Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY8236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
23001876-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gebruik maken van vals vliegbrevet. niet geven cautie bij redelijk vermoeden van schuld leidt in casu enkel tot constatering vormverzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001876-10

datum uitspraak: 27 december 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 13 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-800294-10 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats en -datum] 1969,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2012, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

dat hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 8 juli 2006 tot en met 2 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Eelde (vliegveld Groningen) en/of Rotterdam en/of Eindhoven, in elk geval (het luchtruim boven) Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een vals en of vervalst bewijs van bevoegdheid (te weten een [nummer vliegbrevet]- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware het echt en onvervalst voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor het gebruik als ware het echt en onvervalst

en

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juli 2006 tot en met 02 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Eelde (vliegveld Groningen) en/of Rotterdam en/of Eindhoven, in elk geval in (het luchtruim boven) Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst vliegbrevet (te weten een [nummer vliegbrevet]), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, in voornoemde periode (meermalen) althans eenmaal (als gezagvoerder) een luchtvaartuig heeft bediend,en/of een (door hem vals opgemaakt) bewijs van bevoegdheid heeft getoond op vordering van opsporingsambtenaren en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat voornoemd bewijs van bevoegdheid (compleet) nagemaakt was, in elke geval niet in overeenstemming was met een authentiek Zweeds bewijs van bevoegdheid.

2:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juli 2006 tot en met 02 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Eelde (vliegveld Groningen) en/of Rotterdam en/of Eindhoven, in elk geval in en/of boven Nederland, (meermalen) als gezagvoerder van een luchtvaartuig (te weten luchtvaartuigen van het type Boeing 737 van de luchtvaartmaatschappij [luchtvaartmaatschappij]) heeft gevlogen en aldus (telkens) een luchtvaartuig heeft bediend, (telkens) zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of een daarvoor geldig bewijs van gelijkstelling.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 2 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een vals bewijs van bevoegdheid, te weten een [nummer vliegbrevet]- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware het echt en onvervalst voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor het gebruik als ware het echt en onvervalst

en

hij op 2 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals bewijs van bevoegdheid, te weten een [nummer vliegbrevet]-, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte een door hem vals opgemaakt bewijs van bevoegdheid heeft getoond op vordering van opsporingsambtenaren en bestaande die valsheid hierin dat voornoemd bewijs van bevoegdheid -compleet- nagemaakt was.

2.

hij op tijdstippen in de periode van 8 juli 2006 tot en met 02 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Eelde (vliegveld Groningen) en Rotterdam en Eindhoven, meermalen als gezagvoerder van een luchtvaartuig (te weten luchtvaartuigen van het type Boeing 737 van de luchtvaartmaatschappij [luchtvaartmaatschappij]) heeft gevlogen en aldus telkens een luchtvaartuig heeft bediend, telkens zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of een daarvoor geldig bewijs van gelijkstelling.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting ten aanzien van feit 1 gesteld dat het gebruik en voorhanden hebben gedurende de gehele tenlastegelegde periode kan worden bewezen en daartoe het volgende aangevoerd. Uit het proces-verbaal van 2 maart 2010 blijkt dat de verdachte het valse brevet onder zich had ten tijde van de vordering van de verbalisanten. Vliegers dienen dit brevet altijd bij zich te hebben op grond van artikel 5 sub d van de Regeling Vluchtuitvoering. Het gebruik van het valse brevet kan dan ook voor de gehele tenlastegelegde periode worden bewezen. Uit het Verdrag van Chicago volgt dat een vliegbrevet een middel is waarmee een staat toestemming verleent aan de brevethouder tot het uitvoeren van bepaalde activiteiten die de veiligheid in gevaar kunnen brengen wanneer zij niet op de juiste wijze worden uitgevoerd. Het brevet is het bewijs dat de staat van herkomst ervan overtuigd is dat de brevethouder voldoende kundigheid heeft getoond, overeenkomstig de internationale normen en maatstaven. Daaruit volgt dan ook dat elk lid van de cockpitbemanning dient te beschikken over een geldig brevet. Bij de starts en landingen die de verdachte heeft gemaakt vanaf/op Nederlandse vliegvelden heeft hij dus gebruik gemaakt van zijn vliegbrevet. Het begrip "derden" zoals bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient ruim te worden uitgelegd. In deze zaak zijn ook de luchtvaartmaatschappij alsmede passagiers en cockpitleden door de verdachte misleid; zij waren immers allemaal in de veronderstelling dat de verdachte in het bezit was van een geldig vliegbrevet.

