Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3750

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
11-03-2013
Zaaknummer
200.095.092-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2011:BR4342, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen raadsleden zelfde gemeente. Vordering tot rectificatie artikel als reactie op advertentie politieke partij. Uitlatingen in kader politiek debat: ruime grenzen uitingsvrijheid. Uitlatingen feitelijk niet onjuist of waardeoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ],

APPELLANT,

advocaat: mr. A.R. van Dolder te Heerhugowaard,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonend te [ woonplaats ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.M. Bakx-van den Anker te Amsterdam.

De partijen worden hierna [ appellant ] en [ geïntimeerde ] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 21 september 2011 is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 20 juli 2011, in deze zaak onder zaaknummer/rolnum¬mer 125985 HA ZA 11-41 gewezen tussen [ appellant ] als eiser en [ geïntimeerde ] als gedaagde.

[ appellant ] heeft bij memorie vier grieven geformuleerd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernie¬tigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [ appellant ] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [ geïntimeerde ] in de proceskosten van beide instanties.

[ geïntimeerde ] heeft bij memorie de grieven van [ appellant ] bestreden en producties in het geding gebracht, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [ appellant ] in de kosten van het geding in hoger beroep, uitvoer¬baar bij voorraad.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) [ appellant ] en [ geïntimeerde ] zijn beiden raadslid van de gemeente¬raad van [ plaats ]. [ appellant ] is dit voor [Y] Partij (verder: [ Y ]) en [ geïntimeerde ] voor het [ X ].

(ii) Op 13 januari 2010 heeft in de 'Uitkijkpost', een huis-aan-huisblad voor [ plaatsnaam ] en omgeving, een advertentie gestaan met de volgende tekst:

"[ Y ]-NIEUWS

Op de voorkant van een kalender voor 2010 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties die bij de balie van het gemeentehuis verkrijgbaar was, las ik: Deze kalender geeft de burger moed om onder meer DE OVERHEID OP TE PORREN en IN VERZET TE KOMEN TEGEN ONRECHT.

Aan moed ontbreekt het de [ Y ] nooit en de genoemde voorstellen behoren ook altijd tot het werkpakket van de [ Y ], maar het is wel leuk dat het Ministerie dit nu ook aanprijst.

Nou, let op hier volgt ONRECHT.

In de gemeenteraadsvergadering van november jl. diende ik een motie in om [ inwoners van plaatsnaam] met een inkomen tot 120% van het minimumloon 75 euro te geven voor die dure decembermaand. Een soort EINDEJAARSUITKERING.

Wethouder [ Q ] ([ X ]) ontraadde mijn motie. Het mocht WETTELIJK NIET was zijn betoog!

In de gemeenteraadsvergadering van december jongstleden heb ik de motie iets aangepast weer ingediend. Opnieuw [ Q ] met zijn verhaal: mag WETTELIJK NIET! De [ Y ] kreeg nu alleen [P]2000 tot steun, totaal zes stemmen, geen meerderheid.

De gemeenten ALKMAAR, BERGEN, HEERHUGOWAARD en LANGEDIJK gaven wel 50 of 75 euro aan hun inwoners met de laagste inkomens, EN TERECHT.

En nu het volgende:

De ambtenaren van de gemeente [ plaatsnaam ] hebben een EINDEJAARSUITKERING ontvangen van 5% over het bruto jaarsalaris plus een pakketje met enkele waardebonnen voor onder meer een gratis saunabezoek! Op die uitkering hebben ze recht volgens de CAO-regels.

Wethouders in [ plaatsnaam ] hebben een bruto maandsalaris van € 5.553,-. Dat is zo'n € 66.600,- bruto per jaar. Hun EINDEJAARSUITKERING was 5,4% van dit jaarsalaris, dus ruim € 3.500,-. Dit is in november uitgekeerd.

De burgemeester heeft een maandsalaris van bruto € 6.726,-, zo'n ruim € 80.000,- per jaar. Zijn EINDEJAARSUITKERING was 6,9% van het bruto jaarsalaris, dus € 5.500,-. Ook in november ontvangen.

MAAR HET COLLEGE MET HUN VETTE EINDEJAARSUITKERINGEN RAADDE BIJ MONDE VAN WETHOUDER [ Q ] DE MOTIES VAN DE [ Y ] AF!

Als het college nu consequent wil zijn gezien de door haar gehanteerde WETTELIJKE RICHTLIJNEN dient ze de contacten met de regiogemeenten ALKMAAR, BERGEN, HEERHUGOWAARD en LANGEDIJK eigenlijk te verbreken, want je gaat toch niet aan tafel zitten met gemeentebesturen die de wet overtreden, want dan ben je zelf medeplichtig.

