de ondernemingen van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 26 juni 2012 in de zaak met zaaknummer 200.095.060/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.J.F.A. Mutsaers te Haarlem,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal appel,

APPELLANTE in incidenteel appel,

advocaat: mr. M. A. Hupkes te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 5 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 5 juli 2011 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 175374/10-3761.

1.3. De vrouw heeft op 29 november 2011 een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De man heeft op 15 februari 2012 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5. De vrouw heeft op 18 januari 2012 nadere stukken ingediend. De man heeft op 29 februari 2012 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 7 maart 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 2006 gehuwd. Hun huwelijk is op 1 september 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 juli 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 1997 en [kind b] [in] 1999.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1965. Hij woont samen met zijn partner.

Hij is directeur groot aandeelhouder van de besloten vennootschap [de Holding]

Volgens de jaaropgave over 2009 bedroeg zijn fiscaal loon dat hij ontvangt van de Holding in dat jaar € 80.079,-. Zijn salaris bedroeg in 2010 en 2011 respectievelijk € 82.809,- en € 91.000,- bruto per jaar.

De holding is voor 85% aandeelhouder in [B.V.1] en [B.V.2] [B.V.2] is voor 27,50 % aandeelhouder in [B.V.3]

Het bedrijfsresultaat na belastingen van [de Holding] bedroeg volgens de jaarstukken over 2009, 2010 en 2011 in die jaren respectievelijk € 469.036,- en € 130.107,- en € 136.501,- .

Het bedrijfsresultaat na belastingen van [B.V.1] bedroeg volgens de jaarstukken over 2008, 2009 en 2010 in die jaren respectievelijk € 205.939,-, € 339.172,- en € 32.475,-. Het resultaat bedroeg in 2011 € 59.511,- .

Het bedrijfsresultaat na belastingen van [B.V.2] bedroeg volgens de jaarstukken over 2008, 2009 en 2010 in die jaren respectievelijk € 1.963, € 904,- en € 503,-. Het resultaat bedroeg in 2011 € 14.420,-.

Over de jaren 2007 en 2008 is door [B.V.1] een dividend uitgekeerd van respectievelijk € 100.000,- en € 120.000,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde voormalig echtelijke woning te [a] betaalt hij € 1.962,- per maand aan rente (waarvan de helft aftrekbaar). De WOZ-waarde is vastgesteld op € 661.000,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem en zijn partner bewoonde woning te [b] betaalt hij € 2.343,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 50,- per maand. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 646.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 150,- per maand.

Hij betaalt € 50,- per maand aan premie voor een lijfrente.

Hij betaalt € 246,- per maand aan premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen.

Hij betaalt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 587,50 per kind per maand.

Hij is eigenaar van een appartement in Oostenrijk.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij drijft een eenmanszaak [de onderneming]. Het resultaat van die eenmanszaak bedroeg in 2008, 2009 en 2010 respectievelijk € 4.445,-€ 2.937,- en € 1.985,-.

Zij draagt de gebruikelijke overige eigenaarslasten van de voormalig echtelijke woning.

Aan premie voor een ziektekostenverzekering betaalt zij € 150,- per maand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald:

- dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud van € 4.677,- per maand dient te betalen en wel met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en gedurende de zes maanden dat de vrouw tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten;

- dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud van € 5.158,- per maand, na afloop van de zes maanden dat de vrouw tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering te bepalen op € 7.000,- per maand.

3.2. De man verzoekt in principaal appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vrouw met betrekking tot de alimentatie af te wijzen en de uitkering vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt in principaal appel het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met verbetering van gronden conform het incidenteel appel, met veroordeling van de man in de kosten, althans met compensatie van de kosten.

4. Beoordeling van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel

4.1.De man heeft in principaal appel grieven gericht tegen de behoefte van de vrouw en de vaststelling van zijn draagkracht. Het hof zal eerst de grieven met betrekking tot de behoefte van de vrouw behandelen.

