Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
200.109.243/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof sluit op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW verdeling uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2013/45

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 18 december 2012 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.109.243/01

Zaaknummer eerste aanleg: 441509 / FA RK 09-8225 AP SV

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. C.Y. Ertman te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.H.M. Ambagtsheer-Godden te [b],

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 3 juli 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 3 augustus 2011, 28 december 2011 en van 4 april 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 441509 / FA RK 09-8225 AP SV.

1.3. De vrouw heeft op 16 augustus 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 31 oktober 2012 nadere stukken ingediend. De man heeft op 1 november 2012 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 14 november 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1996 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 24 augustus 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 augustus 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking van 3 augustus 2011 is bepaald dat de behandeling omtrent de verdeling pro forma wordt voortgezet op 3 oktober 2011.

De man is verzocht om uiterlijk tien dagen voor genoemde datum over te leggen de huidige contante waarde van de polissen als genoemd in die beschikking onder h, j en l.

De vrouw is verzocht om uiterlijk tien dagen voor genoemde datum te reageren zoals verzocht in de rechtsoverwegingen 3.2.4.7, 3.2.6.5, 3.2.7.9 en 3.2.8.6 van de beschikking.

Voorts is bepaald dat de behandeling vervolgens pro forma wordt voortgezet op 31 oktober 2011, waarbij de vrouw is verzocht uiterlijk tien dagen voor deze datum te reageren zoals verzocht in rechtsoverweging 3.2.4.6 van de beschikking. De man is verzocht uiterlijk tien dagen voor deze datum te reageren ten aanzien van een mogelijk te benoemen deskundige als verzocht in rechtsoverwegingen 3.2.7.9 en 3.2.8.6 van de beschikking. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking van 28 december 2011 is bepaald dat de behandeling omtrent de verdeling pro forma wordt voortgezet op 5 maart 2012.

De man is verzocht uiterlijk tien dagen voor genoemde datum:

- over te leggen overzichten van ASR waaruit de huidige contante waarde van de polissen bij ASR onder polisnummers 41.08.856, 44.862.265 en 724.11 blijkt en informatie te verstrekken met betrekking tot de in r.o. 2.3.3 genoemde polissen bij de Postbank;

- de rechtbank te informeren over de uitkomst van het informeel overleg;

- zich uit te laten, indien het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan deze te stellen vragen, alsmede over de hoogte van het vast te stellen voorschot.

De vrouw is verzocht uiterlijk tien dagen voor genoemde datum:

- de rechtbank te informeren over de uitkomst van het informeel overleg;

- zich uit te laten, indien het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan deze te stellen vragen, alsmede over de hoogte van het vast te stellen voorschot.

De vrouw is verder verzocht uiterlijk vijf dagen voor genoemde datum te reageren op de door de man overgelegde stukken van ASR. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking van 4 april 2012 is de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap als volgt vastgesteld:

aan de man is toegescheiden:

- de polis bij Verzekerings Unie met nummer 4.486.264;

- de polis bij Verzekerings Unie met nummer 4.686.266;

- de polis bij ASR met nummer 41.08.856;

- de polis bij ASR met nummer 44.862.265;

- de polis bij ASR met nummer 724.11;

- de helft van het saldo op de bankrekening met nummer [1] op het moment van opheffing van de bankrekening;

- de helft van het saldo op de bankrekening met nummer [2] op het moment van opheffing van de bankrekening;

- de aandelen van [M] Holding B.V.;

- de vordering op zijn moeder;

- de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a];

- de inboedel van de woning te [b];

aan de vrouw is toegescheiden:

- de helft van het saldo op de bankrekening met nummer [1] op het moment van opheffing van de bankrekening;

- de helft van het saldo op de bankrekening met nummer [2] op het moment van opheffing van de bankrekening;

- de aandelen van [I] Media B.V.;

- de auto Ford Focus;

- de auto Chevrolet Transport;

- de vordering op haar ouders;

- de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a].

voorts is bepaald:

- dat ieder van partijen de helft van de eventueel na verkoop van de echtelijke woning resterende hypothecaire schuld als eigen schuld dient te voldoen;