VOOR DE ARMSTE MENSEN IN ONS DORP WAS ER IN DECEMBER GEEN PLAATS IN DE STAL VAN DE GEMEENTELIJKE EINDEJAARSUITKERINGEN.

De [ Y ] veroordeelt deze RECHTSONGELIJKHEID.

HET IS MAAR DAT U HET WEET!!

[ Y ] afd. [ plaatsnaam ] p/a W. [ appellant ] (...)."

(iii) Op 16 januari 2010 heeft in het Noordhollands Dagblad een artikel gestaan met de kop:

"[ X ] valt [ appellant ] aan om [ Y ]-pamflet

Ruzie om 'vette bonussen'"

In het artikel is de inhoud van de [ Y ]-advertentie van 13 januari 2010 weergegeven en de reactie daarop van het [ X ] in [plaatsnaam], die voor een deel woordelijk overeenkomt met de hierna weergegeven ingezonden brief van [ geïntimeerde ]. Het artikel sluit af met de zin: "De verkiezingsstrijd in [plaatsnaam] is losgebarsten."

(iv) Op 20 januari 2010 heeft in de rubriek 'Ingezonden brief' in de Uitkijkpost onder meer de volgende tekst gestaan:

"[ appellant ] laat minima in de steek

De heer [ appellant ] ([ Y ]) heeft afgelopen woensdag in de Uitkijkpost een advertentie geplaatst, waarin hij een expliciete vergelijking maakt tussen de aan gemeenteambtenaren conform de CAO verstrekte eindejaarsuitkering en het feit dat zijn moties kerstgratificatie minima onlangs door de gemeenteraad zijn verworpen. Hij noemt dit 'een groot onrecht'.

Ik vind deze vergelijking ronduit onfatsoenlijk. De ambtenaren verrichten, elke dag weer, veel goed werk ten dienste van de inwoners van [ plaatsnaam ]. Het is ongepast om hun salarissen in een politieke discussie te betrekken; de politieke verantwoordelijkheid voor het afwijzen van deze moties ligt bij de leden van de gemeenteraad en nergens anders. De heer [ appellant ] is voortdurend bezig met schertsvertoningen en populisme, terwijl hij in de gemeenteraad telkens de kans voorbij laat gaan om constructieve bijdragen te leveren. Dat geldt ook bij de vaststelling van het minimabeleid in 2008; hij was grotendeels afwezig en heeft geen enkel voorstel gedaan, al helemaal niet voor een eindejaarsuitkering. Zijn excuus dat hij slechts een eenmansfractie is en onvoldoende tijd heeft, gaat ook niet op. Hij heeft immers wel tijd voor het schrijven van vele ingezonden stukken in de krant. Zijn prioriteit ligt dus helemaal niet bij het behartigen van de belangen van de minima en het bereiken van resultaten voor deze groep! Het zou de heer [ appellant ] sieren wanneer hij kiest voor dialoog en inhoud, in plaats van goedkoop scoren ten koste van anderen.

[ geïntimeerde ]

[plaatsnaam]"

(v) Op 27 januari 2010 hebben in de rubriek 'Ingezonden brief' in de Uitkijkpost onder meer vijf reacties op de brief van [ geïntimeerde ] gestaan. Vier ervan waren van sympathisanten van [ appellant ], de vijfde was van [ appellant ] zelf. In de Uitkijkpost van 10 februari 2010 is nog een reactie geplaatst.

(vi) Bij brief van 30 september 2010 heeft de advocaat van [ appellant ] [ geïntimeerde ] verzocht om een (in die brief nader omschreven) rectificatie in de Uitkijkpost te plaatsen. [ geïntimeerde ] heeft daaraan geen gevolg gegeven.

(vii) In een brief van 18 oktober 2010 aan de advocaat van [ appellant ] hebben de [ X ]-fractie en het bestuur van het [ X ]-[plaatsnaam] hun standpunt in deze kwestie uiteengezet. Hierin stond onder meer dat zij geen reden zien om in te gaan op het verzoek een rectificatie te plaatsen in de Uitkijkpost.

