Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0133

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.094.566-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot herroeping van arrest van het hof afgewezen. Geen sprake van stukken van beslissende aard die door de wederpartij moedwillig zijn achtergehouden. Overige stukken niet van beslissende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [ Eiser sub 1 ] en

2. [ Eiser sub 2 ],

beiden wonende te [ woonplaats ],

EISERS TOT HERROEPING,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[ Gedaagde ],

wonende te [ woonplaats ],

GEDAAGDE TOT HERROEPING,

advocaat: mr. A.J.J. van der Heiden te Den Helder.

1. Het procesverloop

De partijen worden hierna (ook) [ Eiser sub 1 ], [ Eiser sub 2 ] respectievelijk [ Eisers ] en [ Gedaagde ] genoemd.

Op 12 september 2011 hebben [ Eisers ] [ Gedaagde ] gedagvaard voor dit hof. Bij deze dagvaarding hebben [ Eisers ] gevorderd – kort gezegd, en naar het hof begrijpt - dat het hof zijn arrest dat tussen partijen is gewezen op 11 mei 2010 onder zaaknummer 200.020.028/01 zal herroepen en het geding zal heropenen en, opnieuw rechtdoende, de vonnissen van de rechtbank Alkmaar, tussen partijen gewezen op 11 juli 2007 en 23 juli 2008 met zaak/rolnummer 92815 / HA ZA 07-65, zal vernietigen en de vorderingen van [ Eisers ] alsnog zal toewijzen en de vorderingen van [ Gedaagde ] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [ Gedaagde ] in de kosten van alle instanties, met rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Daarbij hebben [ Eisers ] bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht.

Bij conclusie van antwoord heeft [ Gedaagde ] de stellingen van [ Eisers ] bestreden, bewijs aangeboden en onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [ Eisers ] in de kosten van het geding.

Partijen hebben hun wederzijdse standpunten nader toegelicht bij conclusies van repliek en dupliek, waarbij [ Eisers ] nogmaals bewijs hebben aangeboden.

Op 14 juni 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [ Eisers ] door mr. J.C. Brouwer, advocaat te Opmeer, Hoogendijk door mr. Van der Heiden voornoemd, beiden aan de hand van pleitnotities. Bij die gelegenheid zijn door [ Eisers ] bij akte verdere bescheiden in het geding ¬ge¬bracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.1. [ Gedaagde ] heeft sinds maart 1960 in eigendom (aanvankelijk in mede-eigendom) het perceel gelegen aan de [ adres ]. [ Eisers ] hebben sedert 1969 in eigendom het aangrenzende perceel gelegen aan de [ adres ].

2.1.2. Partijen zijn verdeeld over de loop van de eigendomsgrens tussen hun beider percelen. [ Eisers ] stellen zich op het standpunt dat de eigendomsgrens tussen de beide percelen in overeenstemming is met de kadastrale grens. In dat verband heeft [ Eiser sub 1 ] in 2006, nadat hij het kadaster had verzocht de kadastrale grens opnieuw te reconstrueren, de erfafscheiding alsmede struiken, heesters, een boom en een trap van [ Gedaagde ] geheel of gedeeltelijk verwijderd. [ Gedaagde ] voert op haar beurt aan dat zij een gedeelte van het perceel waarvan [ Eisers ] stellen eigenaar te zijn, in eigendom heeft verkregen door verkrijgende verjaring. [ Eisers ] hebben daarop verklaringen voor recht gevorderd die erop neerkomen dat zijn standpunt juist is en dat van [ Gedaagde ] onjuist. [ Gedaagde ] heeft vergoeding gevorderd van schade, op te maken bij staat.

2.1.3. De rechtbank heeft op 7 juni 2007 een descente gehouden ter plaatse van de beide percelen en heeft haar constateringen vastgelegd in een proces-verbaal. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 11 juli 2007 [ Gedaagde ] toegelaten feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat zij de betwiste strook grond sinds 1960 in gebruik heeft en/of dat gedurende die periode steeds sprake is geweest van een erfafscheiding op de door haar aangegeven erfgrens. De rechtbank heeft vervolgens getuigen aan beide zijden gehoord. Bij eindvonnis van 23 juli 2008 heeft de rechtbank onderscheid gemaakt tussen twee onderdelen van de betwiste strook grond en geconcludeerd dat het bewijs niet was geleverd ten aanzien van de strook grond achter de woning langs, maar wel ten aanzien van de strook grond dwars op de woning. De rechtbank heeft overwogen dat ten gevolge van de verkrijgende verjaring de betwiste strook grond goeddeels in eigendom is overgegaan van [ Eisers ] op [ Gedaagde ] en heeft daarop de vorderingen van [ Eisers ] afgewezen. Bovendien heeft zij [ Eisers ] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat voor het herstel van de erfafscheiding, bomen, planten, heesters en stenen trap.

2.1.4. [ Eisers ] zijn van de vonnissen van de rechtbank in hoger beroep gekomen. In hoger beroep heeft het hof bij het thans voor herroeping voorgedragen arrest van 11 mei 2010 de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, samengevat en voor zover voor deze herroepingsprocedure van belang, het volgende overwogen.