- dat de vrouw er voor zorg dient te dragen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de […] te [a] wordt verkocht;

- dat de man een bedrag van € 10.681,76 (tienduizend zeshonderdeenentachtig euro en zesenzeventig eurocent) aan de vrouw dient te voldoen;

- dat partijen krachtens voormelde verdeling over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

3.2. De man verzoekt de bestreden (tussen)beschikkingen geheel of gedeeltelijk te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de man als in zijn appelschrift nader omschreven in sub 51, 53, 54, 56, 57, 58, 59, 65, 66, 67 en 72 toe te wijzen onder compensatie van de kosten.

3.3. De vrouw verzoekt primair de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair verzoekt zij de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van onderhavige procedure.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De man heeft zes grieven tegen de bestreden beschikkingen aangevoerd. Deze grieven handelen – kort gezegd – over een aanslag dividendbelasting van € 46.000,-, een latente belastingclaim indien partijen hun schuld aan de besloten vennootschap [M] B.V. na verkoop van de voormalig echtelijke woning niet kunnen aflossen, de eventuele bestuurdersaansprakelijkheid van de man in het faillissement van [E] N.V., de verrekening van een aantal bedragen en de (waarde van de) inboedel van de voormalig echtelijke woning die bewoond wordt door de vrouw. Het hof zal deze grieven en de daarmee samenhangende verzoeken achtereenvolgens beoordelen. Van belang bij die beoordeling is dat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, welke gemeenschap op 24 augustus 2009 is ontbonden.

4.2. De man is directeur-grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [M] B.V. (hierna: [M]). In 2008 en 2009 hebben partijen zodanige uitkeringen uit [M] ontvangen dat de rekening-courantschuld aan [M] tot fiscaal onaanvaardbare hoogte was gestegen. Op grond daarvan heeft [M] een dividenduitkering gedaan van € 460.000,- waardoor de rekening-courant schuld werd vereffend. Deze dividenduitkering had tot gevolg dat partijen – althans de gemeenschap en niet alleen de man zoals de vrouw stelt – over de uitkering 25% dividendbelasting dienden te betalen. Bij de aangifte dividenduitkering is 15% daarvan direct betaald. Er resteert nog een bedrag te betalen van € 46.000,-. De man stelt met juistheid dat deze schuld een gemeenschapsschuld is die door partijen, ieder voor de helft, gedragen dient te worden. De rechtbank heeft in de beschikking van 4 april 2012 dan ook ten onrechte het verzoek van de man te bepalen dat de dividendbelasting een gemeenschapsschuld is, afgewezen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen hangt dit verzoek geenszins samen met het (andere) verzoek van de man aan de rechtbank de aandelen in [M] tegen een waarde van nihil aan hem toe te delen. Het hof zal het verzoek van de man dan ook toewijzen.

4.3. De man heeft in dit kader ook nog primair verzocht de vrouw te bevelen een bedrag van € 230.000,- in haar aangifte inkomstenbelasting 2011 op te nemen ter zake de dividenduitkering. Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat, indien en voor zover hij de volledige aanslag dividendbelasting krijgt opgelegd, hij voor de helft daarvan een regresvordering op de vrouw heeft. Tot slot verzoekt hij een verklaring voor recht dat hij zijn (toekomstige) vorderingen op dit punt met de vrouw kan verrekenen met de eventueel door hem aan haar verschuldigde alimentatietermijnen en met de aan haar, als directeur-grootaandeelhouder van [M] en in privé, verschuldigde toekomstige pensioentermijnen nadat de te wijzen beschikking in kracht van gewijsde is gegaan en hij voor betaling van schulden die geheel voor rekening van de vrouw zijn, heeft zorg gedragen.