De raadsvrouw van de verdachte heeft -aan de hand van haar pleitnota- in dit verband het volgende aangevoerd. De verdachte kan alleen worden verweten dat hij bij één gelegenheid een vals bewijs van bevoegdheid voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, te weten net voor zijn aanhouding. Onder gebruik in de zin van artikel 225 lid 2 Sr moet worden verstaan het daadwerkelijk gebruik maken van een vals geschrift als middel tot misleiding van een derde, en daarvan is bij het bedienen van een luchtvaartuig geen sprake.

Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich gedurende de tenlastegelegde periode voorgedaan als bevoegd piloot. Dit enkele gegeven is echter onvoldoende om het voorhanden hebben en gebruik van het valse vliegbrevet gedurende de gehele periode vast te stellen. Voor het daadwerkelijk voorhanden hebben en het gebruik ten aanzien van derden, anders dan het tonen aan de opsporingsambtenaren op 2 maart 2010, zijn in het dossier geen aanknopingspunten gevonden en hiervan is ook anderszins niet gebleken.

In het kader van de strafmaat heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering. De verdachte is voorafgaand aan de eerste vragen van de verhorende verbalisant niet gewezen op zijn recht op vragen niet te antwoorden. Door de inhoud van de informatie die de verbalisanten voorafgaand aan de aanhouding hebben gekregen in combinatie met het constateren van de onjuistheden op het brevet was een redelijk vermoeden van schuld ontstaan en had de verdachte de cautie dienen te worden gegeven.

In dit verband overweegt het hof het volgende;

- Het proces verbaal van 4 maart 2010, doorgenummerde pagina 0012, houdt in dat verbalisant [naam verbalisant], een telefonische melding kreeg van [naam], inspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. [naam inspecteur] deelt hem mede dat hij van een medewerker van de Zweedse Inspectie Verkeer en Waterstaat informatie ontvangen had dat [verdachte], geboren te [geboorteplaats en -datum] 1969, mogelijk gebruik zou maken van een vals vliegbrevet om die dag, omstreeks 23:30 uur (lokale tijd) met een luchtvaartuig van de vliegmaatschappij [naam vliegmaatschappij], met vluchtnummer [vluchtnummer], als piloot van Schiphol naar Ankara te vliegen. In het kader van de controlerende taakstelling van de unit Luchtvaarttoezicht van het Korps Landelijke Politiediensten heeft [verbalisant] deze informatie onder de aandacht van een van zijn medewerkers gebracht met het verzoek hier actie op te ondernemen en het vorenstaande te verifiëren.

- Het proces-verbaal van aanhouding van 2 maart 2010, doorgenummerde pagina 0114, houdt het volgende in als bevindingen van de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant]:

Op 2 maart 2010 ontvingen laatstgenoemden informatie van [naam verbalisant], inspecteur van politie, dat een Zweedse gezagvoerder, die in dienst zou zijn van vliegmaatschappij [naam vliegmaatschappij], met een vals vliegbrevet mogelijk een vlucht zou gaan uitvoeren vanaf vliegveld Schiphol. Zij begaven zich vervolgens naar aanleiding van deze informatie ter uitvoering van een normaal gebruikelijk reguliere controle naar de gate waar omstreeks 22:50 uur een luchtvaartuig van [naam vliegmaatschappij] zou vertrekken naar Ankara. Zij zagen dat de cockpitcrew bestond uit een gezagvoerder en een co-piloot. De gezagvoerder vroeg in het Engels of de geplande vlucht gecontroleerd ging worden. Eerstgenoemde verbalisant antwoordde bevestigend. Hij zag vervolgens dat de gezagvoerder nerveus werd. De verbalisanten gingen aan boord en hebben de gezagvoerder en de co-piloot aan een alcoholcontrole onderworpen. Vervolgens werden de bescheiden gecontroleerd welke benodigd waren voor het besturen van het betreffende vliegtuig. Bij de controle vroeg eerstgenoemde verbalisant de gezagvoerder naar zijn bewijs van bevoegdheid en zijn medische verklaring. Hij zag dat de gezagvoerder hem een document toonde dat soortgelijk was aan andere bewijzen van bevoegdheid.