2.1.5. Waar [ Eisers ] aanvoeren dat [ Eiser sub 1 ] in 1973 de erfafscheiding heeft verwijderd, onder verwijzing naar een brief van [ Gedaagde ] aan de gemeente van 8 april 1973, overwoog het hof dat voorzover [ Eisers ] het oog hebben op de strook grond achter de woning langs, de rechtbank [ Gedaagde ] niet geslaagd heeft geacht in haar bewijslevering en voor zover zij het oog hebben op de strook grond dwars op de woning, zij geen argumenten hebben aangevoerd die aanleiding geven anders te oordelen dat de rechtbank heeft gedaan. In het bijzonder geven deze argumenten volgens het hof geen aanleiding tot twijfel over hetgeen de getuigen ([ X ], [ Y ], [ Z ] en [ A ]) hebben verklaard omtrent de aanwezigheid van een afrastering/hek “vanaf een punt aan de bovenzijde van de trap tot achterin de tuin”(eindvonnis onder 2.6, blz 6).

2.1.6. Ook de inhoud van een brief van [ L ] aan Burgemeester en Wethouders van 11 februari 1974 waarop [ Eisers ] zich beroepen, doet volgens het hof geen afbreuk aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen, omdat (ook) dit gaat om de strook grond achter de woning langs en de rechtbank daaromtrent geen verjaring heeft aangenomen.

2.1.7. (De passages in) het bezwaarschrift van [ Gedaagde ] van 2 december 2004 bij de gemeente acht het hof te weinig specifiek om afbreuk te kunnen doen aan de conclusie van de rechtbank dat de strook grond dwars op de woning sinds 1 januari 1993 door voltooide verjaring eigendom is van [ Gedaagde ].

2.1.8. Voor wat betreft de getuigenverklaringen van de dochters van [ Gedaagde ], [ X ] en [ Y ], overwoog het hof nog dat aanvullend bewijs voorhanden is (in het bijzonder de constateringen van de rechtbank bij de descente en de foto’s) dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat het de verklaringen van bedoelde getuigen voldoende geloofwaardig maakt.

2.2 In het onderhavige geding vorderen [ Eisers ] dat het arrest van 11 mei 2010 wordt herroepen. Zij leggen daaraan ten grondslag dat (1) [ Gedaagde ] in de procedure die tot dat arrest heeft geleid bedrog heeft gepleegd en (2) [ Eisers ] na de procedure stukken van beslissende aard in handen hebben gekregen die door toedoen van [ Gedaagde ] waren achtergehouden.

2.2.1. Voor wat betreft het beweerdelijke bedrog voeren [ Eisers ] aan dat de aan de zijde van [ Gedaagde ] gehoorde getuigen meineed hebben gepleegd. Zij hebben volgens hen in strijd met de waarheid verklaard dat – samengevat - het hek met het gaas er “altijd” heeft gestaan, dat het hek tot vorig jaar (2006) “nooit” is weggehaald, c.q. dat de situatie ter plekke tot vorig jaar (2006) “altijd ongewijzigd is gebleven”.

2.2.2. Dat de getuigen hierover onder ede hebben gelogen blijkt volgens [ Eisers ] uit stukken die zij medio juni 2011 van de gemeente Den Helder hebben mogen ontvangen. Het betreft volgens hen de volgende stukken, die zij als van beslissende aard karakteriseren en welke [ Gedaagde ] moedwillig zou hebben achtergehouden:

1. Brief van [ L ] (ambtenaar gemeente Den Helder) aan de Burgemeester en wethouder van stadsontwikkeling d.d. 11 februari 1974;

2. Brief van de Politie Noord Holland Noord aan [ Eiser sub 1 ] d.d. 21 september 1998;

3. Bezwaarschrift d.d. 16 juli 2003 van de erven van [ V ];

4. Bezwaarschrift d.d. 24 juli 2003 van mevrouw [ X ], dochter van mevrouw [ Gedaagde ];

5. Brief d.d. 23 november 1983 van Grondbedrijf Den Helder aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Helder;

6. Bezwaarschrift d.d. 2 december 2004 van [ Gedaagde ].

2.3 Het hof constateert dat het onder 1 genoemde stuk als productie 4 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. Reeds daarom faalt het betoog dat [ Eisers ] het stuk na het arrest in handen hebben gekregen en dat het zou zijn achtergehouden. Bovendien heeft het hof in r.o. 2.8. van het arrest van 11 mei 2010 uitdrukkelijk acht geslagen op dat document en overwogen als hiervoor onder 2.1.6. vermeld. Van beslissende aard is het stuk daarom evenmin.

2.4 Het hof constateert dat het onder 2 genoemde stuk als productie 6 bij inleidende dagvaarding van 12 januari 2007 alsmede als productie 4 bij memorie van antwoord in het geding is gebracht. Ook over dit stuk beschikten [ Eisers ] derhalve reeds voor het bestreden arrest.