4.4. De man heeft verklaard dat hij in zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 eveneens een dividenduitkering heeft opgenomen van € 230.000,-. Indien de fiscus deze aangifte accepteert en aan de man onder meer op basis van deze uitkering een aanslag oplegt, zal de fiscus, wetende dat in totaal aan partijen een dividenduitkering van € 460.000,- is gedaan, de aangifte van de vrouw over 2011 bijstellen in die zin dat met de dividenduitkering rekening zal worden gehouden en ook aan haar een aanslag zal worden opgelegd. Het hof ziet dan ook in het kader van de onderhavige verdeling geen aanleiding de vrouw te bevelen dat zij de dividenduitkering in haar aangifte inkomstenbelasting 2011 dient op te nemen. Wel zal het hof bepalen dat, indien en voor zover de fiscus de aanslag dividendbelasting volledig aan de man zal opleggen en dus de aangifte van de man zal aanpassen, hij voor de helft van het alsdan door hem verschuldigde en betaalde bedrag regres heeft op de vrouw, nu de dividendbelasting een gemeenschapsschuld is zoals hiervoor overwogen. Dat de man zich alsdan op verrekening kan beroepen jegens de vrouw blijkt uit het bepaalde in artikel 6:127 BW. Het is niet noodzakelijk daarvoor een verklaring voor recht af te geven, zodat dit verzoek van de man zal worden afgewezen.

4.5. In [M] heeft de man pensioen in eigen beheer opgebouwd. Daarnaast heeft [M] aan partijen bij de aankoop en verbouwing van de voormalig echtelijke woning (hierna: de woning) een lening verstrekt van € 200.000,-. Voorts zijn er door Van Lanschot bankiers en Fortis (thans ASR) hypothecaire leningen verstrekt voor de woning tot een bedrag van € 1.104.579,12. De woning staat al enige tijd te koop. Indien de verkoopopbrengst zodanig zal zijn dat met die opbrengst niet alle leningen zullen kunnen worden afgelost, zal [M] haar lening of een deel daarvan moeten afwaarderen als gevolg waarvan het risico zich dan voor kan doen dat de pensioenaanspraken niet langer verwezenlijkt kunnen worden, hetgeen voor de fiscus aanleiding kan zijn te stellen dat de pensioenaanspraak van partijen feitelijk voorwerp van zekerheid is geworden, hetgeen een verboden handeling is. De sanctie daarop is dat over de volledige commerciële waarde ineens inkomstenbelasting wordt verschuldigd tegen het progressieve tarief. Daarboven is er dan revisierente verschuldigd van in beginsel 20% over de waarde in het economisch verkeer van de gehele pensioenaanspraak. Mr. F.H. van de Kamp, bij wie de man omtrent deze materie advies heeft ingewonnen, heeft, omdat eerst duidelijk zal worden of dit fiscale risico zich zal verwezenlijken op het moment van verkoop van de woning, dan ook geadviseerd (de aandelen in) [M] onverdeeld te laten tot het moment van verkoop van de woning. De man heeft – zo begrijpt het hof – zijn verzoek in eerste aanleg met betrekking tot de toedeling van de aandelen [M] zodanig gewijzigd dat hij in hoger beroep toedeling verzoekt zonder verrekening van enige waarde van die aandelen per datum verkoop van de woning. Hij verzoekt voorts te bepalen dat deze (eventuele) latente belastingclaim een gemeenschapsschuld is.

4.6. De stelling van de vrouw is dat een pensioen in eigen beheer niet in de gemeenschap van goederen valt, zodat deze latente belastingclaim nimmer een gemeenschapsschuld kan zijn. Deze stelling is onjuist. Er is indien het fiscale risico zich verwezenlijkt, wel degelijk sprake van een gemeenschapsschuld die zijn grondslag vindt in de omstandigheid dat [M] aan partijen geld heeft geleend voor de koop en verbouwing van de woning. Nu partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd is de vrouw naast de man aansprakelijk voor de betaling van deze schuld. Indien partijen dat niet kunnen omdat de verkoopopbrengst van de woning daarvoor niet voldoende is, is het gevolg dat de pensioenen wellicht niet uitgekeerd kunnen worden met het risico van een fiscale claim zoals onder 4.5 omschreven. Die fiscale claim heeft dan niet zijn oorsprong in het pensioen, maar in de omstandigheid dat partijen vermogen uit [M] hebben onttrokken dat voor pensioenen is gereserveerd, waarop de fiscus een sanctie kan toepassen. Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat deze latente belastingclaim een gemeenschapsschuld is toewijzen.