3.2 [ appellant ] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [ geïntimeerde ] wordt veroordeeld tot plaatsing van een rectificatie in de Uitkijk¬post als bij de (onder 3.1 sub (vi)) genoemde brief van 30 september 2010 verzocht, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [ geïntimeerde ] in de kosten van de procedure. Hij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat het [ geïntimeerde ] bekend is dat hij, [ appellant ], zich al vele jaren inspant voor mensen met een minimuminkomen, dat een aantal (door hem daarvan gegeven) voorbeelden aantoont dat de aantijgingen van [ geïntimeerde ] onjuist zijn, dat [ geïntimeerde ] met zijn uitlatingen bewust publiekelijk een negatief en onjuist beeld van hem heeft geschetst, dat [ geïntimeerde ] daarmee onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en hij, [ appellant ], is aangetast in zijn eer en goede naam en politieke schade heeft geleden en dat, ten slotte, de ingezonden brief van [ geïntimeerde ] niet kan worden gezien in het licht van de verkiezingsstrijd en als onderdeel van het debat tussen twee politieke partijen maar niet anders kan worden gelezen dan als een aanval op zijn persoon door [ geïntimeerde ] op persoonlijke titel.

3.3 De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep overwo¬gen, kort samengevat, dat, gezien de inhoud van de [ Y ]-advertentie en van de ingezonden brief van [ geïntimeerde ] beide slechts kunnen worden gelezen in het kader van een politiek debat, dat de door [ appellant ] met name als onjuist en grievend benoemde passages in de ingezonden brief alle moeten worden aangemerkt als politieke meningen, als waardeoordelen over het handelen van raadslid [ appellant ], dat de waardeoordelen van [ geïntimeerde ] als meningen van een politiek opponent in een gemeente¬politiek twistgesprek moeten worden beschouwd en dat, gelet hierop en op de wijze waarop dit debat is gevoerd, [ geïntimeerde ] met zijn ingezonden brief zijn vrijheid van meningsuiting niet te buiten is gegaan en de uitlatingen van [ geïntimeerde ] niet van dien aard zijn dat daarmee een ongepaste inbreuk is gemaakt op de eer en goede naam van [ appellant ]. Op grond van een en ander heeft de rechtbank de vordering van [ appellant ] afge¬wezen en [ appellant ] veroor¬deeld in de proceskosten.

3.4 Het hof zal de grieven, die tegen deze oordelen van de rechtbank zijn gericht en nauw met elkaar samenhangen, gezamenlijk behandelen.

3.5 In het onderhavige geschil gaat het om de geoorloofdheid van een reactie op een politieke advertentie, in het bijzonder om de vraag of de door [ geïntimeerde ] gebezigde uitlatingen in de publicatie van 20 januari 2010 - in de rubriek 'Ingezonden brief' in de Uitkijkpost – naar aanleiding van de advertentie die [ appellant ] op 13 januari 2010 had laten plaatsen in de Uitkijk¬post onrechtmatig jegens [ appellant ] moeten worden geoordeeld. Bij de beoordeling van deze vraag gaat het om twee met elkaar botsende, fundamentele rechten die beide even groot respect verdienen. Enerzijds gaat het om het recht om zich vrij te uiten, anderzijds om het recht om verschoond te blijven van de schade en belasting die het gevolg (kunnen) zijn van schade¬lijke en/of kwetsende medede¬lingen. Het eerste recht komt, onder andere, tot uitdrukking in artikel 10 EVRM, het tweede onder andere in artikel 8 EVRM. De geoorloofdheid van uitingen die de schade en belasting waarop artikel 8 EVRM ziet kunnen veroorzaken, moet worden beoordeeld door, met appreciatie van alle relevante omstandig¬heden van het geval, vast te stellen aan welke van de twee 'botsende' rechten in dat geval voorrang moet worden gegeven.

3.6 Het hof stelt voorop dat, anders dan [ appellant ] heeft gesteld, de gewraakte uitlatingen van [ geïntimeerde ] zijn gedaan in het kader van een politiek debat dat bovendien als zodanig herkenbaar was voor de gemiddelde lezer. Dit volgt in de eerste plaats uit het feit dat [ geïntimeerde ] met zijn reactie reageert op een politieke advertentie. Dit volgt in de tweede plaats uit de inhoud van de vijf ingezonden brieven die in de Uitkijkpost van 27 januari 2010 zijn geplaatst naar aanleiding van de reactie van [ geïntimeerde ], waarvan er een van [ appellant ] zelf afkomstig was. Naast de ingezonden brief van [ appellant ] wordt in twee van de vier overige ingezonden brieven expliciet een verbinding gelegd tussen [ geïntimeerde ] en het [ X ], zodat voor de gemiddelde lezer kennelijk duidelijk was dat die band bestond en het dus om een politieke discussie tussen de [ Y ] - in de persoon van [ appellant ] - en het [ X ] - in de persoon van [ geïntimeerde ] - ging. Aldus is, mede door de ingezonden brief van [ appellant ] zelf, bovendien voor in beginsel iedere lezer van de Uitkijkpost aan wie dit nog niet duidelijk was vanaf dat moment buiten kijf komen te staan dat [ appellant ] en [ geïntimeerde ] met elkaar in een politiek debat verzeild waren geraakt. De hiervoor (onder 3.1 sub (iii)) genoemde publicatie in het Noordhollands Dagblad van 16 janua¬ri 2010 bevestigt dat voor de buitenwereld duidelijk was dat het een politieke discussie betrof die de inleiding vormde voor de verkiezingsstrijd in [plaatsnaam].