2.5 Het hof constateert ten slotte dat het onder 6 genoemde stuk als productie 6 bij memorie van grieven in het geding is gebracht. Reeds daarom faalt het betoog dat [ Eisers ] het stuk na het arrest in handen hebben gekregen en dat het zou zijn achtergehouden. Bovendien heeft het hof in r.o. 2.10 van het arrest van 11 mei 2010 uitdrukkelijk acht geslagen op dat document en overwogen als hiervoor onder 2.1.7 vermeld. Van beslissende aard is het stuk daarom evenmin.

2.6 Voor wat de onder 3 en 4 genoemde stukken betreft hebben [ Eisers ], tegenover de stelling van [ Gedaagde ] dat deze stukken wegens gebrek aan belang (immers betrekking hebbend op een ander gedeelte van het perceel dan waar het geding op betrekking heeft) niet in het geding zijn gebracht, onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat deze stukken van beslissende aard zijn. Bovendien heeft te gelden dat de rechtbank heeft geoordeeld, en het hof heeft bekrachtigd, dat voor zover [ Gedaagde ] door voltooide verjaring een gedeelte van het perceel in eigendom heeft verkregen, dit sinds 1 januari 1993 het geval is. Niet valt in te zien waarom de door [ Eisers ] uit die stukken geciteerde passages, die reppen over “voorafgaande illegale afgraafwerkzaamheden” en het feit dat bij [ Gedaagde ] “haar erfafscheiding door de heer [ Eiser sub 1 ] werd verwijderd”, voor die beslissing van beslissende aard zouden zijn nu aan deze citaten geen tijdsaanduiding is verbonden en de stukken uit 2003/2004 dateren.

2.7 Het onder 5 genoemde stuk ten slotte heeft kennelijk betrekking op een voorgenomen verwerving door de gemeente van gronden die onder andere aan [ Eisers ] en [ Gedaagde ] toebehoorden. [ Eiser sub 1 ] kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat uit de passage in het stuk die luidt “Na de verkoop plaatst de gemeente een hek als erfafscheiding” volgt, dat er geen erfafscheiding heeft gestaan tussen de percelen van [ Eisers ] en [ Gedaagde ] op de plaats die onderwerp is van dit geding. Reeds daarom kan dit ook dit stuk niet worden aangemerkt als een stuk van beslissende aard.

2.8 Nu geen van de stukken als zodanig aan de eisen van artikel 382 onder c Rv voldoet, vermag het hof niet in te zien waarom dat anders zou zijn als de stukken in hun onderlinge samenhang worden bezien, zoals [ Eisers ] bij gelegenheid van het pleidooi hebben betoogd. Ten slotte overweegt het hof nog dat de uit bovengenoemde stukken blijkende omstandigheden waarop [ Eisers ] zich beroepen, alle reeds tijdens de procedure bij de rechtbank en bij het hof bij hen bekend waren.

2.9 [ Eisers ] kunnen niet worden gevolgd in hun stelling dat door [ Gedaagde ] bedrog zou zijn gepleegd. Ook indien de door haar voorgebrachte getuigen onder ede een valse verklaring zouden hebben afgelegd, volstaat dat op zichzelf nog niet om van bedrog als bedoeld in artikel 382 onder a Rv. te kunnen spreken. Dat zou eerst anders worden indien deze valse verklaringen door [ Gedaagde ] zijn uitgelokt of anderszins bevorderd of indien zij, wetend dat de verklaring vals zijn, niettemin daarvan in het geding gebruik zou hebben gemaakt, omdat haar dan kan worden verweten dat zij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden (HR 4 oktober 1996, LJN ZC2162, NJ 1998, 45). Nu [ Eisers ] niets hebben gesteld over de betrokkenheid van [ Gedaagde ] bij de beweerdelijk valse verklaringen, wordt hun beroep op bedrog reeds op die grond verworpen. Ten overvloede overweegt het hof dat onvoldoende aannemelijk is dat de getuigen (opzettelijk) valse verklaringen hebben afgelegd. Dat een hek of erfafscheiding “altijd” aanwezig was, c.q. dat die situatie “nooit” is veranderd, kan immers in het normale spraakgebruik ook op de situatie doelen dat een hek of erfafscheiding, zoals uit door [ Eisers ] in deze herroepingsprocedure naar voren gebrachte stukken kan volgen, tijdelijk verwijderd is geweest en binnen korte tijd weer is teruggeplaatst.

3. Slotsom en kosten

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de door [ Eisers ] genoemde gronden voor herroeping zich voordoen. De vordering zal worden afgewezen. [ Eisers ] zullen, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de herroepingsprocedure.

4. Beslissing

Het hof:

wijst de vordering af;

veroordeelt [ Eisers ] tot betaling van de proceskosten van de herroepingsprocedure en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [ Gedaagde ] gevallen, op € 284,-- wegens verschotten en € 2.682,-- aan kosten advocaat;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, W.J. Noordhuizen en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 juli 2012 door de rolraadsheer.