4.7. Gelet op de huidige moeilijke woningmarkt is het risico dat de man schetst niet denkbeeldig. Het hof is van oordeel dat het belang dat de man heeft bij het voorlopig onverdeeld laten van de aandelen in [M] en de bankrekening [1] aanmerkelijk groter is dan de belangen bij onmiddellijke verdeling. Op de voet van artikel 3:178 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) zal het hof de verdeling van de aandelen in [M] en de bankrekening uitsluiten tot de woning is verkocht, doch voor ten hoogste drie jaren. Dat betekent dat de beschikking van 4 april 2012 zal worden vernietigd voor zover daarin de aandelen van [M] aan de man zijn toegedeeld.

4.8. Het verzoek van de man onder 51 van zijn appelschrift de woning met de daarop rustende hypothecaire schulden onverdeeld te laten alsmede de met de hypothecaire leningen verbonden verzekeringspolissen, behoeft geen bespreking nu de rechtbank deze vermogensbestanddelen en schulden niet in de verdeling heeft betrokken.

4.9. De man is vanaf 1 november 2008 als CFO in dienst getreden van de naamloze vennootschap [E] N.V. (hierna: [E]). [E] is op 12 juni 2009 in staat van faillissement verklaard. De curatoren hebben een onderzoek gestart en de man aansprakelijk gesteld. De man verzoekt het hof te bepalen dat de eventuele schadevergoedingsclaim die hij in de toekomst zal moeten betalen een gemeenschapsschuld is. De vrouw stelt dat de schuld verknocht is aan de man en derhalve een schuld van de man is en geen gemeenschapsschuld, dan wel dat de vrouw op grond van de redelijkheid en billijkheid niet gehouden kan worden mee te betalen aan deze schuld omdat de man eerst na het feitelijk uiteengaan van partijen in dienst is getreden bij [E].

4.10. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de eventuele schadevergoedingsclaim als verknocht en derhalve als een privé schuld van de man dient te worden aangemerkt. Partijen woonden weliswaar tijdens het dienstverband van de man bij [E] niet meer samen, dat neemt niet weg dat de aan de huwelijksgoederengemeenschap van partijen verbonden kosten, waaronder die verbonden aan de woning en de diverse verzekeringspolissen, mede werden betaald uit het inkomen dat de man bij [E] genoot. Indien de schuld zich realiseert, is dit een gemeenschapsschuld. Onder genoemde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding te bepalen dat de schuld op grond van de redelijkheid en billijkheid alleen voor rekening van de man dient te komen. Het verzoek van de man zal dan ook worden toegewezen.

4.11. De man heeft sinds het uiteengaan van partijen gedetailleerd bijgehouden welke inkomsten en uitgaven van partijen als gemeenschappelijk zijn te beschouwen. Hij heeft daartoe een overzicht van bezittingen en schulden opgesteld, vanaf 1 augustus 2008. De vrouw ontkent weliswaar dat partijen deze peildatum zijn overeengekomen, dat neemt niet weg dat partijen vanaf die datum gescheiden huishoudens zijn gaan voeren en per die datum ieder hun eigen bankrekening zijn gaan beheren. Daarnaast bestonden er twee gemeenschappelijke rekeningen waarvan gemeenschapsschulden werden voldaan en waarop gemeenschapsinkomsten werden ontvangen. Met juistheid stelt de man derhalve dat de vrouw hem een tweetal bedragen dient te vergoeden, te weten een bedrag van € 5.946,- dat volgt uit het overzicht van bezittingen en schulden en een bedrag van € 1.037,-, zijnde de helft van de door de vrouw in privé ontvangen belastingteruggaaf over 2007

