Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9041

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
200.104.416/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak Ondernemingskamer van 5 december 2012; CORNELIS PRAAMSTRA / DE ORTHOPEDISCHE SCHOENMAKERIJ B.V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0041
RO 2013/22
JONDR 2013/141

Uitspraak

OTEC is OTEC is

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.104.416/02 OK van

CORNELIS PRAAMSTRA,

wonende te Wirdum,

VERZOEKER,

advocaat: mr. O.J. Praamstra, kantoorhoudende te Zoetermeer,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ORTHOPEDISCHE SCHOENMAKERIJ B.V.,

gevestigd te Varsseveld,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. Y.K. van Dijk, kantoorhoudende te Heerenveen,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L. VAN BEKKUM HOLDING B.V.,

gevestigd te Varsseveld,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R.H.P. van de Venne, kantoorhoudende te Zutphen.

1. Het verloop van het geding

1.1 Partijen worden hierna Praamstra, DOS en Van Bekkum Holding genoemd.

1.2 Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 1 juni 2012, 5 juni 2012, 23 oktober 2012 en 27 november 2012 in de zaak met nummer 200.104.416/01.

1.3 Bij de beschikking van 1 juni 2012 heeft de Ondernemingskamer - voor zover thans van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DOS over de periode vanaf 1 januari 2011, en een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Voorts heeft de Ondernemingskamer bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding, Praamstra en Van Bekkum Holding geschorst als bestuurders van DOS, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van DOS, en in die beschikking omschreven aantallen door Praamstra respectievelijk Van Bekkum Holding gehouden aandelen in DOS ten titel van beheer overgedragen aan de hiervoor bedoelde bestuurder.

1.4 Bij de beschikking van 5 juni 2012 heeft de Ondernemingskamer mr. G.W. Breuker te Groningen aangewezen als onderzoeker en J. Korringa te Zuidlaren (hierna Korringa te noemen) aangewezen als bestuurder en beheerder van aandelen, een en ander als bedoeld in 1.3 hiervoor.

1.5 Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 17 september 2012, heeft Praamstra de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

bij wijze van onmiddellijke voorzieningen

a. Korringa te ontheffen uit zijn functie van bestuurder en beheerder van aandelen,

b. een andere persoon als bestuurder en beheerder van aandelen aan te wijzen, en

c. te verbieden dat aan Van Bekkum Holding bezoldiging - onder welke naam dan ook - wordt betaald;

alsmede DOS te veroordelen in de kosten van deze procedure.

1.6 Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 11 oktober 2012, heeft DOS verzocht de verzoeken van Praamstra af te wijzen.

1.7 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 25 oktober 2012. Bij die gelegenheid hebben mr. Praamstra en mr. Van Dijk de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen overgelegde - aantekeningen en wat mr. Praamstra betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.

2. De feiten

2.1 De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten genoemd in r.o. 2.1 tot en met 2.29 van haar beschikking van 1 juni 2012 en voegt daar het volgende aan toe.

2.2 Ten tijde van de mondelinge behandeling op 25 oktober 2012 verkeerde het bij beschikking van 1 juni 2012 bevolen onderzoek in een vergevorderd stadium. Op dat moment had de onderzoeker zijn concept-verslag reeds aan partijen en Korringa toegezonden en hadden Van Bekkum Holding en Korringa reeds op dit concept gereageerd. Het onderzoeksverslag (met bijlagen) is op 27 november 2012 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. Het onderzoeksverslag behoort niet tot de gedingstukken in de onderhavige procedure.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Praamstra heeft aan zijn verzoek kort gezegd de volgende verwijten aan Korringa ten grondslag gelegd, welke verwijten, naar de Ondernemingskamer begrijpt, zijn gericht tegen het functioneren van Korringa als tijdelijk bestuurder en niet tevens tegen diens functioneren als beheerder van de aandelen:

a. Korringa heeft de inzet van R.R. Witteveen (hierna: Witteveen) ten behoeve van DOS niet beëindigd;

b. Korringa heeft toegelaten dat door de werkzaamheden van Witteveen in Deventer aldaar een nevenvestiging van DOS is ontstaan;

c. Korringa heeft Praamstra en L. Vriesema (hierna: Vriesema) ten onrechte verboden werk te verrichten in Deventer;

d. Korringa heeft C.J. Stuijt (hierna: Stuijt) ten onrechte ingezet bij de inning van achterstallige betalingen door debiteuren;

e. Korringa heeft ten onrechte ten laste van DOS managementfee uitgekeerd aan Van Bekkum Holding over de periode april tot en met juni 2012;

f. Korringa heeft ten onrechte (zonder zekerheidstelling te bedingen) ten laste van DOS betalingen gedaan aan Montanis B.V. (hierna: Montanis) voor door Montanis geleverde hulpmiddelen;

g. Korringa heeft ten onrechte ten laste van DOS de advocaatkosten van Van Bekkum Holding voldaan;

h. Korringa heeft L. van Bekkum (hierna Van Bekkum te noemen) ten onrechte het ‘hoofd-account’ van het administratieve softwarepakket Zorg@dmin doen behouden.

