Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2012:BY5409

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-10-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
200.033.139-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

RSI croupier, onderling afwijkende deskundigenberichten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/11
AR-Updates.nl 2012-1127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2012

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting NATIONALE STICHTING TOT EXPLOITATIE

VAN CASINOSPELEN IN NEDERLAND,

gevestigd te Hoofddorp,

APPELLANTE,

advocaat: mr. B.J.H. Crans te Amsterdam,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonende te [ woonplaats ],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. Zwagerman te Amsterdam.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Holland Casino en [ Geïntimeerde ] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 21 december 2010 een tussenarrest gewezen, hierna: het tussenarrest. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Ter uitvoering van het tussenarrest heeft het hof op 4 april 2012 deskundigen gehoord en is een comparitie van partijen gehouden.

Vervolgens hebben partijen opnieuw arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1 In het tussenarrest heeft het hof vooropgesteld dat het op grond van het bepaalde in art. 7:658 lid 2 BW aan [ Geïntimeerde ] is te bewijzen dat zij de schade waarvan zij vergoeding vordert heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden voor Holland Casino. Voorts heeft het hof overwogen dat indien [ Geïntimeerde ] het bewijs levert van haar stelling dat zij haar werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk konden zijn voor haar gezondheid en zij tevens aannemelijk maakt dat zij lijdt aan gezondheidsklachten welke door deze omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, het aan Holland Casino is om tegenbewijs te leveren dat zodanig causaal verband niet bestaat. Het hof heeft tevens geoordeeld dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de werkzaamheden die [ Geïntimeerde ] voor Holland Casino heeft verricht schadelijk hebben kunnen zijn voor de gezondheid van [ Geïntimeerde ]. Met betrekking tot de vraag of de in eerste aanleg benoemde deskundigen het op grond van de door hen gestelde diagnose aannemelijk achten dat de klachten en afwijkingen van [ Geïntimeerde ] in 1995 en in februari 1997 hun oorzaak vonden in de door [ Geïntimeerde ] voor Holland Casino verrichte werkzaamheden constateerde het hof dat het oordeel van de deskundigen niet eensluidend is. In verband hiermee heeft het hof bepaald dat de deskundigen zouden worden gehoord teneinde nadere toelichting te geven op de door hen in deze zaak uitgebrachte deskundigen berichten.

2.2 Ter gelegenheid van hun verhoor, waarbij ook partijen van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om vragen te stellen, hielden de deskundigen vast aan de berichten die zij hebben uitgebracht.

2.3 Voordat het hof nader ingaat op de deskundigenberichten zal het grief III bespreken, waarin Holland Casino stelt dat dr. C.M.T. Plasmans niet als deskundige had mogen worden benoemd. Zij voert daartoe aan dat deze deskundige in een andere zaak waarin Holland Casino door een werknemer is aangesproken als behandelend arts de ‘diagnose’ RSI (bij het gebruik van de aanhalingstekens volgt het hof Holland Casino) heeft gesteld. Daarnaast zijn ook (ex) collega’s van dr. Plasmans die zijn of waren verbonden aan het OLVG betrokken geweest bij de behandeling van (ex) medewerkers van Holland Casino. Daarbij is, zonder dat (objectieve) afwijkingen waren gevonden, de diagnose RSI is gesteld. Een van bedoelde collega’s, dr. [ S ], heeft als behandelend arts van [ Geïntimeerde ] reeds een diagnose gesteld, aldus nog steeds Holland Casino. Het hof oordeelt als volgt. Indien dr. Plasmans als behandelend arts bij een voormalige medewerker van Holland Casino de diagnose RSI heeft gesteld is dat, reeds omdat Holland Casino niet stelt dat het ging om een geval dat met dat in de onderhavige zaak vergelijkbaar is, onvoldoende om aan zijn onafhankelijkheid als deskundige in de onderhavige zaak te twijfelen. Hetzelfde geldt voor hetgeen Holland Casino stelt met betrekking tot (ex) collega’s van dr. Plasmans. Onderscheiden moet bovendien worden tussen de rol van de behandelend arts wiens bemoeiingen veeleer zijn gericht op de behandeling van klachten en die van een deskundige als dr. Plasmans aan wie de vraag wordt gesteld of hij het op basis van de gestelde diagnose aannemelijk acht dat de klachten en afwijkingen hun oorzaak vinden in de door de betrokkene verrichte werkzaamheden. Uit de enkele omstandigheid dat dr. [ S ], die [ Geïntimeerde ] eind jaren ’90 heeft gezien, evenals dr. Plasmans verbonden is (geweest) aan het OLVG valt niet af te leiden dat laatstgenoemde zijn rapport als deskundige niet in volledige vrijheid en onafhankelijkheid heeft kunnen uitbrengen. Zulks te minder nu de deskundige zijn hierna te bespreken oordeel, naar uit de rapportage blijkt, heeft gebaseerd op eigen onderzoek. De grief faalt.

