Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7731

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
200.084.870-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA0266, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA0266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schilderij (“oude meester”) blijkt na de aankoop op een veiling voor meer dan 50% te zijn geretoucheerd. Veilinghuis niet aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonende te [ woonplaats ],

APPELLANT,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te ’s-Gravenhage,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHRISTIE’S AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. N.W. Mulder te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) [ appellant ] en Christie’s genoemd.

Bij dagvaarding van 28 maart 2011 is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de ¬rechtbank Amsterdam van 30 december 2009, 28 april 2010 en 9 maart 2011, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 435078 / HA ZA 09-2468 gewezen tussen hem als eiser en Christie’s als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft [ appellant ] twee grieven tegen de vonnissen van 28 april 2010 en 9 maart 2011 aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog zijn vordering zal toewijzen, met veroordeling van Christie’s in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft Christie’s de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen en [ appellant ] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 28 april 2010 onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2.1. Op 14 november 2007 heeft [ appellant ] op een door Christie's georganiseerde veiling het schilderij “A watchtower at the mouth of an estuary” (hierna: het schilderij) gekocht. Het schilderij is toegeschreven aan de schilder Jan Josefsz. van Goyen (hierna: Van Goyen). De koopprijs vermeerderd met opgeld bedroeg in totaal € 37.005,50.

2.2.2. In het door Christie's opgestelde conditierapport staat vermeld:

Christie's specialist are not trained conservators, and the report set out below is not comprehensive condition report prepared by a professional restorer. While we make certain observations on the work, which we trust are helpful, we recommend that you consult your own restorer for a more complete report. We also remind you that this report is given in accordance with the conditions of business printed in the auction catalogue. It is an expression of opinion only and must not be treated as a statement of fact.

Lot 135 [Het schilderij, hof]

The panel consists of a single sheet of wood. The varnish is dirty and discoloured.

In natural light no obvious damages can be detected, except for a pattern of tiny retouchings, especially in the sky to cover the woodgrain that was showing through the blue/grey pigments that became slightly transparent with age. Also a few minor strengthenings of the darker pigments in the foreground are visible.

UV-light reveals the aforementioned retouchings and strengthenings. Otherwise the dirty varnish turns green, making a further reading difficult.

We thank you for your interest in the forthcoming sale.

We remind you again that all property is sold “as is” and should be viewed personally by you of by your professional advisor before the sale to assess its condition.

2.2.3. In de catalogus staat het schilderij als volgt omschreven:

L 135

JAN JOSEFSZ. VAN GOYEN

Leiden 1596-1656 The Hague

A watchtower at the mouth of an estuary

signed with monogram and dated ‘VG 1640’ (lower centre)

oil on panel

23.2 x 32.5 cm

€30,000-50,000

2.2.4. In de catalogus staat vermeld:

Explanation of Cataloguing Practice

For pictures, drawings, prints and miniatures

The following expressions with their accompanying explanations are used by Christie’s as standard cataloguing practice. Our use of these expressions does not take account of the condition of the lot or of the extent of any restoration. (…)

Name(s) or Recognised Designation of an Artist without any Qualification.

In our opinion a work by the artist.

2.2.5. In de veilingvoorwaarden (“Conditions of Sale”) van Christie’s staat onder meer vermeld:

(A)3 Descriptions in the Catalogue and Video Images

(a) All statements of Christie’s in the catalogue and condition reports as to the (presumptive) designer, author, writer, origin, date, age, genuineness, source, provenance, condition or estimated Hammer Price of any Lot are statements of opinion only and shall never imply any guarantee by Christie’s (…)

2.2.6. [ appellant ] heeft na de koop het schilderij door het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (hierna: het RKD) laten bekijken. Het RKD vermeldt thans als omschrijving van het schilderij:

trant/naar/was Jan Josefsz. van Goyen

(…) Bij onderzoek van het schilderij op het RKD in februari 2008 is het volgende geconcludeerd: het valt niet uit te sluiten dat dit schilderij oorspronkelijk een eigenhandig werk van Jan van Goyen is geweest, maar in de huidige toestand (…) kan dit schilderij niet of niet meer als eigenhandig worden beoordeeld.