3.2 DOS heeft de verwijten van Praamstra bestreden, mede aan de hand van een door Korringa opgesteld verslag van 8 oktober 2012 van zijn werkzaamheden als bestuurder van DOS. De Ondernemingskamer zal voor zover nodig hieronder ingaan op het verweer van DOS.

3.3 De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Het door de Ondernemingskamer bij beschikking van 1 juni 2012 gelaste onderzoek heeft niet (mede) betrekking op de periode dat Korringa bestuurder is van DOS en het verzoek van Praamstra strekt niet tot het gelasten van een onderzoek over de periode vanaf 1 juni 2012. Een en ander neemt niet weg dat de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:349a BW in elke stand van het geding op een daartoe strekkend verzoek zodanige onmiddellijke voorzieningen kan treffen als zij vereist acht in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Die bepaling biedt ook ruimte voor wijziging, aanvulling of beëindiging van getroffen voorzieningen en dus ook voor vervanging van een door de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening benoemde bestuurder. Of een zodanig verzoek toewijsbaar is, is mede afhankelijk van afweging van de betrokken belangen, waaronder in het bijzonder het belang van de desbetreffende vennootschap.

3.4 De door Praamstra aan zijn verzoek ten grondslag gelegde bezwaren tegen het handelen van Korringa als bestuurder van DOS moeten worden beoordeeld in het licht van de taak van Korringa als tijdelijk bestuurder en de omstandigheden waaronder hij zijn taak dient te verrichten. In het onderhavige geval zijn die omstandigheden kort gezegd: (a) de ernstig verstoorde verstandhouding tussen Praamstra en Van Bekkum Holding (de bij beschikking van de Ondernemingskamer van 1 juni 2012 geschorste bestuurders van DOS), (b) het bestaan van een groot aantal geschillen tussen Praamstra en Van Bekkum Holding over onderwerpen die betrekking hebben op de bedrijfsvoering van DOS en (c) een grote mate van onduidelijkheid over de feiten die aan deze geschillen ten grondslag liggen. Tot de taak van Korringa als tijdelijk bestuurder behoort in beginsel niet het doen van uitvoerig onderzoek naar de feiten en omstandigheden die de Ondernemingskamer in haar beschikking van 1 juni 2012 heeft aangemerkt als gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid van DOS. Uit een en ander volgt dat de taak van Korringa als tijdelijk bestuurder van DOS in overwegende mate inhoudt dat hij, op basis van zijn (voorlopige) waardering van de stand van zaken binnen DOS, besluiten neemt en maatregelen treft gericht op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarbij komt hem een ruime beoordelingsmarge toe.

3.5 De Ondernemingskamer neemt voorts in aanmerking (a) dat ten tijde van de mondelinge behandeling op 25 oktober 2012, het concept-onderzoeksverslag reeds aan partijen was toegezonden en het onderzoek zich dus in een vergevorderd stadium bevond en (b) dat de financiële draagkracht van DOS gering is.

3.6 Tegen de achtergrond van het onder 3.4 en 3.5 overwogene, acht de Ondernemingskamer de door Praamstra geformuleerde verwijten ontoereikend voor toewijzing van diens verzoek. De Ondernemingskamer licht dat oordeel hieronder toe aan de hand van deze verwijten.

3.7 Het in 3.1 sub a bedoelde verwijt betreft de inzet van Witteveen. In zijn verslag van 8 oktober 2012 heeft Korringa daarover onder meer geschreven:

“Om voor mijzelf een duidelijk beeld te krijgen met betrekking tot situatie in het Deventer Ziekenhuis (DZ) heb ik een gesprek gehad met de doctoren De Jong, Riemersma en Van Stiphout. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op woensdag 11 juli 2012. In dat gesprek werd mij zeer duidelijk gemaakt dat de revalidatieartsen samen wilden werken met de heren Witteveen en Van Bekkum. Ze vroegen mij dringend dit zo te regelen. Vanwege deze wens en het gevaar dat de omzet anders naar een ander bedrijf zou gaan, heb ik besloten de situatie zoals deze was, te handhaven. (…)

Hij [Witteveen] is in dienst genomen, via een detacheringscontract, omdat het werk zodanig toenam dat de heren Praamstra en Vriesema dit niet meer aankonden. (…) Toen ik mijn werkzaamheden begon in juni was dhr. Witteveen één maand in dienst. Wat mij betreft veel te kort om zijn presteren te beoordelen. De revalidatieartsen gaven in het gesprek met mij aan tevreden te zijn over het vakmanschap van dhr. Witteveen. In de zomer is er sprake van een lichte dip in de omzet vanwege vakantie van zowel verwijzers als patiënten. Voor mij betekent dit dat de komende maanden aan moeten tonen of er voldoende en harde redenen zijn om de detacheringsovereenkomst te beëindigen. Tenslotte heb ik geen enkele aanwijzing dat dhr. Witteveen werkzaamheden verricht voor Montanis.”