4.12. De man heeft vóór de echtscheiding een tweetal polissen met nummers L30393594 en L40038273 bij de Postbank afgekocht en daarvoor een bedrag van € 11.291,22 ontvangen. De rechtbank heeft in de beschikking van 4 april 2012 overwogen dat hij de helft van dit bedrag, te weten € 5.645,61, aan de vrouw dient te vergoeden. De man komt in zoverre terecht op tegen deze overweging, omdat uit het hiervoor genoemde overzicht en de daarbij behorende bankafschriften blijkt dat de man weliswaar genoemd bedrag heeft ontvangen, maar dat hij dit, omdat het een gemeenschapsbate betrof, deels heeft aangewend voor de betaling van gemeenschappelijke kosten en (voor het overige) heeft gestort op de gemeenschappelijke rekening van partijen, zodat dit bedrag reeds aan de gemeenschap ten goede is gekomen. Indien de rechtbank zou worden gevolgd zou de man een bedrag van € 5.645,61 dubbel aan de vrouw betalen. De conclusie van het voorgaande is dat de man uit hoofde van de afkoop van deze polissen niets meer aan de vrouw is verschuldigd. .

4.13. De vrouw is directeur-grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [I] Media B.V. (hierna: [I]). De man verzoekt de vrouw te veroordelen mee te werken aan het verlijden van een notariële akte op haar kosten ten overstaan van een door het hof aan te wijzen notaris, waarin uiterlijk binnen één maand na de te geven beschikking de door hem gehouden aandelen in [I] aan de vrouw worden geleverd tegen een vergoeding van nihil en onder bepaling dat partijen terzake van de verdeling van [I] niets meer van elkaar te vorderen hebben, over en weer kwijting verlenen en afstand doen van het recht ontbinding van de overeenkomst te vorderen, op straffe van een dwangsom. De vrouw stelt dat er geen reden is een dwangsom op te leggen omdat zij heeft toegezegd te zullen meewerken aan toedeling van de aandelen in [I] aan haar. Zij heeft daartoe nog geen stappen ondernomen omdat zij verwacht dat tussen partijen een convenant zal worden opgesteld waarin zal worden bepaald ten overstaan van welke notaris de aktes zullen worden gepasseerd. Zij gaat ervan uit dat partijen tevens afspreken op welke termijn een en ander zal plaatsvinden.

4.13. De rechtbank heeft de aandelen in [I] bij beschikking van 4 april 2012 aan de vrouw toegedeeld. Het ligt voor de hand dat deze toedeling wordt geëffectueerd nu de vrouw tegen deze toedeling niet in hoger beroep is gekomen. Het enkele feit dat de vrouw verwacht dat tussen partijen een convenant zal worden opgesteld waarin een en ander zal worden geregeld, is onvoldoende reden om de vordering van de man af te wijzen. De man heeft er belang bij dat zijn aandeelhouderschap eindigt en dat zijn aandelen aan de vrouw worden geleverd tegen een waarde van nihil. Het hof zal de vordering van de man in zoverre toewijzen dat het hof de vrouw zal veroordelen tot medewerking aan het verlijden van een notariële akte binnen één maand na de onderhavige beschikking. Het hof ziet, gelet op de houding van de vrouw, aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden van € 100,- per dag voor iedere dag dat de vrouw haar medewerking aan toedeling weigert, met een maximum van € 5.000,-.. Het hof zal bepalen dat de kosten van deze akte door beide partijen voor gelijke delen gedragen dienen te worden. De aandelen in [I], maar ook die in [M], zijn gemeenschappelijk. Reeds op die grond zullen de kosten van de levering van de aandelen in [I] aan de vrouw en na verkoop van de woning de levering van de aandelen in [M] aan de man, door partijen gezamenlijk, ieder voor gelijke delen, gedragen moeten worden. Dat partijen bij die leveringen zullen verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar over en weer kwijting verlenen, ligt voor de hand, maar is aan de transporterende notaris om vast te leggen. Er is voor het hof geen aanleiding dat onderdeel van het verzoek toe te wijzen.

