Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0614

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
200.104.336-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het eenhoofdig gezag; ‘b-grond’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Sector familierecht

Uitspraak: 7 augustus 2012

Zaaknummer: 200.104.336/01

Zaaknummer eerste aanleg: 129886 / ES RK 11 726

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. P.G.A. van Leeuwen te Hoorn,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W.E. Groot te Grootebroek.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 26 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 januari 2012 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 129886 / ES RK 11 726.

1.3. De man heeft op 8 mei 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 5 juli 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw D.M. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad).

1.6. De hierna te noemen [kind a] heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Hun huwelijk is op 4 mei 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 januari 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1998 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2007 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

2.2. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, in het kader van de omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen bepaald dat zij afwisselend de ene week op zondag, maandag en dinsdag bij de vrouw zullen verblijven en op woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag bij de man en in de andere week van zondag tot en met woensdag bij de vrouw en op donderdag tot en met zaterdag bij de man. Voorts zullen de kinderen gedurende de helft van de schoolvakanties bij de vrouw verblijven en de andere helft bij de man.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het verzoek van de man bepaald dat hij alleen wordt belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen.

3.2. De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de man hem alleen met de uitoefening van het gezag te belasten, alsnog af te wijzen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij verzoekt de hoofdverblijfplaats van [kind b] bij haar en die van [kind a] bij de man te bepalen, voor zover partijen gezamenlijk met het gezag zullen worden belast.

3.3. De man verzoekt de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De man heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek aangevuld, in die zin dat hij verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, voor zover partijen gezamenlijk met het gezag zullen worden belast.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:251 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het belang van de kinderen zich verzet tegen voortzetting van het gezamenlijk gezag. De vrouw stelt dat de rechtbank het ten onrechte in het belang van de kinderen heeft geacht dat de man alleen met het gezag wordt belast. Hiertoe voert zij aan dat zij niet altijd medicatie nodig heeft, omdat haar ziektebeeld wisselend is. Zij betwist dat de kinderen worden geconfronteerd met een terugval in haar ziekte. Indien zij decompenseert, zal zij direct worden opgenomen en zal de man de volledige zorg voor de kinderen hebben, aldus de vrouw. Voorts acht zij het bezwaarlijk, met name ten aanzien van [kind b], dat zij geen zeggenschap over de kinderen zou hebben, indien de man zou komen te overlijden.

De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de vrouw geen inzicht heeft in haar ziekte en (nog steeds) medicatie nodig heeft. Hij stelt voorts dat de vrouw, wanneer zij decompenseert, zich niet vrijwillig laat opnemen en iedere bemoeienis en hulp weigert. Indien hij niet alleen met het gezag over de kinderen zal zijn belast, kan hij op dat moment niet onmiddellijk ingrijpen in de zorg voor de kinderen wanneer zij overeenkomstig de omgangsregeling bij de vrouw verblijven. De man acht dit niet in het belang van de kinderen. Indien hij zou komen te overlijden, kan de vrouw de rechtbank verzoeken haar met het gezag te belasten, aldus de man.

4.3. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te vernietigen. De Raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen voortzetting van het gezamenlijk gezag.