2.2.7. Op 6 maart 2008 heeft [ appellant ] contact gehad met de heer [ A ], directeur van Christie's, over het geschil.

2.2.8. Vervolgens heeft [ appellant ] het schilderij laten onderzoeken door mevrouw Petria Noble. In haar rapport vermeldt zij:

Examination with the stereomicroscope (x50) demonstrates that the sky is (almost) entirely overpainted. Given the low horizon line in the composition, means that more than half of the painting is overpainted. (…) The overpaint is thickest in the upper left and the bluer areas of the sky (…). Here tiny brown lines have been painted on top of the overpaint to imitate the vertical wood grain. (…)

In ultra violet illumination (UV), the overpaint in the top half of the painting appears purplish. This is in contrast to the bottom half of the picture with demonstrates a greenish fluorescence associated with an aged natural resin varnish. A few original areas of sky appear light in UV. With the aid of the stereomicroscope the damaged original surface paint can be discerned below the overpaint. (…)

Typically damage associated with Van Goyen paintings can range from a disturbing stripiness to localised paint loss along the wood grain. That this kind of damage also seems to be the case with this painting is demonstrated with microscopic examination: in areas of the original sky that can be discerned below the overpaint, prominent dark vertical lines can be easily discerned.(…)

CONCLUSION:

The picture makes an authentic impression apart from the sky that has been (almost) entirely overpainted. This has been done to presumably to hide a sky that is in poor condition. (…) The extensive overpaint appears to the result of degradation associated with the wood grain that is frequently encountered in panel paintings by Jan van Goyen.

2.2.9. Naar aanleiding hiervan heeft [ appellant ] contact opgenomen met Christie's. In een brief van de advocaat van [ appellant ] aan Christie's, gedateerd op 31 maart 2009, staat vermeld:

Cliënt meent dan ook dat de overeenkomst op grond van toerekenbaar tekorschieten c.q. dwaling c.q. bedrog c.q. misbruik van omstandigheden vernietigd dient te worden, hetgeen ik dan ook bij deze doe. Zo nodig ontbind ik ook buiten rechte de overeenkomst zover sprake zou zijn van toerekenbaar tekortschieten.

3. Beoordeling

3.1 [ appellant ] vordert – samengevat – een verklaring voor recht (primair) dat de overeenkomst is vernietigd, althans vernietiging wegens dwaling; (subsidiair) een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, althans ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst; veroordeling van Christie’s tot (terug)betaling van de aankoopsom met kosten ten bedrage van € 37.005,05, van € 1.500,-- aan buitengerechtelijke kosten en van € 500,-- aan kosten van een expert, met rente en proceskosten. De rechtbank heeft – na bewijslevering door [ appellant ] door middel van getuigen - de vorderingen afgewezen.

3.2 Het hof begrijpt dat [ appellant ] niet heeft bedoeld hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 30 december 2009, nu hij daartegen geen grieven heeft gericht.

3.3 Met zijn eerste grief stelt [ appellant ] aan de orde dat de omstandigheid, dat het schilderij voor meer dan 50% blijkt te zijn geretoucheerd, meebrengt dat het geen “eigenhandig” werk van Van Goyen is en handhaaft hij zijn beroep op dwaling dan wel toerekenbare tekortkoming. Ook handhaaft hij zijn beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden van Christie’s, op de grond dat hij deze hem niet voor of bij het aangaan van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, alsmede dat Christie’s in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op de voorwaarden toekomt.

3.3.1. [ appellant ] heeft gesteld bij het aangaan van de overeenkomst te zijn afgegaan op de vermelding in de catalogus en in het conditierapport. Christie’s heeft daar tegenover aangevoerd dat de veilingvoorwaarden waarop zij zich beroept in de catalogus geprint waren. Nu [ appellant ] dat niet heeft betwist, faalt zijn beroep op vernietiging van de voorwaarden op de grond dat deze hem niet tijdig ter hand zouden zijn gesteld.