4.14. De zesde grief van de man betreft de inboedel aanwezig in de voormalig echtelijke woning die sinds augustus 2008 nog uitsluitend door de vrouw (en de twee dochters) wordt bewoond. Omdat partijen niet tot overeenstemming konden komen over de verdeling c.q. de waarde van de inboedel heeft de rechtbank in de eindbeschikking bepaald dat de vrouw er voor zorg dient te dragen dat de inboedel van de woning te [a] wordt verkocht en dat aan beide partijen de helft van de verkoopopbrengst toekomt. Aan de inboedel die zich in de woning van de man aan de […] te [b] bevond heeft de rechtbank een waarde toegekend van € 10.250,-,- en dit bedrag in de verdeling betrokken. De man stelt dat de inboedel in de woning die de vrouw bewoont aanzienlijk meer waard is en verzoekt het hof aan de inboedel een waarde toe te kennen van € 40.000,-, althans een redelijke door het hof te bepalen waarde per datum feitelijk uiteengaan van partijen van tenminste € 20.000,-, dan wel tenminste een waarde gelijk aan de door de rechtbank in de verdeling betrokken waarde van de inboedel in de woning van de man van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van de onderhavige beschikking tot de dag der algehele voldoening.

4.15. Het hof acht de door de rechtbank gekozen oplossing ongelukkig. De woning waarin de vrouw thans nog woont zal worden verkocht. De vrouw zal moeten verhuizen. In haar nieuwe woning zal de vrouw inboedel nodig hebben. De vrouw te verplichten alle inboedel in de woning te verkopen acht het hof niet redelijk. Bovendien kan de beslissing van de rechtbank een bron van weer nieuwe problemen en procedures tussen partijen zijn die al zo lang met elkaar procederen. Het had op de weg van de man gelegen zijn stelling dat de inboedel in de woning € 40.000,-, althans € 20.000,-, waard is te onderbouwen, hetgeen hij niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Het hof ziet aanleiding op grond van de redelijkheid en de billijkheid te bepalen dat aan de inboedel waarover de vrouw is blijven beschikken eenzelfde waarde toekomt als aan de inboedel die aan de man is toegedeeld, te weten een waarde van € 10.250,- en zal de inboedel tegen die waarde aan de vrouw toedelen.

4.16. Het verzoek van de man voor recht te verklaren dat hij zijn (toekomstige) vorderingen op de vrouw als omschreven in het appelschrift kan verrekenen met de eventueel door hem aan haar verschuldigde toekomstige alimentatietermijnen en met de aan haar, als DGA van [M] en in privé verschuldigde toekomstige pensioentermijnen indien en voor zover hij voor betaling van de schulden die voor rekening van de vrouw komen, heeft zorg gedragen, wijst het hof onder verwijzing naar het onder 4.4 (slot) van deze beschikking overwogene, af.

4.17. De conclusie van al het voorgaande is dat de beschikking van 4 april 2012 van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover daarin aan de man de aandelen in [M] zijn toegedeeld en de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a]. Voorts voor zover daarin aan de vrouw is toegedeeld de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a] en is bepaald dat de vrouw er voor zorg dient te dragen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de […] te [a] wordt verkocht. Verder zal worden vernietigd de bepaling dat de man een bedrag van € 10.681,76 aan de vrouw dient te voldoen.

De man ontvangt uit de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap een waarde van € 13.497,29 (de aan hem toegedeelde polissen) en de vrouw een waarde van € 13.675,- (de aan haar toegedeelde auto’s). Door deze verdeling is de vrouw overbedeeld. Op grond daarvan dient zij aan de man een bedrag te betalen van € 88,85. Daarnaast dient de vrouw op grond van de onderhavige beschikking aan de man te betalen een bedrag van € 6.983,- (€ 5.946,- + € 1.037,-, r.o. 4.11), Samenvattend betekent het voorgaande dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen van € 7.071,85. De vrouw is over dat bedrag wettelijke rente verschuldigd zodra zij met de betaling van dat bedrag in verzuim is. Het hof ziet aanleiding te bepalen dat de vrouw eerst in verzuim is na veertien dagen nadat de onderhavige beschikking is gewezen, zodat de vrouw voldoende gelegenheid heeft het aan de man verschuldigde te voldoen.

Het voorgaande betekent tevens dat het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw wettelijke rente aan hem verschuldigd is over de waarde van de aan de vrouw toegedeelde inboedel, zal worden afgewezen.

