Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3796

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
11-03-2013
Zaaknummer
200.108.488/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet te goeder trouw ten aanzien van CJIB schulden en ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag. Geen toepassing van artikel 288, derde lid, Fw, nu de veranderingen die appellant in zijn leef- en zorgsituatie heeft aangebracht nog van te korte duur zijn en onvoldoende bestendig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

sector handelsrecht

zaaknummer : 200.108.488/01

rekestnummer rechtbank : 186952

arrest van de derde kamer van 21 augustus 2012

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [X],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.A. van Gemeren te Capelle aan den IJssel.

1. Het geding in hoger beroep

Verzoeker wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 19 juni 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 12 juni 2012.

Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 14 augustus 2012. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Gemeren die het verzoekschrift heeft toegelicht. Verder is de maatschappelijk werker verschenen.

2. Beoordeling

2.1. [appellant] heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – op de zitting het volgende aangevoerd. Zijn schulden zijn in belangrijke mate veroorzaakt door het feit dat zijn vrouw hem heeft verlaten en hem met de kinderen achterliet. Ten aanzien van de schuld aan het CJIB weet [appellant] niet waar alle boetes betrekking op hebben, doch wel dat hij enkele boetes heeft gehad voor twee ongekeurde auto’s. [appellant] zou deze auto’s opknappen en daarmee extra geld proberen te verdienen, zodat hij op zijn schulden kon aflossen. Ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst heeft [appellant] onder meer erkend dat (behalve dat hij ook kinderopvangtoeslag waar hij recht op had enige tijd niet heeft ontvangen) hij toeslagen ten onrechte heeft ontvangen en dat hij die heeft aangewend om diverse noodzakelijke achterstanden te betalen. Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat hij op dit moment druk bezig is zijn leven weer op orde te krijgen. Zo heeft [appellant] onder meer budgetbeheer aangevraagd en wonen de kinderen sinds een dag weer bij de moeder. [appellant] gaat om meer geld te kunnen sparen, anti-kraak wonen.

2.2. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het hof is van oordeel dat [appellant] daarin niet is geslaagd. Zoals uit het bovenstaande volgt, heeft [appellant] in de vijf jaar voorafgaande aan de dag van indiening van het inleidende verzoekschrift (onder andere) de volgende schulden laten ontstaan/onbetaald gelaten:

- CJIB schulden voor een totaalbedrag van € 901,50 -

- Kinderopvangtoeslagen ten onrechte gekregen en niet terugbetaald.

De CJIB-schulden betreffen verkeersovertredingen en zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan, terwijl deze schulden gezien de hoogte substantieel zijn. Wat betreft de kinderopvangtoeslagen overweegt het hof dat, hoewel [appellant] zich moet hebben gerealiseerd dat hij op de desbetreffende betalingen geen recht had, hij de ontvangen bedragen niet heeft teruggestort en evenmin gereserveerd om deze, desgevraagd, terug te kunnen betalen. De aldus ontstane schuld, ten bedrage van € 5.921,00 is tot op heden onbetaald gebleven. Er is daarom niet aannemelijk geworden dat [appellant] van het ontstaan van deze schulden geen verwijt kan worden gemaakt. Deze schulden staan aan zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

2.3. [appellant] heeft daarnaast aangevoerd dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, zoals bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dat echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. De veranderingen die hij in zijn leef- en zorgsituatie heeft aangebracht (en de begeleiding die hij daarbij krijgt, ook in financiële zin) zijn nog van te korte duur en daarmee onvoldoende bestendig om dat oordeel te rechtvaardigen.

2.4. Dat neemt niet weg dat indien [appellant] op termijn kan aantonen dat zijn leven een stabiele wending heeft genomen, hij over enige tijd nogmaals een verzoek kan indienen om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, W.J. Noordhuizen en A.L.M. Keirse en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.