3.3.2. Het hof stelt voorop dat de rechtbank in r.o. 4.2 van het vonnis van 28 april 2010 heeft vastgesteld, dat meer dan 50% van het schilderij is geretoucheerd. Tegen dit oordeel is geen grief gericht, zodat dit als feit tussen partijen vaststaat.

3.3.3. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het niet-geretoucheerde gedeelte van het schilderij wel van Van Goyen is. De vraag die in verband met grief 1 beantwoord dient te worden is, of de mate van retouchering van het schilderij (meer dan 50%) die naderhand is gebleken, meebrengt dat Christie’s daarover andere mededelingen had behoren te doen dan zij gedaan heeft, een lagere prijsstelling had moeten hanteren dan wel aan de naam van de maker een kwalificatie had moeten verbinden (zoals [ appellant ] zegt: “(was) van Goyen”). Het hof begrijpt in dit verband dat [ appellant ] zich niet op het standpunt stelt dat het schilderij is vervalst, zoals bedoeld in de veilingvoorwaarden.

3.3.4. Bij de vraag of het schilderij aan de overeenkomst beantwoordde gaat het erom of het, gelet op de aard der zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, de eigenschappen bezat die [ appellant ] op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

3.3.5. De aard der zaak betreft een schilderij uit de 17e eeuw, verkocht op een veiling als onderdeel van een verzameling “oude meesters”. De heer [ B ] van Christie’s heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg onder meer gezegd, en [ appellant ] heeft dat niet betwist, dat alle oude meesters zijn geretoucheerd.

3.3.6. Wat de mededelingen van de verkoper betreft blijkt voldoende duidelijk uit de onder 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5 vermelde citaten uit de catalogus, het conditierapport en de veilingvoorwaarden van Christie’s, dat Christie’s met het noemen van de naam “Van Goyen” in relatie tot het schilderij slechts haar mening tot uitdrukking heeft willen brengen, maar ook, dat zij die mening niet als feit heeft willen benoemen, en evenmin als een garantie. Evenmin wordt bij de vermelding van een naam in de catalogus rekening gehouden met de omvang van een eventuele restauratie. Tevens heeft zij expliciet gewezen op de aanwezigheid van retoucheringen (met name van de lucht) die zeker onder een UV-lamp, maar ook reeds met natuurlijk licht zichtbaar waren. Gelet op die mededelingen van de zijde van Christie’s (en het onderzoek met een UV-lamp dat kennelijk was verricht) mocht [ appellant ] niet verwachten, zoals hij lijkt te betogen, dat met zekerheid vast zou staan dat het schilderij geheel geschilderd was door Van Goyen.

3.3.7. Wel mocht [ appellant ] naar ’s hofs oordeel verwachten, gelet op de statuur van Christie’s (zijnde, naar algemeen bekend is, een internationaal gerenommeerd veilinghuis, onder meer op het gebied van schilderkunst), dat Christie’s haar mening op goede gronden had gegeven. Christie’s heeft in dat verband allereerst aangevoerd dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst het schilderij door ter zake deskundigen (waaronder het RKD) aan Van Goyen werd toegeschreven, in het bijzonder door H.U. Beck (volgens Christie’s de meest vooraanstaande expert op het gebied van Van Goyen). Dit heeft [ appellant ] niet betwist. Christie’s heeft verder aangevoerd, dat zij het schilderij met een UV-lamp heeft onderzocht en dat daarbij retoucheringen aangebracht bleken te zijn, maar dat de mate van retouchering pas is gebleken bij microscopisch onderzoek (door mevrouw Petria Noble), en dat dergelijk diepgaand onderzoek van haar als veilinghuis in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ook dit standpunt heeft [ appellant ] onvoldoende gemotiveerd betwist.