3.7 De omstandigheid dat het hier een politiek debat betrof is volgens het Europese hof voor de rechten van de mens (verder: EHRM) van groot belang voor de beantwoording van de onderha¬vige vraag: aan de vrijheid van meningsuiting komt bijzon¬der belang toe als het gaat om onderwerpen die tot het 'domaine du discours politique' zijn te rekenen, en om uitin¬gen van poli¬ti¬ci en in het bijzonder gekozen vertegenwoor¬digers. Daarnaast geldt volgens het EHRM dat politieke ambtsdragers een ruime mate van kritiek op hun functioneren als zodanig moeten ver¬dragen, en dat de grenzen van de uitingsvrijheid dus ook in dat opzicht (extra) ruim zijn. In het domein van het publieke debat, waar het hier om gaat, en ten aanzien van kwesties van algemeen belang laat het EHRM weinig ruimte voor restricties op het recht op vrijheid van meningsuiting. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat [ appellant ] zelf door plaatsing van de advertentie de politieke discussie heeft aangezwengeld – de uitlatingen van [ geïntimeerde ] waren immers een reactie daarop -, dat deze discussie publieke belangen betrof en dat zowel [ appellant ] als [ geïntimeerde ] publieke figuren ((kandidaat-)raads¬leden) waren.

3.8 Daar komt nog bij dat de gewraakte uitlatingen van [ geïntimeerde ] hetzij feitelijk niet onjuist zijn, hetzij waarde¬oordelen betreffen. Voor zover [ appellant ] heeft gesteld dat de reactie van [ geïntimeerde ] feitelijke onjuistheden bevat, en dat dit in het bijzonder (zie memorie van grieven onder 2.4) in de navolgende passage uit de reactie van [ geïntimeerde ] het geval zou zijn

"Dat geldt ook bij de vaststelling van het minimabeleid in 2008; hij was grotendeels afwezig en heeft geen enkel voorstel gedaan, al helemaal niet voor een eindejaarsuitkering.",

kan het hof [ appellant ] niet in dit betoog volgen omdat het feite¬lijke grondslag mist. Deze passage betreft immers het jaar 2008. Gesteld noch gebleken is dat dit een onjuiste weergave is van de gang van zaken in 2008. Dat [ appellant ] in 2009, anders dan in 2008, wel een voorstel heeft gedaan voor de toekenning van een eindejaarsuitkering, maakt de gewraakte passage niet onjuist. De uitla¬tingen van [ geïntimeerde ] zijn een reactie op met name het voorstel van de [ Y ] met betrekking tot 2009, waarbij [ geïntimeerde ] een vergelijking maakt met de opstelling van de [ Y ] in 2008. Voorts onderschrijft het hof het oordeel van de recht¬bank (zie rechtsoverweging 4.4 van het vonnis waarvan beroep) dat de waardeoordelen die [ geïntimeerde ] geeft op zichzelf niet in grove termen zijn geformuleerd en wat retoriek betreft aan¬sluiten bij de [ Y ]-advertentie.

3.9 Op grond van het voorgaande komt het hof, alle bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval in onderling verband en samenhang in aanmerking nemend, tot de conclusie dat in dit geval het belang van [ geïntimeerde ] om zich vrij te uiten zwaarder behoort te wegen dan de belangen waarvoor [ appellant ] opkomt.

3.10 Uit het voorgaande volgt dat de uitlatingen van [ geïntimeerde ] in de publicatie van 20 januari 2010 naar aanleiding van de advertentie die [ appellant ] op 13 januari 2010 had laten plaatsen in de Uit¬kijkpost niet onrechtmatig jegens [ appellant ] zijn. Tevens ligt daarin besloten dat artikel 8 EVRM niet in de weg staat aan deze conclusie. Derhalve dient de vordering van [ appellant ] ook in hoger beroep te worden afgewezen, en kunnen de grieven niet slagen.

4. Slotsom en kosten

Het hoger beroep faalt, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [ appellant ] zal als de in het ongelijk gestel¬de partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [ appellant ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ geïntimeerde ] gevallen, op € 284,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, C. Uriot en J.F.M. Strijbos en op 28 augustus 2012 in het openbaar uitge¬sproken door de rolraadsheer.