2.4 Met betrekking de door de deskundigen verschillend beantwoorde vraag of zij het op grond van de door hen gestelde diagnose aannemelijk achten dat de klachten en afwijkingen van [ Geïntimeerde ] in 1995 en 1997 hun oorzaak vonden in de door haar als croupier respectievelijk als kassier voor Holland Casino verrichte werkzaamheden overweegt het hof als volgt.

2.5 Dr. Plasmans heeft zijn bevestigende beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag, gebaseerd op zijn anamnese waaruit naar voren is gekomen dat de eerste bron van klachten in en rond haar schouder optrad in 1995. De anamnese, maar ook de kennisname van de in het deskundigenbericht genoemde publicaties en de brief van de Dienstenbond FNV van 9 augustus 1989 hebben dr. Plasmans gebracht tot het oordeel dat de werkzaamheden die [ Geïntimeerde ] eerst als croupier en later als kassier voor Holland Casino heeft verricht in relatie kunnen staan tot het door haar ontwikkelde klachtenpatroon. Hierbij heeft dr. Plasmans meegewogen de volledige blanco voorgeschiedenis aangaande de rechter schouder van [ Geïntimeerde ] alsook de reële en evenwichtige presentatie van het klachtenpatroon op de dag van het onderzoek, daarbij opmerkend dat het klachtenpatroon aanzienlijk geringer was dan in 1995 en 1997. Dr. Plasmans heeft verder te kennen gegeven dat hij geen andere verklaring voorhanden heeft voor het ontstaan van de klachten en afwijkingen.

2.6 Prof Stam merkt in zijn rapport in dit verband op dat klachten van nek, schouder, arm en hand in hoge frequentie voorkomen bij de normale Nederlandse bevolking, ook wanneer er geen sprake is van een trauma of langdurige overbelasting. Daar staat echter tegenover, aldus prof Stam, dat de aard en de organisatie van de werkzaamheden, die [ Geïntimeerde ] eerst als croupier en later als kassier verrichtte zodanig waren dat overbelasting van spieren, gewrichten, en pezen van nek, schouder, armen en hand redelijkerwijs te verwachten was. De klachten van [ Geïntimeerde ] en de resultaten van aanvullend lichamelijk onderzoek waren volgens prof Stam niet typisch voor een dergelijk overbelastingssyndroom. Hij sloot de beantwoording van deze vraag af met de opmerking dat het klachtenpatroon van [ Geïntimeerde ] te aspecifiek was om een directe oorzakelijk relatie tussen de klachten en afwijkingen en de werkzaamheden bij Holland Casino vast te kunnen stellen. Op de vraag of hij een andere verklaring voor de klachten en afwijkingen had, antwoordde prof Stam, kort gezegd, dat de diagnostiek niet uitputtend is geweest, dat een onbetwistbare diagnose niet kon worden gesteld en dat een uitspraak over een diagnose die negen jaar geleden actueel was speculatief is.