3.3.8. Nu vaststaat dat Christie’s zich baseerde op deskundige opinies en eigen onderzoek naar het schilderij, kon Christie’s naar ’s hofs oordeel ten tijde van de verkoop in redelijkheid de mening zijn toegedaan, dat het schilderij een werk van Van Goyen betrof. Zij heeft door die mening kenbaar te maken jegens [ appellant ] dan ook geen rechtsnorm geschonden. Dat wordt niet anders nu na de verkoop de door [ appellant ] ingeschakelde deskundige Petria Noble na onderzoek met een stereomicroscoop heeft geconstateerd dat “more than half of the painting is overpainted”. Uit het rapport van Noble kan ook niet worden afgeleid, dat Christie’s daardoor in redelijkheid niet de mening kon zijn toegedaan, dat Van Goyen de maker van het schilderij was.

3.3.9. Het enkele feit dat het RKD haar mening over de toeschrijving na het sluiten van de overeenkomst heeft gewijzigd, maakt dat evenmin anders. Dat geldt ook voor [ appellant ]’ stelling dat het schilderij achteraf bezien niet de waarde blijkt te hebben die hij ervoor betaald heeft.

3.3.10. Indien de mate waarin het schilderij was geretoucheerd voor [ appellant ] als koper bepalend zou zijn geweest voor het al dan niet aangaan van de koop had het, gelet op deze waarschuwingen door Christie’s, op zijn weg gelegen daarover voorafgaand aan de koop, (te trachten) meer zekerheid te verkrijgen of, indien meer zekerheid niet verkregen kon worden, van de koop af te zien. Binnen redelijke grenzen zou Christie’s in beginsel gehouden zijn geweest aan het verkrijgen van meer zekerheid mee te werken. [ appellant ] stelt weliswaar dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om het schilderij (tijdens de kijkdagen) mee te nemen voor verder onderzoek, doch ook indien hij daarom heeft verzocht (hij heeft dat niet gesteld) en het verzoek werd afgewezen, geldt dat in zijn algemeenheid van een veilinghuis ook niet gevergd kan worden (uitzonderingen daargelaten, die niet zijn gebleken), dat zij goederen voorafgaand aan de verkoop aan potentiele kopers meegeeft voor onderzoek, zeker niet tijdens kijkdagen die zijn bedoeld om de objecten aan alle geïnteresseerde kopers te tonen. Het is het hof niet gebleken dat [ appellant ] enig onderzoek heeft verricht of zich tijdens de kijkdagen door een deskundige heeft laten bijstaan. Voor zover hij daardoor andere verwachtingen over het schilderij bleek te hebben dan gerechtvaardigd was, moet dat voor zijn risico komen.

3.3.11. Het schilderij voldeed daarom naar ’s hofs oordeel aan de overeenkomst. Het beroep van [ appellant ] op (toerekenbaar) tekortschieten faalt derhalve.

3.4 Het beroep van [ appellant ] op dwaling faalt, nu uit de mededelingen die Christie’s (blijkens het hiervoor overwogene) over het schilderij heeft gedaan, niet blijkt dat een onjuiste voorstelling van zaken bij [ appellant ] is veroorzaakt door een onjuiste mededeling van Christie’s of van een verzwijging door Christie’s waar zij had behoren te spreken.

3.5 Voor vernietiging van de algemene voorwaarden van Christie’s bestaat reeds geen grond, omdat [ appellant ] niet concreet heeft aangegeven welke voorwaarden onredelijk bezwarend zijn c.q. op welke voorwaarden Christie’s zich in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet kan beroepen. Grief 1 van [ appellant ] faalt.

3.6 Met grief 2 stelt [ appellant ] de bewijswaardering door de rechtbank aan de orde van de door hem gestelde nadere overeenkomst met Christie’s. Die overeenkomst had volgens [ appellant ] als inhoud, dat Christie’s het schilderij zou terugnemen en de koopprijs (inclusief opgeld) zou restitueren, indien vast zou komen te staan dat het schilderij voor meer dan 40% is geretoucheerd.

