Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9882

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
11-00608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uniforme toepassing taxatiekosten. Anders dan de rechtbank ziet het Hof geen redenen af te wijken van de verklaring van belanghebbende ter zitting bij de rechtbank dat er uiteindelijk acht uren zijn besteed aan het taxatierapport, te minder nu er sprake is van drie woningen en de heffingsambtenaar het aantal uren niet heeft betwist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2012-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 337
V-N Vandaag 2013/326
Belastingblad 2013/154
V-N 2013/15.23.5

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00608

20 december 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. [A],

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/153 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 21 juli 2011 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 28 februari 2010 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden van de onroerende zaken [a-straat] 65 H, 65 1 en 65 2 te [Q] (hierna: de woningen) voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op respectievelijk € 246.500, € 242.000 en € 293.000. In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2010 (OZB) bekend gemaakt.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken, gedagtekend 7 januari 2011, de beschikkingen en aanslagen gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 21 juli 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de waarden vastgesteld op respectievelijk € 205.000, € 200.000 en € 235.000, de aanslagen OZB dienovereenkomstig verminderd, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 297,50 en gelast dat de heffingsambtenaar het griffierecht vergoedt.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 augustus 2011. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 augustus 2012 heeft de heffingsambtenaar een nader stuk ingediend waarin is aangegeven dat van de zijde van de heffingsambtenaar vrijwel zeker niemand ter zitting zal verschijnen.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt door de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’:

“2.1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woningen.

2.2. Woning 1 is een rez-de-chaussee met tuin en schuur. De oppervlakte van de woning is ongeveer 55m² en de oppervlakte van de tuin is 31m².

2.3. Woning 2 en 3 zijn de boven woning 1 gelegen appartementen. De oppervlaktes van deze woningen zijn respectievelijk 56m² en 72m²”.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.2. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3. Bij brief van 10 juni 2011 heeft [T], als taxateur werkzaam bij Makelaarsgroep [B], namens belanghebbende een nader stuk met taxatietechnische opmerkingen en een aantal bijlagen (hierna: het taxatierapport) ingediend bij de rechtbank.

2.4. In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank is onder meer het volgende vermeld:

“Partijen komen waardes overeen van respectievelijk € 205.000, € 200.000 en € 235.000 (…).

De proceskosten worden door de rechtbank vastgesteld. Als uitgangspunt is dat voor een object 3,5 uur x € 50 wordt aangehouden.

Voor 2011 en latere jaren zal de gemeente voorafgaand aan de aanslagoplegging de voorgenomen waardevaststelling voorleggen aan eiser ter bespreking”.

2.5. Ter zitting in hoger beroep heeft [T] een toelichting op zijn werkzaamheden gegeven en is door de gemachtigde een factuur en een specificatie van die werkzaamheden overgelegd.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in beroep het volgende overwogen:

“4.1 Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de waarde van de woningen vastgesteld dient te worden op € 205.000 (woning 1), € 200.000 (woning 2) en € 235.000 (woning 3). De rechtbank verenigt zich met deze waardering en zal dienovereenkomstig beslissen.

4.2. In geschil is nog de hoogte van de proceskostenvergoeding. Eiseres heeft gevorderd dat de kosten van het op haar verzoek opgestelde taxatierapport aan haar dienen te worden vergoed door verweerder. Zij stelt dat de door haar ingeschakelde makelaar acht uren heeft besteed aan de taxatie en het op schrift stellen van taxatietechnische opmerkingen. Deze acht uren dienen vergoed te worden tegen het maximale forfaitaire tarief van € 81,23, aldus eiseres. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van een deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de Wet tarieven in strafzaken. In artikel 3, eerste lid, onder a, van die wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur tarieven voor de vergoedingen voor werkzaamheden worden vastgesteld. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: Bts) geldt voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur.

4.3.2. De rechtbank is van oordeel dat een taxateur weliswaar een deskundige is zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, maar dat de taxatiewerkzaamheden niet van zodanig wetenschappelijke of bijzondere aard zijn dat daaraan het maximumtarief dient te worden toegekend. Gelet op de inhoud van het overgelegde brief met taxatietechnische opmerkingen en bijlagen, welke algemene beknopte omschrijvingen van de objecten en verwijzingen naar referentieverkopen bevatten ter onderbouwing van de door de taxateur getaxeerde waarde, acht de rechtbank een vergoeding van de kosten tegen € 50 per uur redelijk. Dat bedrag dient nog verhoogd te worden met de omzetbelasting ingevolge het bepaalde in artikel 15 van het Bts. De rechtbank acht daarbij voorts een tijdsbesteding van vijf uren voor het taxeren van drie vergelijkbare, boven elkaar gelegen woningen, redelijk.