4.2. De man stelt allereerst dat de rechtbank bij het vaststellen van het netto gezinsinkomen van partijen is uitgegaan van het uitgavenoverzicht over 2009, waarin een brutobedrag aan hypotheeklasten is opgenomen en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het belastingvoordeel van € 12.000,- dat bij wijze van voorlopige teruggave belasting werd genoten. Deze grief van de man slaagt. De ten laste van partijen komende hypotheekrente is immers uiteindelijk het bruto bedrag minus de van de Belastingdienst ter zake van deze rente ontvangen teruggave. Het hof zal daarom uitgaan van een uitgavenpatroon in 2009 van € 84.848,- en een netto gezinsinkomen van € 7.000,- per maand, waarop de kosten van de kinderen van € 1.175,- in mindering dienen te worden gebracht. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt 60 % van het resterende bedrag, € 3.495,- netto per maand. Met inachtneming van de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen bedraagt haar huwelijksgerelateerde behoefte € 3.250,- netto per maand, omgerekend € 5.500,- bruto per maand.

4.3. Voorts stelt de man de verdiencapaciteit van de vrouw aan de orde. Hij is van mening dat van haar verwacht kan worden dat zij haar werkzaamheden zodanig zal uitbreiden dat zij tenminste € 2.400,- bruto per maand verdient. Daarnaast acht hij het redelijk het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning te begroten op € 150.000,- waar zij een rendement van 4% procent op kan behalen, hetgeen in mindering op haar behoefte dient te worden gebracht.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Volgens haar hebben partijen toen zij nog samen waren op initiatief van de man gekozen voor een traditionele rolverdeling. De vrouw heeft niet gewerkt en een achterstand opgelopen op de arbeidsmarkt. Daarnaast behoeft één van de kinderen extra zorg en aandacht. Voorts kan aan haar geen rendement van 4% van de overwaarde worden toegerekend omdat deze overwaarde in het huis zit en de inkomsten dus feitelijk niet worden genoten, aldus de vrouw.

4.4. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.200,- bruto per maand. Van de vrouw kan worden verlangd dat zij zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud voorziet. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat op dit moment nog niet van de vrouw verwacht kan worden dat zij haar werkzaamheden zodanig uitbreidt dat zij voor een groter gedeelte in haar eigen levensonderhoud voorziet, gelet op de voor haar na de echtscheiding nieuwe situatie, haar beperkte werkervaring en het feit dat zij het grootste deel van de zorg voor de kinderen heeft.

Het hof zal geen rekening houden met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning nu deze overwaarde niet vaststaat en de vrouw feitelijk geen inkomsten hieruit geniet.

Op grond van het voorgaande bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw, € 5.500,- bruto per maand verminderd met € 1.200,-, derhalve € 4.300,- bruto per maand.

4.5. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de vastgestelde bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen en dat de rechtbank bij het vaststellen van zijn draagkracht is uitgegaan van onjuiste gegevens.

Hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat hij zich jaarlijks een dividend van € 100.000,- zou kunnen uitkeren. Volgens hem lijdt het resultaat van zijn ondernemingen zodanig onder de gevolgen van de economische onrust dat er geen ruimte is om dividend uit te keren. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte getwijfeld aan de actualiteit van de door de Rabobank verstrekte solvabiliteitsverklaring en heeft miskend dat de bank de kredietfaciliteiten van de onderneming opzegt wanneer in strijd met de solvabiliteitsvoorwaarden wordt gehandeld.

Daarnaast acht de man het niet redelijk dat de rechtbank heeft overwogen dat zijn partner voor de helft kan bijdragen in de woonlasten. Zij is aan het solliciteren en ontvangt thans een WW-uitkering van € 829,- netto per vier weken. De man stelt primair dat de woonlasten geheel voor zijn rekening komen en subsidiair dat slechts een deel van de hypotheekrente ten laste van zijn partner dient te worden gebracht.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij is van mening dat de man voldoende draagkracht heeft de door de rechtbank vastgestelde bijdrage te voldoen.

4.6. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de feiten en omstandigheden zoals vermeld onder 2.3, behoudens voor zover hier in het navolgende vanaf wordt geweken en met inachtneming van het volgende.

Het hof gaat voor wat betreft het inkomen van de man uit van het salaris, dat hij genoten heeft in 2011. Ten aanzien van de resultaten van de ondernemingen van de man en het uit te keren dividend overweegt het hof als volgt.