4.4. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw in de afgelopen jaren meerdere malen krachtens een rechterlijke machtiging is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis naar aanleiding van een psychotische stoornis en dat zij sedert ruim een jaar krachtens een voorwaardelijke rechterlijke machtiging eenmaal per vier weken thuis depotmedicatie krijgt toegediend.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat partijen samen de zorg en opvoeding van de kinderen dragen, wanneer de vrouw niet ziek is. Voorts is gebleken dat partijen met elkaar overleg hebben over de opvoeding van de kinderen, dat voormelde omgangsregeling goed verloopt en dat partijen op zeer geringe loopafstand van elkaar wonen. Anders dan waar de Raad van uit gaat, is naar het oordeel van het hof met name de vraag aan de orde of de belangen van de kinderen zich tegen voortzetting van het gezamenlijk gezag verzetten in de situatie dat de vrouw een terugval heeft in haar psychiatrische problematiek. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep hebben zich in het verleden meerdere malen gebeurtenissen voorgedaan die – veelal na tussenkomst van de politie – tot voormelde gedwongen opnames van de vrouw in een psychiatrisch ziekenhuis hebben geleid. Aan deze opnames lag blijkens de desbetreffende beschikkingen van de rechtbank onder meer ten grondslag dat de veiligheid van de kinderen wegens de stoornis van de geestvermogens van de vrouw niet kon worden gewaarborgd. Volgens de man en blijkens een brief van 18 maart 1999 van de behandelend psychiater van de vrouw in het Westfries Gasthuis is de vrouw destijds door de politie naar de (huidige) Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: GGZ) gebracht, omdat zij ’s avonds laat met [kind a], die toen vier maanden oud was, op straat verbleef op zoek naar geneeskundige hulp in de veronderstelling dat [kind a] ernstig ziek was. Voorts stelt de man dat de vrouw enkele jaren later, in 2003 of 2004, samen met [kind a] vlak langs het spoor is gaan lopen, waarna zij door de Nederlandse Spoorwegen aan de politie zijn overgedragen. De vrouw heeft deze gebeurtenissen niet betwist.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof voorts voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft in haar ziekte en in de gevaren die een terugval in haar psychiatrische problematiek voor zichzelf en voor anderen kan meebrengen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vrouw eerst in 2011 vrijwillig is gaan meewerken aan haar behandeling en dat zij daarvoor steeds gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Voorts volhardt de vrouw in haar standpunt dat zij niet altijd medicatie nodig heeft en heeft zij ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij voornemens is met haar medicatie te stoppen.

Het hof acht voorts van belang dat de man ter zitting in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat een terugval van de vrouw in haar psychiatrische problematiek zich acuut aandient en zeer heftig kan zijn en dat op dat moment onmiddellijk dient te worden gehandeld. De stelling van de man dat in een dergelijke situatie de hulpverlening van GGZ of Stichting Bureau Jeugdzorg niet kan worden afgewacht, acht het hof gelet op voormeld ziekteverloop voldoende aannemelijk geworden, temeer omdat de vrouw onvoldoende inzicht heeft in haar ziekte. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de vrouw de stelling van de man dat het drie weken heeft geduurd alvorens zij de laatste keer werd opgenomen, niet heeft betwist.

Gelet op het vorenstaande en mede gezien de nog jonge leeftijd van [kind b] is het hof van oordeel dat de man in de situatie dat de vrouw een terugval in haar psychiatrische problematiek heeft en de kinderen overeenkomstig de omgangsregeling bij haar verblijven, onmiddellijk uitvoering moet kunnen geven aan zijn gezag en moet kunnen ingrijpen in de opvoedingssituatie van de kinderen alsmede in staat moet zijn de noodzakelijke maatregelen te treffen. Het hof acht het derhalve, evenals de rechtbank, in het belang van de kinderen noodzakelijk om de man alleen met het gezag over hen te belasten.

Dit laat onverlet dat de vrouw – naar door de man uitdrukkelijk wordt erkend – goed voor de kinderen zorgt wanneer zij niet ziek is. De vrees van de vrouw dat zij geen zeggenschap over de kinderen zal hebben indien de man zou komen te overlijden, acht het hof gelet op het bepaalde in artikel 1:253g BW ongegrond.

4.5. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking, voor zover de man daarbij alleen met het gezag over de kinderen is belast, bekrachtigen. Hieruit volgt dat het verzoek van de vrouw alsmede het verzoek van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, zoals hiervoor respectievelijk onder 3.2 en onder 3.3 weergegeven, geen verdere bespreking behoeven.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij de man alleen met het gezag over de kinderen is belast;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen Gunst, R.G. Kemmers en C.A. Joustra in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2012.