2.7 Het hof volgt het oordeel van dr. Plasmans en overweegt daartoe als volgt. Bepalend in deze is niet of een oorzakelijk verband als waarop prof. Stam doelt, kan worden vastgesteld tussen de klachten van [ Geïntimeerde ] en de werkzaamheden die zij voor Holland Casino heeft verricht, maar of het aannemelijk is dat de klachten van [ Geïntimeerde ] daarin hun oorzaak vinden. Het hof hecht in dit verband betekenis aan het feit dat beide deskundigen hebben opgemerkt dat [ Geïntimeerde ] de klachten reëel presenteerde, waarbij prof. Stam nog aantekende dat er geen aanwijzingen waren voor aggravatie of simulatie. Nu geen andere mogelijke oorzaak voor de klachten naar voren is gekomen acht het hof, in aanmerking nemend dat de werkomstandigheden bij Holland Casino schadelijk hebben kunnen zijn voor de gezondheid van [ Geïntimeerde ] aannemelijk, dat het hiervoor bedoelde verband tussen de gezondheidsklachten van [ Geïntimeerde ] en de door haar bij Holland Casino verrichte werkzaamheden bestaat. De bezwaren die Holland Casino in grief IV en de toelichting daarop tegen de rapportage van dr. Plasmans heeft geuit, maken dit oordeel niet anders, reeds omdat Holland Casino aan deze bezwaren het onjuiste uitgangspunt ten grondslag heeft gelegd dat aangetoond moet worden dat gegeven een zeker klachtenpatroon de arbeidsomstandigheden daarvan de oorzaak zijn.

2.8 Holland Casino heeft, voor zover in dit verband van belang, bij memorie van grieven een algemeen bewijsaanbod gedaan en bij pleidooi (pleitnota van mr. Van Sloun onder 59 tot en met 62) (tegen)bewijs aangeboden dat [ Geïntimeerde ] geen rechtens relevante schade heeft geleden die is terug te voeren op haar werkzaamheden bij Holland Casino. Gelet op de door het hof gecursiveerde woorden leest het hof in dit aanbod niet dat Holland Casino tegenbewijs heeft beoogd aan te bieden dat erop is gericht te ontzenuwen dat het aannemelijk is dat [ Geïntimeerde ] lijdt aan gezondheidsklachten die door het werk kunnen zijn veroorzaakt. Het hof ziet ook geen aanleiding haar ambtshalve tot tegenbewijs toe te laten. Thans moet dus van causaal verband tussen de verrichte werkzaamheden enerzijds en de klachten en afwijkingen anderzijds worden uitgegaan. De grieven I, II en IV tot en met VI falen.

2.9 De grieven VII tot en met IX en XI en XII (een grief genummerd X ontbreekt) hebben betrekking op hetgeen de kantonrechter heeft overwogen ten aanzien van de zorgplicht. Het hof oordeelt als volgt.

2.10 Grief VII houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [ Geïntimeerde ] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, zodat Holland Casino moet bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan dan wel dat de klachten ook los daarvan zouden zijn ontstaan. Nu het hof met de kantonrechter van het bestaan van causaal verband tussen de gezondheidsklachten van [ Geïntimeerde ] en haar werkzaamheden uitgaat en het oordeel van de kantonrechter omtrent hetgeen Holland Casino bij deze stand van zaken moet bewijzen juist is, faalt de grief.

2.11 In grief VIII klaagt Holland Casino dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat op haar een zorgplicht rustte ter voorkoming van de klachten en afwijkingen die [ Geïntimeerde ] als gevolg van haar werkzaamheden heeft ondervonden en ondervindt. Volgens Holland Casino was destijds omtrent RSI-achtige klachten te weinig bekend om van haar te kunnen verlangen dat zij daartegen maatregelen nam. Reeds omdat Holland Casino erkent dat zij reeds vanaf het eind van de jaren ’80 van de vorige eeuw wist dat werknemers die voor haar werkten kampten met klachten aan het bewegings- en houdingsapparaat, zoals dit bleek uit door haar geïnitieerde bedrijfsgeneeskundige onderzoeken, had het op haar weg gelegen ter zake maatregelen te nemen. Niet van belang is wanneer de klachten waarom het gaat als RSI werden aangeduid, wel of de werkgever, toen hij van het bestaan van die klachten op de hoogte was of kon zijn, de vereiste maatregelen heeft genomen. De grief is tevergeefs voorgedragen.

2.12 Holland Casino betoogt, subsidiair, met de grieven IX,XI en XII, dat zij wel aan haar zorgplicht heeft gedaan. Het hof overweegt als volgt.