De vrouw zal worden veroordeeld mee te werken aan toedeling middels het verlijden van een notariële akte van de aandelen in [I] tegen een waarde van nihil aan haar binnen één maand na heden, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat zij haar medewerking aan deze veroordeling weigert. Het hof zal bepalen dat beide partijen de helft van de kosten verbonden aan deze toedeling dienen te voldoen. Voorts zal het hof notaris mr. M.J. Meijer, kantoorhoudende te Amsterdam aan de Keizersgracht 695-699 benoemen deze akte verlijden, voor geval partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de in te schakelen notaris.

Het hof zal voor recht verklaren dat de te betalen dividendbelasting 2010 ad € 46.000,- een gemeenschapsschuld is, alsmede de eventueel te betalen inkomstenbelasting en revisierente indien het in [M] opgebouwde pensioen niet zal kunnen worden uitgekeerd tengevolge van de afwaardering van de schuld van partijen aan [M] van € 200.000,-. Voorts zal het hof voor recht verklaren dat eveneens een gemeenschapsschuld is de schuld die zal ontstaan indien de aansprakelijkstelling die de curatoren van [E] naar de man hebben doen uitgaan, zich verwezenlijkt. Het hof zal bepalen dat voor zover de man het aandeel van de vrouw in genoemde schulden voldoet, hij voor dat aandeel regres heeft op de vrouw.

Het hof zal tot slot op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW de verdeling van de aandelen in [M] (tegen een waarde van nihil) uitsluiten tot de woning te [a] is verkocht, doch voor ten hoogste drie jaren.

4.18. Het hof ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling zoals door de vrouw verzocht. Partijen zijn ex-echtgenoten. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

4.19. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2012 onder nummer 441509/FA RK 09-8225 voor zover daarin aan de man de aandelen in [M] Holding B.V. zijn toegescheiden en de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a], aan de vrouw is toegescheiden de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel van de woning te [a], daarin is bepaald dat de vrouw er voor dient zorg te dragen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de […] te [a] wordt verkocht en is bepaald dat de man een bedrag van € 10.681,76 aan de vrouw dient te voldoen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt aan de vrouw toe de inboedel zich bevindende in de woning aan de […] te [a];

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 7.071,85 (zevenduizend éénenzeventig euro en vijfentachtig eurocent) te verhogen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de vrouw mee te werken aan het verlijden van een notariële akte waarin de aandelen in de besloten vennootschap [I] Media B.V. aan haar worden toegedeeld binnen één maand na heden, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 5.000,- voor iedere dag dat de vrouw haar medewerking aan deze veroordeling weigert en benoemt, voor het geval partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de persoon van de transporterende notaris, daartoe notaris mr. M.J. Meijer, kantoorhoudende te Amsterdam aan de Keizersgracht 695-699 (telefoon: 020-5317070);

bepaalt dat de kosten verbonden aan de toedeling van de aandelen in [I] Media B.V. aan de vrouw voor rekening van partijen komen, ieder voor de helft;

sluit op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW de verdeling uit van de aandelen in [M] en de bankrekening [1] tot de woning aan de […] te [a] is verkocht, althans voor ten hoogste drie jaren en bepaalt dat deze aandelen na verkoop van voornoemde woning aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verklaart voor recht dat navolgende schulden gemeenschapsschulden zijn en dat de man, voor zover hij het aandeel van de vrouw in deze schulden zal betalen, tot de helft van het door hem betaalde bedrag regres heeft op de vrouw:

1. de op grond van de aangifte inkomstenbelasting 2010 te betalen dividendbelasting ad € 46.000,-;

2. de eventueel te betalen inkomstenbelasting en revisierente indien het in [M] opgebouwde pensioen niet zal kunnen worden uitgekeerd tengevolge van de afwaardering van de schuld van partijen aan [M] van € 200.000,-;

3. de eventuele schuld die zal ontstaan indien de aansprakelijkstelling die de curatoren van [E] N.V. naar de man hebben doen uitgaan, zich verwerkelijkt;

compenseert de proceskosten van dit hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Driessen - Poortvliet, mr. C.G. Kleene - Eijk en mr. W.J. van den Bergh in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer - Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.