DOS heeft voorts onweersproken gesteld dat het concept-onderzoeksverslag inhoudt dat niet aannemelijk is geworden dat door de inzet van Witteveen omzet van DOS wordt weggesluisd, zoals Praamstra heeft gesteld. De Ondernemingskamer acht het op grond van dit een en ander (alleszins) begrijpelijk dat Korringa vooralsnog de detachering van Witteveen niet heeft beëindigd, nog daargelaten of Korringa die overeenkomst rechtens had kunnen beëindigen.

3.8 Met het in 3.1 sub b bedoelde verwijt miskent Praamstra dat het feit dat Witteveen werkzaamheden in de bedrijfsruimte van Montanis te Deventer verricht, niet impliceert dat sprake is van een nevenvestiging van DOS te Deventer. Voor het overige heeft Praamstra niet aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop Korringa zijn taak verricht leidt tot problemen met zorgverzekeraars of de SEMH-erkenning.

3.9 Het in 3.1 sub c bedoelde verwijt vormt evenmin een deugdelijke grondslag voor het verzoek. De Ondernemingskamer acht het begrijpelijk dat Korringa, geconfronteerd met het standpunt van de door hem genoemde revalidatieartsen (zie 3.7), daaraan gehoor heeft gegeven in het belang van de continuïteit van de onderneming van DOS en gelet op de ernstig verstoorde verstandhouding tussen Praamstra en Van Bekkum. Praamstra heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende revalidatieartsen indertijd wel bereid waren, of thans alsnog bereid zijn, samen te werken met Praamstra en Vriesema.

3.10 Het in 3.1 sub d bedoelde verwijt acht de Ondernemingskamer niet gegrond omdat de keuze van Korringa om Stuijt in te zetten bij het innen van achterstallige debiteuren berustte op praktische overwegingen, die de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk acht. Daarbij komt dat, naar DOS onweersproken heeft gesteld, de desbetreffende werkzaamheden van Stuijt inmiddels zijn beëindigd.

3.11 Voor wat betreft het in 3.1 sub e bedoelde is aannemelijk dat Korringa op 29 juni 2012 en 29 juli 2012 managementvergoedingen over de maanden april en mei 2012 respectievelijk juni 2012 (telkens ten bedrage van € 2.975) ten laste van DOS heeft betaald aan Van Bekkum Holding. De omstandigheid dat de Ondernemingskamer in haar beschikking van 1 juni 2012 (r.o. 3.11) heeft overwogen dat de besluitvorming over de managementvergoeding aan Van Bekkum Holding niet heeft voldaan aan de eis dat de bezoldiging van een bestuurder dient te worden vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders, maakt die betalingen op zichzelf niet ontoelaatbaar. Voor het overige geldt dat niet gebleken is dat aan Van Bekkum Holding over de periode vanaf 1 juli 2012 managementvergoedingen zijn uitgekeerd. Er is daarom ook geen grond om te verbieden dat aan Van Bekkum Holding bezoldiging wordt betaald, zoals Praamstra tevens heeft verzocht.

3.12 Het in 3.1 sub f bedoelde verwijt vormt geen toereikende grondslag voor het verzoek omdat, voor zover betalingen aan Montanis zijn gedaan, Praamstra niet voldoende heeft toegelicht dat daaraan onaanvaardbare risico’s verbonden zijn.

3.13 Het in 3.1 sub g bedoelde verwijt treft geen doel omdat niet aannemelijk is geworden dat DOS aan mr. R.H.P. van de Venne betalingen heeft gedaan die geen betrekking hebben op werkzaamheden ten behoeve van DOS.

3.14 Het in 3.1 sub h bedoelde verwijt heeft Praamstra onvoldoende toegelicht, in aanmerking genomen dat, zoals DOS onweersproken heeft gesteld, Van Bekkum degene is die beschikt over de vereiste kennis van het desbetreffende programma en Korringa heeft bedongen dat Van Bekkum slechts wijzigingen in het systeem zal aanbrengen met zijn instemming.

3.15 De slotsom is dat het verzoek van Praamstra zal worden afgewezen en dat hij als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst de verzoeken af;

verwijst Cornelis Praamstra, wonende te Wirdum, in de kosten van deze procedure aan de zijde van De Orthopedische Schoenmakerij B.V., tot op heden begroot op € 2.682;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Faber, voorzitter, mr. M.P. Nieuwe Weme en

mr. G.C. Makkink, raadsheren, en drs. G. Izeboud RA en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 5 december 2012.