2.13 Holland Casino heeft in dit verband in de eerste plaats gewezen op de rapportage uit 1988, een actieplan uit hetzelfde jaar en een bedrijfsgezondheidskundig onderzoek dat in 1992 heeft plaatsgevonden. Van belang is welke maatregelen zij daadwerkelijk heeft genomen teneinde aan haar zorgplicht te voldoen. [ Geïntimeerde ] heeft bij memorie van antwoord gesteld dat van de voornemens uit het actieplan er gedurende de periode dat zij bij Holland Casino in dienst was slechts één is gerealiseerd, namelijk het instellen van een ergonomische werkgroep. Holland Casino heeft dit bij pleidooi niet weersproken. Daar komt nog bij dat, zoals de kantonrechter in het eindvonnis overwoog, de Arbodienst Noord-Holland op 15 juli 1997 rapporteerde dat hij van mening was dat de ergonomische werkgroep weinig effect had en dat aan de blackjacktafel en de Amerikaanse Roulette tafel een goede werkhouding niet mogelijk was.

2.14 Ter ondersteuning van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan wijst Holland Casino op de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen [ getuige 1 ], [ getuige 2 ], [ getuige 3 ] en [ getuige 4 ] die volgens haar een helder beeld schetsen van de activiteiten van de werkgroep. Uit deze verklaringen valt naar het oordeel van het hof onvoldoende op te maken welke maatregen Holland Casino in concreto heeft genomen ter vermijding van het ontstaan van klachten als die [ Geïntimeerde ] heeft opgelopen. Tegenover deze verklaringen staan bovendien de verklaring van [ Geïntimeerde ] die heeft verklaard dat bij haar opleiding niets is gezegd over houding en beweging en waaruit de problemen naar voren komen die zij ondervond bij de spelsoorten blackjack en Amerikaanse Roulette, waarover de rapportage van de Arbodienst Noord-Holland voor wat betreft de werkhouding aan de tafels, zoals hiervoor werd geconstateerd negatief was. Ook de getuige [ getuige 5 ] heeft verklaard dat bij de opleiding geen aandacht werd besteed aan houding en beweging. Dat voor deze aspecten bij het vervullen van de functie van kassier geen aandacht bestond is verklaard door de getuige [ getuige 6 ]. Naar het oordeel van het hof heeft Holland Casino hetgeen de laatstgenoemde getuigen hebben verklaard, welke verklaringen steun vinden in de rapportages waarvan de kantonrechter in het eindvonnis melding heeft gemaakt, onvoldoende weerlegd. Holland Casino heeft nog aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [ getuige 5 ] en [ getuige 6 ] gelijk zijn te stellen aan partijverklaringen omdat ook zij Holland Casino aansprakelijk hebben gesteld in verband met RSI-klachten. Het hof ziet geen aanleiding aan deze verklaringen beperkte waarde toe te kennen, reeds omdat Holland Casino onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze getuigen uit eigenbelang de waarheid geweld hebben aangedaan. Daarbij geldt dat deze verklaringen, zoals overwogen, niet op zichzelf staan, maar steun vinden in de rapportage. Het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat Holland Casino onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de noodzakelijke verbeteringen van de arbeidsomstandigheden van [ Geïntimeerde ], zowel in haar functie van croupier als die van kassier en dat zij aldus is tekortgeschoten in haar zorgplicht ten aanzien van [ Geïntimeerde ]. De grieven IX,XI en XII falen.

2.15 Grief XIII richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de RSI-klachten ook zouden zijn ontstaan als Holland Casino haar zorgplicht wel was nagekomen omdat zij daartoe onvoldoende heeft gesteld. De grief faalt reeds omdat Holland Casino ook in hoger beroep geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat van de in de rapportages genoemde maatregelen geen effect viel te verwachten en dat [ Geïntimeerde ] ook RSI-klachten zou hebben gehad als deze maatregelen wel waren getroffen. Ook deze grief treft geen doel.

3. Slotsom

De grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij zal Holland Casino worden verwezen in de proceskosten van de procedure in appel, waaronder begrepen de aanvullende kosten van de deskundigen.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de door de kantonrechter in Amsterdam op 29 mei 2002, 15 oktober 2003, 11 december 2006 en 1 december 2008 onder rolnummer 00-7566 uitgesproken vonnissen;

verwijst Holland Casino in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [ Geïntimeerde ] tot aan deze uitspraak op € 2.458,- wegens verschotten en € 2.682,- wegens salaris;

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, A.M.A. Verscheure en C. Uriot en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 2 oktober 2012.