Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY6067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
200.105.206/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek dat ziet op inhoudelijke beslissingen van de strafkamer wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

wrakingskamer

BESCHIKKING

op het op 13 april 2012 door

1. [ VERZOEKER SUB 1 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. C.J.B. Rijser, advocaat te Amsterdam,

2. [ VERZOEKER SUB 2 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Haarlem,

3. [ VERZOEKER SUB 3 ],

geboren op [ geboortedatum ] te [ plaatsnaam ]( [ land ] ),

wonende te [ woonplaats ] ([ land ]),

gemachtigde: mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem,

4. [ VERZOEKER SUB 3 ],

geboren te [ woonplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. J.F. van Halderen, advocaat te Haarlem,

5. [ VERZOEKSTER SUB 4 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem,

6. [ VERZOEKER SUB 5 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam,

7. [ VERZOEKER SUB 6 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ]( [ land ] ),

gemachtigde: mr. C. Maat, advocaat te Amsterdam,

8. [ VERZOEKER SUB 7 ],

geboren te [ geboorteplaats ] [ (land) ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ] [ (land) ],

gemachtigde: mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda,

9. [ VERZOEKER SUB 8 ],

geboren te [ geboorteplaats ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. J. van Weers, advocaat te Amsterdam,

10. [ VERZOEKER SUB 9 ],

geboren te [ geboorteplaats ] [ (land) ] op [ geboortedatum ],

wonende te [ woonplaats ],

gemachtigde: mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam,

mondeling ter terechtzitting van de achtste meervoudige strafkamer van dit gerechtshof gedane wrakingsverzoek.

1. Het verzoek en de rechtsgang

1.1. Het verzoek tot wraking is door mr. Rijser voornoemd namens verdachte [ verzoeker sub 1 ] op 13 april 2012 mondeling gedaan tijdens de openbare terechtzitting van de achtste meervoudige strafkamer in de strafzaken met parketnummers:

[ parketnummer ] ([ verzoeker sub 1 ]), [ parketnummer ] ([ verzoeker sub 2 ]), [ parketnummer ] ([ verzoeker sub 3 ]), [ parketnummer ] ([ verzoeker sub 4 ]), [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 5 ]), [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 6 ]), [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 7 ]), [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 8 ]), [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 9 ]) en [ parketnummer ] ([ verzoekster sub 10 ]). Bij dit wrakingsverzoek hebben de overige gemachtigden – met uitzondering van mr. Canatan - zich mondeling namens hun cliënten aangesloten, mr. Kochheim-Bossink heeft dit mede gedaan namens mr. Thomas voor wie zij ter zitting heeft waargenomen. Mr. Canatan heeft zich namens [ verzoekster sub 10 ] bij ter griffie op 13 april 2012 ingekomen fax-bericht van 13 april 2012 bij het wrakingsverzoek aangesloten.

1.2. Het betreft het verzoek tot wraking van de raadsheren mr. L.A.J. Dun, voorzitter, en mrs. H.S.G. Verhoeff en A.E.M. Röttgering, leden van de achtste meervoudige strafkamer (hierna: de strafkamer).

1.3. Mrs. Dun, Verhoeff en Röttgering hebben meegedeeld niet te berusten in de wraking.

1.4. De belanghebbende in deze zaak is het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de advocaten-generaal mrs. S.M. de Vries en M. van Elsdingen.

1.5. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 16 april 2012. Bij die gelegenheid waren aanwezig:

1. [ verzoeker sub 1 ], met mr. Rijser;

2. mr. Kochheim-Bossink, bepaaldelijk gevolmachtigd op te treden voor [ verzoeker sub 2 ];

3. mr. Van Hoogmoed, bepaaldelijk gevolmachtigd op te treden voor [ verzoeker sub 3 ];

4. [ verzoeker sub 4 ], met mr. Van Halderen;

5. [ verzoekster sub 5 ], met mr. Van Halderen namens mr. Hiemstra;

6. mr. Aalmoes, bepaaldelijk gevolmachtigd op te treden voor [ verzoekster sub 6 ];

7. [ verzoekster sub 7 ], met mr. Maat;

8. [ verzoekster sub 8 ], met mr. Kochheim-Bossink namens mr. Thomas;

9. mr. Van Weers, bepaaldelijk gevolmachtigd voor [ verzoekster sub 9 ] op te treden;

10. [ verzoekster sub 10 ], met mr. Canatan.