4.4. De rechtbank zal ten laste van verweerder een proceskostenvergoeding toekennen aan eiseres voor de taxatiekosten ten bedrage van (5 uren x € 50 x 1,19 =) € 297,50. Overige kosten zijn gesteld noch gebleken”.

4. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de proceskostenvergoeding door de rechtbank terecht is vastgesteld op € 297,50.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In hoger beroep stelt belanghebbende dat de rechtbank de maximale vergoeding voor het taxatierapport had moeten toekennen, zijnde € 81,23 per uur exclusief omzetbelasting, overeenkomstig het aantal gemaakte uren. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding voor de bijstand van de taxateur en zijn juridische adviseur in deze procedure.

6.2. In zijn arrest van 13 juli 2012, 11/02035, LJN: BX0904, heeft de Hoge Raad het volgende geoordeeld over de vergoeding van de kosten van een taxatieverslag van een deskundige:

“4.3.1. Het gaat hier om een geval waarin op verzoek van de belanghebbende een taxatieverslag door een deskundige wordt opgesteld in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure over de waardering van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ.

4.3.2. In een dergelijk geval wordt de vergoeding volgens artikel 1, lid 1, aanhef en letter b, in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Bts 2003). Daarmee geldt een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur "naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn". In artikel 15 van het Bts 2003 is bepaald dat deze bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting die daarvoor is verschuldigd.

4.3.3. Gezien de grondslag van het Bpb in artikel 8:75, lid 1, Awb, gaat het bij de toekenning van een vergoeding voor kosten van een deskundige allereerst erom of sprake is van kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Een belanghebbende die in een geval als hiervoor in 4.3.1 bedoeld ter onderbouwing van zijn standpunt over de waarde van een onroerende zaak een taxatieverslag aan de heffingsambtenaar of de rechter overlegt, zal in het algemeen aan deze eis voldoen. (…)

4.3.4. In een geval als hiervoor in 4.3.1 bedoeld dient te worden vooropgesteld dat de werkzaamheden van de taxateur in het algemeen niet van wetenschappelijke aard zijn. (…)

4.3.5. Wel behoren de werkzaamheden van een taxateur in een geval als hiervoor in 4.3.1 bedoeld te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Bts 2003.

4.3.6. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is.

4.3.7. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de desbetreffende regeling in het Bts 2003 moet worden aanvaard dat ter bepaling van de mate waarin de werkzaamheden van een taxateur van bijzondere aard zijn uitsluitend de aard van de onroerende zaak als maatstaf in aanmerking wordt genomen en dat geen rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur.

4.3.8. Artikel 15 van het Bts 2003 brengt mee dat de hiervoor bedoelde voor vergoeding in aanmerking komende kosten behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar het op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarief. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 15 april 2011, nr. 10/04313, LJN BQ1222, BNB 2011/184)”.

6.3. Met inachtneming van het hiervoor opgenomen arrest van de Hoge Raad, oordeelt het Hof dat het door de rechtbank in aanmerking genomen uurtarief van € 50 exclusief omzetbelasting niet op een te laag bedrag is gesteld. Dit bedrag komt overeen met de richtlijnen als verwoord in de uitspraak van dit Hof van 8 november 2012, 11/00923, LJN BY2756. Het Hof is van oordeel dat de werkzaamheden voor de taxatie van de woningen niet in die mate complex en van bijzondere of wetenschappelijke aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een hoger uurtarief.

6.4. Anders dan de rechtbank ziet het Hof geen redenen af te wijken van de verklaring van belanghebbende ter zitting bij de rechtbank dat er uiteindelijk acht uren zijn besteed aan het taxatierapport, te minder nu er sprake is van drie woningen en de heffingsambtenaar het aantal uren niet heeft betwist.

De kosten van het taxatierapport stelt het Hof op 8 uren x € 50 is € 400, vermeerderd met 19% omzetbelasting, is € 476.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a en b vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en een meegebrachte deskundige.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op € 218,50 (1 punt voor verschijnen ter zitting Hof x 0,5 (wegingsfactor).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van de kosten van de meegebrachte taxateur op € 59,50 (€ 50 x 1 uur, vermeerderd met 19% omzetbelasting).

De totale proceskostenvergoeding in hoger beroep bedraagt € 278.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding betreft;

- gelast de heffingsambtenaar belanghebbende het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112 te vergoeden en

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 754 (€ 476 in beroep en € 278 in hoger beroep).

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter van de belastingkamer, J.P. Kruimel en P.B.M.J. Van der Beek-Gillesen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 20 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.