Genoemd proces-verbaal van de aanhouding houdt voorts in: "Vervolgens zag ik, eerste verbalisant (het hof begrijpt: [naam verbalisant]), dat de tekst van het document was opgesteld zowel in de Zweedse als de Engelse taal. Ik, eerste verbalisant, zag dat in de eerste regel van het vliegbrevet de Zweedse woorden "ütferande stat" (state of issue) stonden geschreven. Ik zag vervolgens dat verder in de tekst diezelfde woorden terugkwamen, doch anders waren geschreven.... Ik, eerste verbalisant, zag vervolgens dat in de Engelse tekst van het document het woord "exercised' op twee manieren was geschreven. Vervolgens zag ik, eerste verbalisant, dat de naam van de persoon, die namens de Zweedse Autoriteit bevoegd was tot het afgeven van dit document, en diens handtekening op een slordige wijze geschreven waren. Ik, eerste verbalisant, confronteerde gezagvoerder [verdachte] met deze onjuistheden waarna hij zichtbaar zeer nerveus werd en met ons, verbalisanten, de cockpit uitwilde. Op mijn vraag waarom hij weg wilde antwoordde hij dat hij dit alles niet in het bijzijn van zijn bemanning wilde bespreken. Wij, verbalisanten, hebben vervolgens met gezagvoerder [verdachte] het luchtvaartuig verlaten. In de slurf hoorden wij, verbalisanten, dat gezagvoerder [verdachte] ons ongevraagd mededeelde dat er aan zijn brevet van alles niet juist was. Gezagvoerder [verdachte] verklaarde ons echter niet wat exact aan zijn brevet mis was. Nadat ik, eerste verbalisant, gezagvoerder [verdachte] gevraagd had of hij hiermee een vals vliegbrevet bedoelde antwoordde hij bevestigend. Naar aanleiding van de verklaring van gezagvoerder [verdachte] omtrent de status van zijn vliegbrevet, hebben wij, verbalisanten, [verdachte] op dinsdag 2 maart 2010, omstreeks 22:45 uur medegedeeld dat hij aangehouden was op verdenking van overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrifte). Ik, eerste verbalisant, deelde [verdachte] vervolgens mede dat hij niet tot het antwoorden verplicht was en wees hem tevens op het consultatierecht. Verdachte [verdachte] verklaarde ons, verbalisanten, dat hij dit begrepen had".

Op grond van het bovenstaande is het hof met de raadsvrouw van mening dat er sprake is geweest van een vormverzuim, nu na het constateren van de onregelmatigheden in het door de verdachte overhandigde bewijs van bevoegdheid, in samenhang met de eerder verkregen informatie dat de verdachte een vals vliegbrevet zou hebben, een redelijk vermoeden van schuld was ontstaan dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit, waarna, voor hem verdere vragen werden gesteld, de cautie had moeten worden gegeven. Het hof zal echter volstaan met de constatering dat sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld, en hier verder geen gevolgen aan verbinden op grond van het volgende. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, kan niet de conclusie worden getrokken dat uitsluitend op grond van het enkele feit dat hij een bekennende verklaring heeft afgelegd zonder voorafgaand de cautie te hebben gekregen de procespositie van de verdachte zo goed als vast stond. Hierbij overweegt het hof bovendien dat de verdachte in latere verhoren vooraf consequent de cautie heeft gekregen, daarbij is bijgestaan door een raadsvrouw en hij in deze verhoren niet anders heeft verklaard dan voorafgaand aan zijn aanhouding op 2 maart 2010. De verdachte is door het vormverzuim derhalve niet dermate in zijn verdediging geschaad dat dit verdere consequenties zou moeten hebben voor wat betreft de op te leggen straf, zoals door de raadsvrouw bepleit.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Luchtvaart, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van feit 1 ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2 heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 2000 euro subsidiair 30 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid de luchtvaart uit te oefenen voor de duur van 12 maanden.

Voorts heeft de politierechter de onttrekking aan het verkeer van een aantal van de inbeslaggenomen goederen gelast, van een deel de teruggave aan de uitgevende instantie en van een ander deel de teruggave aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en een geldboete ter hoogte van 15.000 euro. Voor feit 2 een ontzegging van de vliegbevoegdheid voor de duur van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van 6.500 euro, met overname van de door de politierechter genomen beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 2 maart 2010 een vals bewijs van bevoegdheid om te vliegen, een Zweedse "flight crew licence" voorhanden gehad en gebruikt.