1.6. Mr. Rijser heeft het verzoek aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties toegelicht. Tevens hebben mrs. Van Halderen en Maat het verzoek aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities toegelicht. Mr. Canatan heeft een eerder die dag nog overhandigd verzoek tot wraking van de strafkamer nader toegelicht. Mrs. Kochheim-Bossink, Van Hoogmoed, Aalmoes en Van Weers hebben het woord gevoerd.

1.7. Mrs. Dun, Verhoeff en Röttgering waren eveneens bij de mondelinge behandeling aanwezig, waarbij mr. Dun namens de strafkamer het woord heeft gevoerd.

1.8. Tevens zijn verschenen mrs. De Vries en Van Elsdingen, waarbij mr. De Vries het woord heeft gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

2. Beoordeling

2.1. Het hof overweegt als volgt.

2.2. Het hof neemt als uitgangspunt dat het onderhavige verzoek dient te worden beoordeeld op grond van de hier toepasselijke artikelen 512 tot en met 515 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

2.3. Op grond van artikel 512 Sv kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.4. Aan het op 13 april 2012 gedane wrakingsverzoek is blijkens het proces-verbaal van de zitting van 13 april 2012 – kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. De strafkamer heeft op 13 april 2012 het verzoek van de verdediging tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor het horen – op welke wijze dan ook – van de getuigen [ X ] en [ Y ] te Australië afgewezen. Vervolgens heeft de strafkamer ook het verzoek van mr. Van Halderen een rechtshulpverzoek te doen uitgaan naar Australië teneinde de bereidheid van [ X ] en [ Y ] als getuigen op te treden te onderzoeken, afgewezen. Deze verzoeken zijn door de strafkamer volgens de verdediging ten onrechte op grond van het noodzaakcriterium afgewezen. In het licht van de door mr. Van Halderen overgelegde fax-berichten waaruit volgens de indieners van het wrakingsverzoek blijkt dat de getuigen [ X ] en [ Y ] thans onvoorwaardelijk bereid zijn vrijwillig mee te werken aan een getuigenverhoor, zijn deze beslissingen bovendien onbegrijpelijk, mede gelet op de eerdere toewijzing van de verzoeken tot het horen van die getuigen en de motivering van de strafkamer van de afwijzing van die verzoeken op 19 december 2011, te weten dat er geen aanknopingspunten zijn voor de aanname dat de getuigen vrijwillige medewerking willen verlenen en ook van de zijde van de verdediging niets naar voren is gebracht dat een zodanig aanknopingspunt zou opleveren. Genoemde beslissingen, die lijken te zijn genomen met het oog op een spoedige afdoening van de zaak, hebben bij de verdachten, althans de verdediging, de vrees doen ontstaan dat de strafkamer niet langer openstond voor het doen van enig verder onderzoek, in het bijzonder van het doen horen van genoemde getuigen, hetgeen een gegronde vrees voor vooringenomenheid van de strafkamer oplevert, aldus de verdediging.

2.5. Ter zitting van de wrakingskamer op 16 april 2012 zijn voorts de volgende afwijzende beslissingen van de strafkamer van 13 april 2012 als wrakingsgronden, althans als onderbouwing van het standpunt van de verdediging dat sprake is van gegronde vrees voor vooringenomenheid van de strafkamer, aangevoerd. Het betreft de afwijzing van het verzoek het “Arabisch proces-verbaal” in origineel te doen opvragen, de afwijzing van het verzoek tot schorsing en aanhouding van de behandeling ter terechtzitting teneinde de verdachte [ verzoeker sub 3 ] opnieuw als getuige te doen oproepen respectievelijk hem in de gelegenheid te stellen van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken en de afwijzing van het verzoek tot het doen horen van de Braziliaanse getuigen inzake verdachte [ verzoekster sub 10 ].