De man heeft een DGA-balans over 2011 overgelegd met een toelichting van 24 februari 2012 van de heer Denneboom van “de Hooge Waerder Accountants”. Uit deze stukken blijkt dat er ruimte is voor een dividenduitkering van € 50.000,- per jaar. Het hof acht het gelet op de resultaten van de ondernemingen redelijk van dit bedrag uit te gaan. Hierbij is van belang dat het resultaat van de Holding over 2011 wordt beïnvloed door een eenmalige afwaardering materiële vaste activa van € 135.992,-, welke last zich in volgende jaren niet meer zal voordoen. De man heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de uit de door hem overgelegde solvabiliteitsverklaring van de Rabobank zou blijken dat de Rabobank zich zal verzetten tegen uitkering van voornoemd dividend indien hij dat verzoekt.

Het hof houdt derhalve naast het salaris van de man rekening met een jaarlijkse dividenduitkering van € 50.000,- (bruto).

Uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt voorts dat de man een rekening-courant vordering heeft op zijn B.V. van € 960.057 per 31 december 2010 en € 742.336,- per 31 december 2011, waar hij rente uit ontvangt en waarop wordt afgelost. De rente bedraagt volgens de stukken in de jaren 2011 en 2012 respectievelijk € 46.396 en € 39.345,-., en zal in 2013 € 35.318,- bedragen, in 2014 € 31.290,-, in 2015 € 27.262,- en in 2016 € 23.234,-. Het hof zal rekening houden met deze dalende rente-inkomsten.

Ten aanzien van de woonlasten overweegt het hof dat de partner van de man thans een WW-uitkering heeft, maar naar verwachting binnenkort een baan zal hebben. Gelet op het verschil in inkomen tussen de man en zijn partner acht het hof het redelijk dat zijn partner een aandeel van € 300,- in de netto woonlasten op zich neemt.

De man heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen. Ter zitting heeft de advocaat van de man deze kosten op € 75,- per maand gesteld, hetgeen niet door de vrouw is betwist, zodat het hof van deze kosten uit zal gaan.

Partijen verschillen van mening over inkomsten uit verhuur van het appartement in Oostenrijk. De vrouw stelt in incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met huurinkomsten uit dit appartement, zij schat deze inkomsten op € 14.000,- per jaar. De man stelt dat hij geen inkomsten uit verhuur heeft, hij heeft deze stelling met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft de man voorts gesteld dat hij komend jaar naar verwachting een verlies zal lijden van ongeveer € 10.000,- op het appartement. Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen inkomsten uit verhuur genereert uit het appartement. Voor zover hij heeft gesteld dat rekening dient te worden gehouden met het te lijden verlies gaat het hof hieraan voorbij nu hij dit onvoldoende heeft onderbouwd.

4.7. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof de door de man met ingang van 1 september 2011 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw in redelijkheid op € 4.000,- bruto per maand. Door dit bedrag wordt de vrouw niet ten opzichte van de man bevoordeeld.

Hoewel bij het vaststellen van de alimentatie twee periodes vallen te onderscheiden, gelet op het feit dat de man gedurende de periode van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (op 1 september 2011) waarin de vrouw het voortgezet gebruik van de woning heeft (gehad) de lasten van de echtelijke woning heeft betaald, leidt dit niet tot een verschillend bedrag aan alimentatie vóór en na 1 maart 2012, aangezien de man in verband met de hogere rente-inkomsten ook vóór 1 maart 2012 over voldoende draagkracht beschikt om de vastgestelde bijdrage te voldoen.

4.8. Voorzover de man vanaf 1 september 2011 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 4.7 vermelde uitkering, kan van de vrouw, gelet op het zeer lage inkomen van de vrouw en het feit dat een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.9. Er is geen aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze gecompenseerd te worden.

4.10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man na heden bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw,

gedurende de periode van 1 september 2011 op € 4.000,- (VIERDUIZEND EURO) per maand; met dien verstande dat, voorzover de man over de periode vanaf 1 september 2011 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. van den Bergh, M.M.A. Gerritzen-Gunst en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.