Ook heeft hij jarenlang als gezagvoerder van een Boeing 737 gevlogen zonder dat hij daarvoor een geldig bewijs van bevoegdheid had.

Het hof acht dit ernstige feiten.

Met het oog op de veiligheid van het luchtvaartverkeer, passagiers en medebemanningsleden is het van groot belang dat vertrouwen kan worden gesteld in een bewijs om te mogen vliegen. De verdachte heeft dit vertrouwen in ernstige mate geschonden door een vals bewijs voorhanden te hebben en dit te tonen aan bevoegde ambtenaren.

Ook heeft hij de strikte regelgeving voor het luchtvaartverkeer, die mede ziet op de veiligheid van de luchtvaart, willens en wetens met voeten getreden hetgeen het hof de verdachte kwalijk neemt.

Gelet op de ernst van feit 2 acht het hof termen aanwezig een ontzegging op te leggen voor de duur van 24 maanden van de bevoegdheid aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel.

In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte tracht een nieuw bestaan op te bouwen.

Ook weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 november 2012 niet eerder in Nederland strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van (ten aanzien van feit 1) een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 74 dagen voorwaardelijk en een geldboete van € 2.500,- en (ten aanzien van feit 2) een geldboete van € 2.000,- en een ontzegging van de bevoegdheid aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel, van vierentwintig maanden in beginsel passend en geboden.

In hetgeen de raadsvrouw met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding lagere straffen en met name lagere boetes dan de hierboven genoemde op te leggen, gelet op het feit dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte, mede gezien zijn leeftijd en zijn huidige werkzaamheden, in staat moet worden geacht voldoende inkomsten te verwerven om boetes van voormelde hoogte te kunnen voldoen. Er zijn geen aanknopingspunten gebleken op grond waarvan van dat laatste niet zou kunnen worden uitgegaan.

Het openbaar ministerie heeft op 14 april 2010 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 13 april 2010. Eerst heden, 27 december 2012, wijst het hof arrest. Het hof constateert dat in de hoger beroep fase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden en betrekt daarbij dat deze schending niet enkel aan de verdachte te wijten is geweest.

Gelet op deze schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zal in plaats van eerdergenoemde geldboete van € 2.500,- voor feit 1, een geldboete van € 2.000,- worden opgelegd.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Certificaat ATPL GROUNDTRAI certificaat atpl groundtraining tnv [verdachte],

- 1.00 STK Certificaat LOW VISIBILITY, certificaat atpl low visibility,

- 1.00 STK Akte, VLIEGBREVET, NAGEMAAKT ATPL brevet van [verdachte],

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren de verdachte toe en de thans bewezen geachte feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan dan wel zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen, terwijl deze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Daarbij komt dat het ongecontroleerde bezit van voormelde inbeslaggenomen voorwerpen in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36b, 36d, 55, 62 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.1, 11.9 en 11.11 van de Wet luchtvaart.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 74 (vierenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel, voor de duur van 24 maanden

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Certificaat ATPL GROUNDTRAI certificaat atpl groundtraining tnv [verdachte],

- 1.00 STK Certificaat LOW VISIBILITY, certificaat atpl low visibility,

- 1.00 STK Akte, VLIEGBREVET, NAGEMAAKT ATPL brevet van [verdachte].

Gelast de teruggave aan de betreffende uitgevende instantie van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK legitimatiebewijs kl. rood [nummer] tnv. [verdachte],

- 1.00 STK document VALIDATIEDOC. LUCHTV.AUT. [validatiedocument],

- 1.00 STK PAS, TOEGANGSPAS Nederland [nummer pas]

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Instapkaart KLM [nummer]

- 1.00 STK Laptop computer kl. zilver APPLE macbookpro incl. 220V laadsnoer

- 1.00 STK Verblijfsvergunning [nummer] tnv [verdachte]

- 1.00 STK GSM-toestel kl. meerkl. APPLE I-PHONE [nummer]

- 1.00 STK GSM- toestel kl. blauw APPLE I-PHONE

- 1.00 STK Boek kl. blauw PILOT LOGBOEK Nederland [verdachte].

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. E. Mijnsberge en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van M.A. Docter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2012.

Parketnummer: 23-001876-10

9

arrest

GERECHTSHOF AMSTERDAM