3.7 Het hof acht, met de rechtbank, het bewijs van die afspraak niet geleverd.

3.7.1. [ appellant ] heeft in eerste aanleg een aantal e-mails tussen hem en Christie’s overgelegd. Uit geen van deze e-mails blijkt met zoveel woorden van het bestaan van een overeenkomst met de beweerdelijke inhoud. Integendeel: uit de correspondentie valt veeleer af te leiden dat volgens Christie’s de voorwaarde voor terugname niet de mate van retouchering, maar de (on-)echtheid van het schilderij is. Om die reden stelt Christie’s bij e-mail van 29 mei 2008 voor om een nieuwe deskundige te benoemen, die kan onderzoeken of het schilderij echt of vals is.

3.8 In eerste aanleg heeft [ appellant ] als getuigen [ A ], directeur bij Christie’s, alsmede zichzelf (als partijgetuige) doen horen.

3.8.1. [ appellant ] heeft – samengevat - verklaard met de heer [ A ] van Christie’s te hebben afgesproken, op voorstel van [ A ], dat als vast zou komen te staan dat het schilderij voor meer dan 40% geretoucheerd, [ appellant ] het zou mogen teruggeven. Het zou door een expert op het gebied van restauratie worden vastgesteld: dat is mevrouw Noble geworden.

3.8.2. [ A ] heeft – samengevat - verklaard dat er een oplossing moest komen op basis van de vraag of het schilderij echt was of niet, die door een expert beantwoord moest worden. [ appellant ] mocht het schilderij teruggeven als zou blijken dat het geen Jan van Goyen was; er is niet afgesproken dat hij het mocht teruggeven als het voor meer dan 40% geretoucheerd was. Mevrouw Noble is door Christie’s niet als expert geaccepteerd omdat zij restaurateur is en een restaurateur niet over de echtheid gaat.

3.9 De partijgetuigeverklaring van [ appellant ] kan alleen tot bewijs van zijn stellingen leiden indien het strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Naar ’s hofs oordeel is daarvan geen sprake. [ A ] ontkent immers nadrukkelijk dat met [ appellant ] is afgesproken dat het schilderij zou mogen worden teruggegeven als het voor meer dan 40% geretoucheerd zou zijn: volgens hem had de gemaakte afspraak een geheel andere inhoud. [ appellant ] stelt weliswaar dat de enige reden om mevrouw Noble als deskundige in te schakelen de door hem beweerde afspraak was, maar dat standpunt (zo al juist) miskent dat [ A ] juist betwist met de benoeming van mevrouw Noble in deze kwestie te hebben ingestemd, en dat van de instemming van Christie’s ook niet anderszins is gebleken. De verklaring van [ A ] wordt voorts ondersteund door het feit, dat krachtens de veilingvoorwaarden van Christie’s slechts recht op terugbetaling bestaat indien het gekochte vals (a “Forgery”) is, zoals in die voorwaarden gedefinieerd.

3.10 [ appellant ] heeft in hoger beroep weliswaar een in algemene termen geformuleerd bewijsaanbod gedaan, maar dit aanbod ter zake van dit specifieke onderwerp niet geconcretiseerd, zodat het hof aan zijn aanbod voorbij gaat. Grief 2 faalt.

3.11 Hetgeen [ appellant ] voor het overige heeft gesteld en te bewijzen heeft aangeboden kan niet tot andere oordelen leiden dan hiervoor gegeven zodat het hof dat aanbod, als niet terzake dienend, eveneens passeert.

4. Slotsom en kosten

Nu de grieven falen en ook overigens geen grond bestaat voor vernietiging van het bestreden vonnis, zal dit worden bekrachtigd. [ appellant ] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van rechtbank Amsterdam van 28 april 2010 en 9 maart 2011 met zaak/rolnummer 435078 / HA ZA 09-2468;

veroordeelt [ appellant ] tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Christie’s gevallen, op € 649,-- wegens verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C. Toorman en R.H. de Bock en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 september 2012 door de rolraadsheer.