2.6. Ten aanzien van de laatste drie gronden zoals hiervoor onder 2.5 weergegeven overweegt het hof – onder verwijzing naar artikel 513 Sv waarin is bepaald dat verzoeken tot wraking tijdig dienen te worden gedaan - het navolgende. Deze eerst op 16 april 2012 aangevoerde gronden hadden eerder en wel op 13 april 2012 kunnen en moeten worden aangevoerd, te meer daar de raadslieden ter zitting dan wel bij fax-bericht slechts hebben aangegeven zich bij het verzoek van mr. Rijser aan te sluiten, waarbij nog kan worden opgemerkt dat het verzoek van mr. Rijser uitdrukkelijk was beperkt tot de afwijzende beslissingen van de strafkamer op het verzoek tot het doen horen van de getuigen [ X ] en [ Y ] en het verzoek tot het doen van een nieuw rechtshulpverzoek aan Australië in onderlinge samenhang bezien. Aangevoerd noch gebleken is waarom de eerst op 16 april 2012 aangevoerde gronden niet ook op 13 april 2012 naar voren hadden kunnen worden gebracht. Met betrekking tot hetgeen door mr. Canatan is aangevoerd over het feit dat hij eerst aan het eind van de middag van 13 april 2012 van het wrakingsverzoek heeft kennisgenomen, omdat hij verhinderd was de zitting bij te wonen en een kantoorgenoot slechts het ochtenddeel van de zitting voor hem heeft kunnen waarnemen, geldt voorts daarnaast nog dat de wijze waarop mr. Canatan zich heeft laten vertegenwoordigen niet aan de strafkamer valt toe te rekenen en derhalve geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. De conclusie ten aanzien van deze gronden is dat de verdachten niet ontvankelijk zijn in hun verzoek.

2.7. Voor zover het wrakingsverzoek is gebaseerd op de beslissingen van de strafkamer tot afwijzing van het verzoek tot het doen horen van de getuigen [ X ] en [ Y ] en het verzoek om ten aanzien van deze getuigen een rechtshulpverzoek naar Australië te doen uitgaan, wordt het navolgende overwogen. Er liggen gemotiveerde beslissingen van de strafkamer van 13 april 2012. Het is niet aan de wrakingskamer die beslissingen inhoudelijk te toetsen, ook niet met betrekking tot de vraag of de strafkamer het juiste criterium heeft toegepast. Een en ander zou anders kunnen zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Daarvan is in casu, in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet gebleken. De uitleg door de strafkamer van de door mr. Van Halderen overgelegde fax-berichten geeft ook in het licht van hetgeen op 19 december 2011 is overwogen, gezien het hiervoor weergegeven wrakingscriterium, geen blijk van vooringenomenheid. Voor zover naar voren is gebracht dat bij (een van) de verdachten, althans bij de verdediging, de vrees heeft postgevat dat de strafkamer niet meer openstond voor het doen van enig verder onderzoek wordt nog overwogen dat rechters uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn. Een en ander leidt nu dit standpunt ook niet nader is onderbouwd tot afwijzing van het wrakingsverzoek voor zover het deze grond betreft.

3. Beslissing

Het hof:

- wijst af het verzoek tot wraking voor zover dat is gebaseerd op de afwijzing van het verzoek van de strafkamer tot het doen horen van de getuigen [ X ] en [ Y ] en het verzoek in dit kader een rechtshulpverzoek te doen uitgaan;

- verklaart verdachten voor het overige niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Clement, M. Gonggrijp-Van Mourik en W.J. Noordhuizen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2012 in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.E.Y. Lok en vastgesteld op 24 april 2012.